Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14178

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7135
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht - procesbelang - schijnrelatie - inreisverbod - hoorplicht - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7135

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht vanaf 25 april 2018 ingetrokken. Daarbij is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.

Bij besluit van 17 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 28 september 2020 aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft op 29 september 2020 een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser is geboren op [geboortedag] 1974 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser is met ingang van 25 april 2018 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’ (referente), geldig tot 25 april 2023.
1.2 Omdat naar aanleiding van een onderzoek door de Vreemdelingenpolitie is gebleken dat eiser niet met referente samenwoont, heeft verweerder bij brief van 29 januari 2019 een voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning uitgebracht. Eiser heeft hiertegen een zienswijze gericht.

2.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van 25 april 2018. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een duurzame exclusieve relatie, maar een schijnrelatie met als enkel doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, welke gegevens tot afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning zouden hebben geleid. Aan eiser is daarom tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. De intrekking van het verblijfsrecht en het inreisverbod leveren geen schending op van artikel 8 van het Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), omdat geen sprake is van beschermwaardig familie- of gezinsleven.

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.

3.
Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Volgens hem is geen sprake van een schijnrelatie en heeft verweerder het bestaan daarvan niet deugdelijk onderbouwd. Verweerder is eraan voorbijgegaan dat referente als gevolg van een ongeluk medische en psychische klachten heeft (trauma en vergeetachtigheid) waardoor de relatie tussen eiser en referente niet soepel verliep en eiser daardoor, alsook vanwege de hulpbehoevendheid van zijn ouders, tijdelijk bij zijn ouders verbleef. Hierdoor heeft eiser ook al zijn spullen meegenomen. Verweerder heeft enkel op basis van de verklaringen van de buurman en het ontbreken van eisers spullen op het adres van referente geconcludeerd dat sprake is van een schijnrelatie. Dit is onvoldoende, aldus eiser. Bovendien moet vanwege de klachten van referente begrijpelijk worden geacht dat zij bij het huisbezoek niet alles wist te vertellen en dat zij niets te verbergen had omdat ze anders de vreemdelingenpolitie geen toestemming zou hebben gegeven om binnen te treden. Verweerder had meer informatie kunnen verkrijgen door hem te horen, maar heeft hier ten onrechte van afgezien. Nu van een schijnrelatie geen sprake is, is er ook geen rechtsgrond voor het opgelegde inreisverbod.

Als aanvullende stukken heeft eiser foto’s en een aantal WhatsApp-berichten overgelegd waaruit volgens eiser blijkt dat hij en referente samenwoonden en ook een relatie hadden.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Procesbelang

6.1

Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep, dient zij eerst te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling hiervan, omdat door eiser ter zitting is verklaard dat zijn relatie met referente – op enig moment na het bestreden besluit – is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van procesbelang, nu eiser in een materieel gunstigere rechtspositie zou geraken wanneer in deze beroepsprocedure geoordeeld zou worden dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een schijnrelatie. Hieruit zou immers volgen dat verweerder de verblijfsvergunning van eiser niet met terugwerkende kracht had mogen intrekken en verweerder tevens niet gerechtigd was een inreisverbod uit te vaardigen. Wanneer eiser tot een nader te bepalen datum rechtmatig verblijf zou hebben gehad, zou eiser bovendien in de gelegenheid zijn om op een andere grond verblijf in Nederland te verzoeken. Eiser komt gelet hierop een concreet en actueel belang toe bij de beoordeling in beroep. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.

Ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning

6.2

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat tussen eiser en referente geen sprake is geweest van een duurzame en exclusieve relatie en dat eiser dientengevolge onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen daarvan zouden hebben geleid en eiser daarnaast niet heeft voldaan aan de beperking waaronder aan hem een verblijfvergunning is verleend (een en ander zoals bedoeld in artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang bezien met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000).

Volgens paragraaf B7/3.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wijst verweerder een aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen.

6.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom volgens hem sprake is van een schijnrelatie.

6.4.1

De rechtbank stelt vast dat op 14 januari 2019 een huisbezoek heeft plaatsgevonden op het adres van referente. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van het huisbezoek van 14 januari 2019 blijkt dat, op een kleine handbagagekoffer met kleding na, geen persoonlijke spullen van eiser in de woning aanwezig waren. Desgevraagd heeft referente de badkamer tijdens het huisbezoek niet getoond, omdat daar volgens haar geen spullen van eiser zouden liggen. Anders dan eiser betoogt ziet de rechtbank geen reden waarom verbalisanten, in afwijking van wat door referente is verklaard, toch op die plek hadden moeten controleren. Door de verbalisanten is verder verklaard: ‘Nergens in de woning troffen wij kledingstukken, goederen etc. aan die specifiek door mannen gebruikt worden’. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze bevinding, of de andere bevindingen in het proces-verbaal, te twijfelen. De enkele stelling van eiser dat in de koffer alleen zomerkleding zat, omdat de winterkleding in de kledingkast werd bewaard, is onvoldoende om twijfel aan te nemen. Evenmin ziet de rechtbank in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

