Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14196

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
AWB 20/2249
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2021:2618, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Mvv nareis, alleenstaande minderjarige referent, arresten A&S en B.M.M, gezinsbandsvoorwaarde toetsen aan de hand van minderjarige kinderenbeleid als asielaanvraag is ingediend ten tijde van minderjarigheid van referent, feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de datum van indiening van de asielaanvraag door referent mogen bij gezinsbandvoorwaarde worden betrokken. In casu is gezinsband verbroken omdat eiser volledig in eigen levensonderhoud voorziet, een relatie in Nederland had en een in Nederland geboren kind heeft die hij ook heeft erkend. Beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2249

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser 1] , [naam eiser 2] (hierna tezamen: eisers 1), [naam eiser 3] , [naam eiser 4] , [naam eiser 5] , [naam eiser 6] en [naam eiser 7] (hierna tezamen: eisers 2), hierna allen tezamen: eisers,

V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7]

gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Boerci.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2017 (primair besluit I) heeft verweerder de door [naam referent] (referent) voor eisers I ingediende aanvragen tot het verlenen van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) in het kader van ‘nareis’ afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2017 (primair besluit II) heeft verweerder de door referent voor eisers II ingediende aanvragen tot het verlenen van mvv’s onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid (bij referent)’ afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is verschenen referent.

Overwegingen

Inleiding

1. Eisers I zijn de gestelde ouders van referent en hebben de Eritrese nationaliteit. Eisers II zijn de gestelde broers en zussen van referent en hebben eveneens de Eritrese nationaliteit. Eisers beogen verblijf bij referent in Nederland. Referent is geboren op [geboortedatum referent] , heeft eveneens de Eritrese nationaliteit en heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met ingangsdatum 9 oktober 2015. Referent heeft de in deze zaak voorliggende mvv-aanvragen op 8 januari 2016 en 29 september 2016 ingediend.

Bestreden besluit

2. Het bestreden besluit, waarbij de primaire besluiten met wijziging van de gronden zijn gehandhaafd, houdt het volgende in. Ten aanzien van de mvv-aanvragen voor eisers I heeft verweerder gesteld, onder verwijzing naar zijn ‘meerderjarige kinderenbeleid’, dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eisers I is verbroken. Aan dit standpunt legt verweerder ten grondslag dat referent in Nederland een relatie van vijf maanden heeft gehad, waaruit een kind is geboren en dat er nu een feitelijke gezinsband tussen referent en zijn kind bestaat. Verder legt verweerder aan dit standpunt ten grondslag dat referent fulltime werkt, zelfstandig woont, volledig zelf in zijn levensonderhoud voorziet en eisers financieel ondersteunt. Dit maakt volgens verweerder dat referent zelfredzaam en onafhankelijk van eisers I is. Er wordt volgens verweerder niet (meer) voldaan aan de voorwaarden voor ‘nareis’. Ten aanzien van de mvv-aanvragen voor eisers II heeft verweerder gesteld dat, nu de aanvragen voor eisers I zijn afgewezen, het weigeren van verblijfsrecht aan eisers II geen scheiding tussen eisers I en eisers II tot gevolg heeft. Zij kunnen hun gezinsleven buiten Nederland voortzetten. Afwijzing van de voor eisers II ingediende aanvragen levert daarom geen strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op.

Juridisch kader

3. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak

Beroep

Mvv-aanvragen voor eisers I

4. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder de mvv-nareisaanvraag heeft beoordeeld tegen een verkeerd peilmoment. Het peilmoment waartegen de beoordeling dient plaats te vinden is volgens eisers de datum van indiening van de asielaanvraag door referent. Referent was op dat moment minderjarig, zodat de mvv-nareisaanvraag moet worden beoordeeld als ware referent minderjarig. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt gewezen op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 12 april 2018 in de zaak A. en S. tegen Nederland (ECLI:EU:C:2018:248) en van 16 juli 2020 in de zaak B.M.M. e.a. tegen België (ECLI:EU:C:2020:577) alsmede op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 31 augustus 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:11041), zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:12824) en, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6144).

5.1.

In artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, in verbinding met het vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) staan de voorwaarden waaraan in een geval als het onderhavige – waarin een minderjarig kind om nareis van zijn ouders verzoekt – moet worden voldaan voor de verlening van een mvv (en vervolgens verblijfsvergunning) in het kader van nareis. Daaruit volgen onder meer de volgende twee voorwaarden: (1) de referent moet minderjarig zijn (hierna: ‘minderjarigheidsvoorwaarde’) en (2) tussen de referent en zijn ouders moet een feitelijke gezinsband bestaan (hierna: ‘gezinsbandvoorwaarde’).

5.2.

Ter zitting is gebleken dat partijen verdeeld houdt:

(1) of verweerder de ‘gezinsbandvoorwaarde’ in deze zaak terecht heeft beoordeeld aan de hand van zijn ‘meerderjarige kinderenbeleid’ (hierna: eerste geschilpunt);

(2) of verweerder bij de beoordeling van de ‘gezinsbandvoorwaarde’ feiten en omstandigheden heeft mogen betrekken die zich hebben voorgedaan na de datum van indiening van de asielaanvraag door referent (hierna: tweede geschilpunt); en

(3) of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eisers I verbroken is (hierna: derde geschilpunt).

5.3.1.

Over het eerste geschilpunt overweegt de rechtbank als volgt.

5.3.2.

In het arrest A. en S. heeft het Hof overwogen dat een referent die op het moment van indienen van een asielaanvraag minderjarig is, maar gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als ‘minderjarige’ in de zin van artikel 10, derde lid, onder a, van richtlijn 2003/86 (hierna: Gezinsherenigingsrichtlijn), mits hij de nareisaanvraag binnen drie maanden na de verlening van de asielvergunning indient. Hieruit en uit de overige inhoud van dit arrest leidt de rechtbank af dat de datum waartegen de ‘minderjarigheidsvoorwaarde’ in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw – waarin artikel 10, derde lid, onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is geïmplementeerd – moet worden beoordeeld, de datum van indiening van de asielaanvraag door de referent is. Is de referent op deze peildatum minderjarig dan wordt hij in de nareisprocedure (mits hij de nareisaanvraag binnen drie maanden na de verlening van de asielvergunning indient) dus beschouwd als minderjarige, ook al is hij inmiddels meerderjarig geworden. Dit volgt ook uit het ten tijde van het bestreden besluit geldende nareisbeleid van verweerder, dat (onder meer) is neergelegd in paragraaf C2/4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

5.3.3.

In dit geval was referent niet alleen ten tijde van de indiening van zijn asielaanvraag minderjarig, maar ook ten tijde van de (tijdige) indiening van de mvv-nareisaanvragen. Gelet op de vorige overweging betekent dit dat referent in de nareisprocedure zonder meer moet worden beschouwd als minderjarige en dus voldoet aan de ‘minderjarigheidsvoorwaarde’.

5.3.4.

Gelet hierop kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn beslissing om de ‘gezinsbandvoorwaarde’ te beoordelen aan de hand van zijn ‘meerderjarige kinderenbeleid’. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder de ‘gezinsbandvoorwaarde’ had moeten beoordelen aan zijn ‘minderjarige kinderenbeleid’, hetgeen dus niet is gebeurd.

5.3.5.

Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het heeft tot gevolg dat het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van de mvv-aanvragen voor eisers I is gehandhaafd niet in stand kan blijven.

Mvv-aanvragen voor eisers II

6. Hoewel eisers niet uitdrukkelijk zelfstandige beroepsgronden hebben aangevoerd tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van de mvv-aanvragen voor eisers II is gehandhaafd, hangt dit onderdeel van het bestreden besluit, gelet op verweerders motivering hiervan, zozeer samen met het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van de mvv-aanvragen voor eisers I is gehandhaafd, dat dit onderdeel van het bestreden besluit niet zelfstandig overeind kan blijven. Dit betekent dat dit onderdeel van het bestreden besluit evenmin in stand kan blijven.

Conclusie

7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Definitieve geschilbeslechting

8. De rechtbank beoordeelt hierna of er aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

Mvv-aanvragen voor eisers I

9.1.1.

Over het tweede geschilpunt, waarover verweerder in het bestreden besluit en ter zitting een standpunt heeft ingenomen, overweegt de rechtbank het volgende.

9.1.2.

Uit artikel 29, tweede lid, van de Vw volgt dat de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gezinslid om wiens overkomst wordt gevraagd op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland moet bestaan. Uit paragraaf C2/4.1. van de Vc volgt dat de referent in Nederland moet aantonen dat het gezinslid om wiens overkomst wordt gevraagd op het moment van referents binnenkomst in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoort en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. Uit deze paragraaf volgt verder dat voor de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gezinslid om wiens overkomst wordt gevraagd het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend is, maar dat verweerder ook beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

9.1.3.

Gelet op dit beleid van verweerder, dat zijn wettelijke grondslag vindt in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw, in samenhang bezien met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw – welke artikelen een (gedeeltelijke) implementatie vormen van artikelen 9, tweede lid, en 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn – volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat hij bij de beoordeling van de ‘gezinsbandvoorwaarde’ feiten en omstandigheden mag betrekken die zich na de binnenkomst van de referent in Nederland hebben voorgedaan. Het beleid bevat op dit punt geen temporele beperking, zodat ook feiten en omstandigheden die zich na de indiening van de asielaanvraag door de referent hebben voorgedaan door verweerder mogen worden betrokken bij de beoordeling van de ‘gezinsbandvoorwaarde’. Deze feiten en omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een feitelijke gezinsband die op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland bestond, op het moment van beslissen op de nareisaanvraag als verbroken moet worden beschouwd. Is dat het geval, dan kan verweerder de nareisaanvraag afwijzen.

9.1.4.

Het beroep van eisers op de arresten A. en S. en B.M.M. van het Hof (en de daarop gebaseerde uitspraken van deze rechtbank als onder 4. vermeld) leidt niet tot een ander oordeel. In het arrest A. en S. heeft het Hof – vgl. overweging 5.3.2. – een peildatum vastgesteld voor de beoordeling van de ‘minderjarigheidsvoorwaarde’ als vermeld in artikel 10, derde lid, onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw). In het arrest B.M.M. heeft het Hof een peildatum vastgesteld voor de beoordeling van de ‘minderjarigheidsvoorwaarde’ als vermeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw). Reden voor het Hof om voor deze ‘minderjarigheidsvoorwaarden’ peildata te bepalen is om te voorkomen dat de slagingskans van een verzoek om gezinshereniging – in aanmerking genomen het feit dat de evolutie van leeftijd zeker en voorzienbaar is – uitsluitend afhankelijk kan worden van factoren die buiten de invloedsfeer van de betrokkenen liggen, zoals de lange behandelduur van een aanvraag door nationale overheidsinstanties. In deze arresten heeft het Hof geen peilmoment voor de beoordeling van de ‘gezinsbandvoorwaarde’ vastgesteld. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding deze arresten naar analogie toe te passen op de ‘gezinsbandvoorwaarde’. Immers, de evolutie van een feitelijke gezinsband is, anders dan de evolutie van leeftijd, onzeker en onvoorzienbaar en grotendeels afhankelijk van factoren die binnen de invloedsfeer van de betrokkenen liggen. Het niet hanteren van de datum van indienen van de asielaanvraag als peildatum voor de beoordeling van de ‘gezinsbandvoorwaarde’ leidt er dan ook niet toe dat de slagingskans van een verzoek om gezinshereniging uitsluitend afhankelijk kan worden van factoren die verband houden met nationale overheidsinstanties, zoals de lange behandelduur van een aanvraag.

9.1.5.

Gelet op het vorenstaande mocht verweerder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de binnenkomst van referent in Nederland en na indiening van de asielaanvraag door referent, betrekken bij de beoordeling van de ‘gezinsbandvoorwaarde'.

9.2.1.

Over het derde geschilpunt overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uit overweging 5.3.4. volgt, dient de ‘gezinsbandvoorwaarde’ in deze zaak te worden beoordeeld aan de hand van verweerders ‘minderjarige kinderenbeleid’. Op grond van dit beleid wordt aangenomen dat het minderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van zijn ouders behoort indien hij zelfstandig woont en in het eigen levensonderhoud voorziet. Aangezien deze factoren ook een rol spelen in het ‘meerderjarige kinderenbeleid’ heeft verweerder over deze factoren in het bestreden besluit en de gevolgen daarvan een standpunt ingenomen.

9.2.2.

Tijdens het hoorgesprek op 4 januari 2020 heeft referent desgevraagd verklaard dat hij zelfstandig woont. Verder heeft hij verklaard dat hij vijf dagen per week werkt bij Post.nl, dat hij daarvóór andere banen heeft gehad en dat hij ook studiefinanciering ontvangt. Voorts heeft hij te kennen gegeven dat hij met zijn salaris en zijn studiefinanciering voorziet in zijn eigen levensonderhoud en dat hij niet financieel wordt ondersteund door eisers I, maar juist eisers I (en II) financieel ondersteunt.

9.2.3.

Op grond hiervan volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat referent zelfstandig woont en in zijn eigen levensonderhoud voorziet en, mitsdien, zodanig zelfstandig is geworden dat hij niet meer feitelijk tot het gezin van zijn ouders behoort. Verweerder stelt met andere woorden dan ook terecht dat de feitelijke gezinsband tussen eisers I en referent (op enig moment) na binnenkomst van referent in Nederland is verbroken. Dit geldt te meer nu referent in Nederland een kind heeft gekregen, met wie hij contact heeft, wat maakt dat referent een gezinsband heeft met zijn kind. Er wordt dus niet (meer) aan de ‘gezinsbandvoorwaarde’ voldaan.

9.3.

Gelet hierop is verweerder bevoegd de aanvragen af te wijzen. Van feiten en omstandigheden die maken dat verweerder in redelijkheid geen gebruik kan maken van deze afwijzingsbevoegdheid is de rechtbank niet gebleken. Dat de procedure al lang duurt, is niet een dergelijke omstandigheid, te meer nu dit niet enkel door toedoen van verweerder komt. Dit betekent dat afwijzing van de mvv-aanvragen voor eisers I rechtmatig is.

Mvv-aanvragen voor eisers II

10. Gelet op overweging 9.3. stelt verweerder terecht dat een afwijzing van de mvv-aanvragen voor eisers II geen scheiding tussen eisers I en eisers II tot gevolg heeft en dus geen schending inhoudt van het recht op respect voor het tussen hen bestaande gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verder geldt dat tussen eisers II en referent – ook als wordt uitgegaan van minderjarigheid van zowel referent als eisers II – door de feiten en omstandigheden als vermeld onder 9.2.2. en 9.2.3. geen beschermenswaardig gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM meer bestaat. Gelet hierop is ook een afwijzing van de mvv-aanvragen voor eisers II rechtmatig.

Conclusie

11. Gezien het vorenstaande bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

Griffierecht

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 178,- moet vergoeden.

Proceskosten

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 december 2020.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn)

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is ‘Hoofdstuk V Gezinshereniging van vluchtelingen’ van toepassing op gezinsherenging van door de lidstaten erkende vluchtelingen.

Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn kunnen lidstaten de toepassing van dit hoofdstuk beperken tot vluchtelingen wier gezinsband al vóór binnenkomst bestond.

