Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14189

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
NL20.8250
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep asiel. Toegedichte politieke overtuiging, sporter, geloofwaardigheid, contra-expertise, bewijsnood, ambtsbericht, beperkingen tijdens horen, onjuiste gegevens verstrekt vóór asielaanvraag. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (in beschikking: [eiser] ), eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 26 november 2018 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 3 november 2017 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.8251, plaatsgevonden op 19 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.P.M. Olsthoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1993] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij als lid van het nationale voetbalteam van [Land] voetbaltoernooien organiseerde. Hij werd hierbij gesponsord door de latere burgemeester van [plaats] . Voorwaarde van deze financiële steun was dat de burgemeester tijdens de voetbaltoernooien een podium voor propaganda zou krijgen. Dit stuitte op weerstand in de staf van het nationale voetbalteam. Eiser is door leden van deze staf te kennen gegeven dat hij moest stoppen met zijn steun aan de burgemeester en campagne moest voeren tégen de president, wat eiser heeft geweigerd. Hierna heeft eiser problemen ervaren in het voetbalteam. Op 28 augustus 2016 vond een geweldsincident plaats tussen eiser en één van de betrokken stafleden, waarop eiser door de politie is meegenomen, enkele uren is vastgehouden en weer is vrijgelaten. Nog diezelfde dag is eiser met het nationale voetbalteam naar Frankrijk afgereisd voor een voetbaltoernooi. Eiser is tijdens dit voetbaltoernooi niet opgesteld. Op 15 september 2013 heeft eiser Frankrijk verlaten en is naar Nederland gereisd. Eiser stelt te vrezen voor de huidige regering wegens zijn eerdere activiteiten en hij vreest voor andere mensen die hem zien als landverrader.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    Toegedichte politieke overtuiging;

  • -

    Problemen naar aanleiding van toegedichte politieke overtuiging;

  • -

    Vervolging vanwege landverraad dan wel desertie.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de eerste twee elementen geloofwaardig zijn. Verweerder acht de andere twee elementen niet geloofwaardig. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar de verklaringen van eiser dat hem door de staf van het nationale voetbalteam is meegedeeld dat sport en politiek niet te combineren zijn, maar dat hem vervolgens wel wordt gevraagd om campagne tegen de president te voeren. Dat is volgens verweerder niet met elkaar te rijmen. Verweerder vindt ook niet geloofwaardig dat de gestelde problemen in het nationale voetbalteam te maken hebben met de toegedichte politieke overtuiging van eiser. Over de gestelde detentie heeft eiser volgens verweerder vaag en bevreemding wekkend verklaard. Verweerder verwijst daarbij naar de verklaring van eiser dat het incident op het trainingsveld, de detentie en het vertrek naar Frankrijk op dezelfde dag hebben plaatsgevonden.

Het door eiser overgelegde document, inhoudende een officiële waarschuwing, is door Bureau Documenten vals bevonden. De door eiser overgelegde krantenberichten wijzen er volgens verweerder niet op dat hij wordt gezocht vanwege een (toegedichte) politieke overtuiging. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

5. Eiser voert in beroep aan dat hij in bewijsnood verkeert omdat er geen contra- expert is op het gebied van documenten uit [Land] . Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het betreffende document vals is bevonden vanwege technische onregelmatigheden in de vorm van aangetroffen nabootsingen in de stempelafdruk die op het document is aangebracht. Daarvoor is specifieke deskundigheid op het gebied van documenten uit [Land] niet vereist, aldus verweerder.

6. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard, voor het vaststellen van de aangetroffen onregelmatigheden op het document geen specifieke kennis nodig is over documenten uit [Land] . Eiser is voor het laten uitvoeren van een contra-expertise dus niet aangewezen op experts die over die kennis

beschikken en waarvan eiser stelt dat die niet beschikbaar zijn. Van bewijsnood is daarom geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder nadien ingebrachte documenten niet heeft betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser. Hij verwijst hierbij naar werkinstructie 2014/10 en stelt dat verweerder de Minister van Buitenlandse Zaken om een individueel ambtsbericht had moeten verzoeken.

8. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser doelt op een krantenartikel en de oproep om bij de politie te verschijnen. In het bestreden besluit is op pagina 3 en 6 naar deze documenten verwezen, zodat de rechtbank van oordeel is dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat verweerder deze documenten niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. In het overgelegde krantenartikel wordt wel de verdwijning van de keeper van het nationale elftal genoemd en de gevolgen die deserteurs te wachten staan, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat niet duidelijk is waarop deze informatie is gebaseerd.