6.4.2

Verweerder heeft verder in zijn overweging kunnen betrekken dat door referente is verklaard dat eiser maar twee à drie dagen in de week bij haar verblijft en hij de rest van de week bij zijn ouders is, voor wie hij zorgt. Desgevraagd kon referente verbalisanten niet het adres van de ouders van eiser geven en wist zij zich ook de geboortedatum van eiser niet te herinneren. Verweerder heeft verder kunnen meewegen dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van nader onderzoek van 28 maart 2019 is op te maken dat door de directe buurman van referente is verklaard dat eiser, die hij verder niet kent, slechts sinds een paar dagen in de woning van zijn buurvrouw aanwezig is. Referente zou zich op dat moment met haar ex-man in Suriname bevinden. Deze ex-man zou volgens de buurman regelmatig op bezoek komen. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit aan eiser kunnen tegenwerpen dat uit het overgelegde verslag van een psychiatrisch consult van referente bij de HSK-groep van 12 september 2018 blijkt dat referente de naam van eiser in het geheel niet heeft genoemd, ook niet als het gaat om mensen met wij zij een sociale relatie onderhoudt.

6.4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser en referente niet met elkaar samenwoonden en dat gelet hierop sprake is van een schijnrelatie. Het ligt dan op de weg van eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Hierin is eiser niet geslaagd. Eiser heeft in de bestuurlijke fase geen bewijsstukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat referente en hij een duurzame en exclusieve relatie hadden, in die zin dat zij met elkaar samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de gestelde omstandigheid dat eiser als gevolg van de medische problemen van referente tijdelijk bij zijn ouders woonde en hij daarom zijn spullen heeft meegenomen – wat daarvan ook zij – geen verschoonbare verklaring vormt voor het feit dat – op een kleine handbagagekoffer met kleding na – er geen enkele aanwijzing is dat eiser samenwoont met referente. Voor zover eiser onder verwijzing naar de medische en psychische problemen van referente betoogt dat niet kon worden afgegaan op haar verklaringen ten tijde van het huisbezoek, is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de overgelegde stukken blijkt. Alhoewel uit het door eiser overgelegde rapport van de HSK-groep kan worden opgemaakt dat referente in september 2018 ernstige psychische klachten ondervond, als gevolg waarvan zij niet goed sliep en vergeetachtig en suïcidaal was, blijkt daaruit niet dat referente ten tijde van het huisbezoek niet in staat was om een verklaring af te leggen over de situatie met eiser en waar bijvoorbeeld zijn persoonlijke spullen zouden moeten liggen.

Over de in beroep overgelegde stukken overweegt de rechtbank tot slot dat deze stukken gelet op de ex tunc-toetsing niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling in beroep. Verweerder heeft deze stukken namelijk niet kunnen betrekken bij het nemen van het bestreden besluit. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde foto’s waarop eiser en referente samen te zien zijn en uit de (aard van de) WhatsApp-gesprekken die zij hebben gevoerd ook niet onomstotelijk blijkt dat tussen hen ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een duurzame en exclusieve relatie. Met verweerder acht de rechtbank in dat kader opmerkelijk dat eiser blijkens de WhatsApp-berichten van
10 februari 2019 dacht dat eiseres rijexamen ging doen terwijl het volgens referente ging om een eerste rijles.

6.5

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de relatie tussen eiser en referente is gesloten met als enig oogmerk om eiser verblijfsrecht in Nederland te verschaffen. Om die reden heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht mogen intrekken op grond van artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000.

Ten aanzien van het inreisverbod

6.6

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, slaagt eisers betoog, dat het uitgevaardigde inreisverbod een rechtsgrond ontbeert, niet.

Nu verweerder de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht heeft ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de voor een vreemdeling geldende vertrektermijn van vier weken kunnen verkorten en kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dit betekent dat verweerder ook een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 tegen eiser heeft kunnen uitvaardigen voor de maximale duur van twee jaren.

Ten aanzien van de hoorplicht

6.7

Het beroep op schending van de hoorplicht in bezwaar slaagt evenmin. Met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift en de stukken die daarbij zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat het bezwaar geen kans van slagen had en daardoor van het horen in bezwaar mocht afzien. Dit betekent dat het bezwaar van eiser terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kennelijk ongegrond is verklaard.

7.
Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

|BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 18

1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

(…)

c. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;

(…).

Artikel 19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.

Artikel 62

1. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

(…)

b. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens;

(…).

Artikel 66a

1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid,

(…).

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 6.5a

1. De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren.

(…).

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf A4/2.3

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a Vb is genoemd.

Paragraaf B7/3.1.1

De IND neemt aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Als de IND onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, dan kan de IND de aanvraag afwijzen.

De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen.