Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14173

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
20/1930
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklag tegen beslag ex art. 552a Sv. Conservatoir beslag op een auto ten behoeve van slachtofferverhaal. Het beslag is in strijd met de eisen van proportionaliteit. Op de auto rust een pandrecht ten behoeve van een financieringsmaatschappij. De vordering die de geldlener nog heeft op de verdachte is veel hoger dan de waarde van de auto. Het doel van slachtofferverhaal wordt dus met het beslag niet bereikt. De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de auto aan klager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/198055-19

Raadkamernummer: 20/1930

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager]

[geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] ,

voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat,

mr. B. Kizilocak, op het adres Mathenesserlaan 214, 3021 HM Rotterdam,

(hierna: klager).

Inleiding

Het beklag strekt tot teruggave van een Opel Zafira met [kenteken]. De auto is op 2 juli 2020 onder klager in beslag genomen en behoort hem in eigendom toe.

Tegen klager is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan – kort gezegd – poging tot zware mishandeling. Op 22 augustus 2019 is een machtiging tot conservatoir beslag afgegeven door de rechter-commissaris van deze rechtbank, tot een bedrag van € 1.507,-, ten behoeve van verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

Het klaagschrift is op 17 juli 2020, aldus tijdig, ingediend. De rechtbank is bevoegd van dit klaagschrift kennis te nemen.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit beklag op 27 oktober 2020 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

Klager, bijgestaan door mr. B. Kizilocak, is gehoord.

Tevens is de officier van justitie mr. P.G. Berkepeis gehoord.

Het standpunt van klager

Klager heeft verzocht om teruggave van de auto, omdat het beslag in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Het beslag is namelijk niet voor verhaal vatbaar en levert enkel financiële schade op voor klager.

De dagwaarde van de auto is getaxeerd op € 1.667,-, terwijl klager de auto bij [naam] gefinancierd heeft voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 4.690,-. Er staat daarvan nog ruim € 3.000,- open. [naam] heeft een pandrecht op de auto tot aan het moment dat de lening is afbetaald. Het vervreemden van de auto zal aldus niets opleveren voor het Openbaar Ministerie. Het conservatoir beslag is dus ten onrechte als zekerheid tot uitbetaling van de vordering benadeelde partij aangemerkt.

Klager stelt dat de onderhavige zaak vergelijkbaar is met de civiele procedure in de zaak ECLI:NL:RBDHA:2013:16517, waarbij de civiele rechter van deze rechtbank oordeelde dat het beslag onnodig was, omdat de executieopbrengst uitsluitend voldoende was om de vordering aan de – in dat geval – hypotheekhouder te voldoen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard. De bedoeling van het beslag is dat het slachtoffer schadeloos gesteld kan worden. Klager heeft inmiddels een gedeelte van de vordering van [naam] afgelost. Het verschil kan dan gebruikt worden ten behoeve van het slachtoffer. Dat er een pandrecht rust op de auto betekent niet dat er niets meer te verhalen is. Het strafvorderlijk belang is nog steeds aanwezig.

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van een beklag op grond van artikel 94a Sv, waarbij beslag is gelegd ten behoeve van een te vorderen schadevergoedingsmaatregel, dient de rechtbank allereerst te bepalen of er sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van tenminste de vierde categorie kan worden opgelegd. Wanneer het beslag is gelegd ten behoeve van een te vorderen geldboete, geldt dat er sprake moet zijn van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie moet worden opgelegd.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Dit laatste betreft een beperkte toets, nu de beklagrechter – gelet op het summiere en voorlopige karakter van de raadkamerprocedure – bij zijn oordeel niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de strafzaak.

Rechtmatigheid van het beslag

De rechtbank leidt uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden af. De aangever heeft verklaard op zijn hoofd te zijn geslagen met een glazen fles. De politie heeft ter plaatse glasscherven en een afgebroken flessenhals waargenomen. De politie heeft letsel geconstateerd bij de aangever en glasscherven waargenomen in de pet van de aangever. Getuigen ter plaatse hebben klager aangewezen als de persoon die met de fles heeft geslagen. Klager heeft bij de politie verklaard dat er duw- en trekwerk is geweest tussen hem en de aangever, maar hij ontkent met een fles te hebben geslagen.

Gelet op het vorenstaande bestaat er een redelijk vermoeden van schuld jegens klager van een poging tot zware mishandeling (art. 302 juncto art. 45 Wetboek van Strafrecht). Voor dat misdrijf kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

De schade van de aangever is door Slachtofferhulp Nederland vooralsnog geschat op een bedrag van € 1.507,-, bestaande uit € 385,- materiële schade en € 1.122,- immateriële schade. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag waarvoor de machtiging conservatoir beslag is afgegeven.

Gelet op de aard van het ten laste gelegde feit, de verdenking jegens klager, en het feit dat letsel is geconstateerd bij de aangever dat vermoedelijk in rechtstreeks verband staat met het ten laste gelegde feit, acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een maatregel van schadevergoeding zal opleggen.

Het conservatoir beslag is dus rechtmatig gelegd.

Proportionaliteit van het beslag

De maatstaf of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, vergt niet een onderzoek naar de proportionaliteit tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de hoogte van het eventueel te ontnemen bedrag. Omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BB9890).

De rechtbank begrijpt het standpunt van klager zo dat de voortduring van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit, omdat met het conservatoir beslag niet het beoogde doel wordt gediend. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Klager heeft met [naam] een overeenkomst gesloten voor de lening van € 4.690,- ten behoeve van de koop van de Opel Zafira. Tussen klager en [naam] is overeengekomen dat klager gedurende 60 maanden een bedrag van € 97,59 per maand zal aflossen. [naam] heeft een pandrecht op de auto totdat de genoemde lening volledig is afbetaald. Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat er op 31 maart 2020 nog een bedrag van € 3.708,55 openstond ter financiering van de auto. Inmiddels zal dat bedrag naar de rechtbank aanneemt rond de € 3000 liggen.

De dagwaarde van de auto is getaxeerd op € 1.667,-. Als de auto voor dat bedrag wordt verkocht door de Staat, zal de hele opbrengst ten goede komen aan de pandhouder. Het doel waarvoor het beslag is gelegd, namelijk (met name) slachtofferverhaal, zal in zijn geheel niet met de verkoop worden gediend en voorts zal klager dan met een restschuld achterblijven.

Nu het conservatoir beslag op de auto in zijn geheel niet kan bijdragen aan het doel waarvoor dat is gelegd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van het conservatoir beslag op de auto disproportioneel is. De rechtbank zal dus het beklag gegrond verklaren en de teruggave van de auto gelasten aan klager.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van de Opel Zafira met [kenteken] aan klager.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. J. Eisses, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. R.C. van Grinsven en S.R. van der Klugt, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting 10 november 2020.