9. Voor zover eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 juni 20181 stelt dat verweerder op grond van werkinstructie 2014/10 de Minister van Buitenlandse Zaken om een individueel ambtsbericht had moeten vragen, is de rechtbank van oordeel dat in die zaak, zoals blijkt uit rechtsoverweging 4.4, door de vreemdeling gedetailleerde en consistente verklaringen zijn afgelegd, terwijl dit in deze zaak juist in geschil is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser heeft voorts aangevoerd dat tijdens het nader gehoor diverse nuanceringen en details niet goed zijn overgekomen. Uit het FMMU-advies van 26 september 2016 is naar voren gekomen dat er medische klachten zijn geconstateerd die een beperking kunnen vormen voor het horen en beslissen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet hoe die beperking is meegenomen.

11. In het FMMU-advies van 26 september 2016 is onder meer het volgende vermeld: “Er zijn medische klachten gecontasteerd en deze kunnen beperkingen vormen voor het horen en of beslissen. Rekening houden met een beperkte concentratie spanne. Betrokkene graag duidelijke, korte en gerichte vragen stellen en deze zonodig herhalen en zonodig toelichten. Betrokkene de tijd geven om de gevraagde gegevens terug te laten halen. Betrokkene graag een extra pauze geven indien hij emotioneel raakt tijdens het interview en daarna interview vervolgen”.

12. De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van nader gehoor van 1 februari 2017 blijkt dat er vier langere pauzes zijn ingelast. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat geen rekening is gehouden met de bevindingen, zoals die zijn neergelegd in het FMMU-advies. Halverwege en aan het eind van het gehoor is aan eiser gevraagd of hij de tolk goed kon begrijpen en verstaan en eiser heeft daarop twee maal bevestigend geantwoord. Voor zover eiser van mening is dat tijdens het nader gehoor diverse nuanceringen en details niet goed zijn overgekomen, heeft hij bij de correcties en aanvullingen gelegenheid gehad om deze zo nodig aan te vullen of te verduidelijken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

1. Zaaknr. NL17.14774

13. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij wel degelijk problemen zal ondervinden vanwege zijn toegedichte politieke overtuiging. In de staf rond het nationale voetbalteam is nog steeds dezelfde voorzitter actief, die hem vanwege de weigering om propaganda te voeren een feitelijk beroepsverbod kan opleggen. Zo is eiser als straf niet opgesteld bij de wedstrijden in Frankrijk.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser op goede gronden ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Eiser heeft verklaard dat hij naar aanleiding van een incident op het trainingsveld enkele uren in detentie heeft gezeten en dezelfde dag nog is vrijgelaten en met het nationale team is meegereisd naar Frankrijk. Verweerder heeft deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank bevreemdend en summier mogen vinden, zeker nu, indien toen al het voornemen bestond om hem in Frankrijk niet op te stellen, er geen enkele andere reden is genoemd om eiser nog dezelfde dag vrij te laten. Voorts heeft verweerder de verklaringen van eiser dat hem enerzijds door de staf is te verstaan gegeven dat sport en politiek niet samengaan, en anderzijds dat hij door diezelfde stafleden is gevraagd om campagne te voren voor een bepaalde politicus, bevreemdend mogen vinden. Ook mocht verweerder opvallend vinden dat eiser slechts één krantenartikel heeft overgelegd over zijn gestelde verdwijning uit de selectie van het nationale team, terwijl een dergelijke gebeurtenis toch wel voor meer ophef en dus publicaties zou moeten hebben leiden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

15. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat de aanvraag van eiser niet kennelijk ongegrond mocht worden verklaard omdat eiser zich eerder onder een andere identiteit heeft aangemeld. Dit speelde immers vóór het indienen van de asielaanvraag.

16. De rechtbank is van oordeel dat een aanmelding onder een andere naam vóór het indienen van een aanvraag om internationale bescherming wel een grond kan zijn voor het kennelijk ongegrond verklaren van die aanvraag. Een vreemdeling die relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing op zijn asielaanvraag hadden kunnen hebben, achter houdt of onjuiste gegevens verstrekt, misleidt verweerder in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Door zich bij een eerdere gelegenheid, voorafgaand aan de asielaanvraag te bedienen van een andere naam, heeft eiser verweerder misleid in de zin van voormelde bepalingen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom terecht kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 20162.

17. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

18. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2 ECLI:NL:RVS:2016:955

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

09 september 2020

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.