Op grond van artikel 10, derde lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn staan de lidstaten, indien de vluchteling een alleenstaande minderjarige is, de toegang en het verblijf uit hoofde van gezinshereniging toe aan zijn bloedverwanten in rechtstreekse opgaande lijn zonder de in artikel 4, lid 2, onder a), genoemde voorwaarden toe te passen.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn kunnen lidstaten het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinsherenging afwijzen of, in voorkomend geval, de verblijfstitel van een gezinslid intrekken of weigeren te verlengen, wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven (meer) onderhoudt met het gezinslid of de gezinsleden.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 29, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), voor zover hier van belang, kan aan de ouders van een alleenstaande minderjarige in de zin van artikel 2, onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn aan wie een asielvergunning is verleend, een asielvergunning worden verleend, indien zij op het tijdstip van binnenkomst van die alleenstaande minderjarige tot diens gezin behoorden en binnen drie maanden na verlening van de asielvergunning aan de alleenstaande minderjarige een aanvraag tot het verlenen van een mvv ten behoeve van hen is ingediend.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken dan wel kan de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien het een vergunning betreft die is verleend aan een gezinslid als bedoeld in artikel 29, tweede lid, en dat gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling, bedoeld in het artikel 29, eerste lid.

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

Paragraaf C2/4.1. van de Vc, zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Feitelijke gezinsband

[…]

De referent in Nederland moet aantonen dat zijn […] ouders […] op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. […]

Biologische minderjarige kinderen

[…]

Als sprake is van gezinsleven, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin. […]

Het uitgangspunt is dat voor biologische minderjarige kinderen geboren tijdens het huwelijk of een met het huwelijk gelijkgestelde relatie, geldt dat de biologische band tussen de ouder(s) en het kind als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt. Voor de beoordeling of het biologische minderjarige kind dat om overkomst vraagt feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend. De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

Indien het kind zelfstandig woont en zelfstandig voorziet in het eigen levensonderhoud, kan in ieder geval worden aangenomen dat het kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort.

Ook andere omstandigheden (contra-indicaties) kunnen leiden tot de conclusie dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Indien het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van de bovengenoemde of een andere contra-indicatie. Indien het minderjarige kind een huwelijk of relatie is aangegaan en er geen sprake is van bovengenoemde of een andere contra-indicatie, acht de IND de gezinsband met de ouder(s) niet als verbroken. […]

Meerderjarige kinderen

[…]

Voor meerderjarige kinderen geldt eveneens dat het kind in het buitenland feitelijk tot het gezin van referent moet hebben behoord en die feitelijke gezinsband niet verbroken is. […]

In het geval dat het meerderjarige kind jongvolwassen is, neemt de IND gezinsleven aan zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Voor de beoordeling of het meerderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

  • -

    het kind woont zelfstandig;

  • -

    het kind voorziet in eigen onderhoud;

  • -

    het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan;

  • -

    het kind is belast met de zorg voor een (buitenechtelijk) kind.

Deze contra-indicaties zullen per individueel geval beoordeeld worden. Bovengenoemde opsomming van contra-indicaties is niet-limitatief. Conclusie van de beoordeling kan zijn dat op het moment van vertrek van de referent het meerderjarig kind niet feitelijk behoorde tot het gezin. Indien deze contra-indicaties zich na het vertrek hebben voorgedaan kan de conclusie zijn dat de feitelijke gezinsband verbroken is.

Referent is een amv

Als referent kan ingevolge artikel 29, tweede lid onder c van de Vw, de vreemdeling optreden die een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG. De term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie moet als volgt worden uitgelegd. Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, merkt de IND deze vreemdeling tot 3 maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige, ook al heeft de vreemdeling op dat moment de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek om nareis ten behoeve van de ouder(s) van deze vreemdeling moet binnen deze 3 maanden zijn ingediend.

Voor het vaststellen van de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen de amv en zijn ouder(s) wordt verwezen naar paragraaf C1/4.4.6 Vc. Voor het vaststellen van de feitelijke gezinsband wordt verwezen naar paragraaf C2/4.1 onder ‘biologische minderjarige kinderen’ dan wel ‘meerderjarige kinderen’.