Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
20.16247
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin België. Art. 29 Dublinverordening. Art. 23 Dublinverordening. Art. 17 Dublinverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16247

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks), en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. Verbaas).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.16248, plaatsgevonden op 5 november 2020 in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Avakian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Russische nationaliteit te bezitten. Op 13 oktober 2018 heeft hij in Nederland zijn eerste asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is door verweerder met het besluit van 25 januari 2019 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daar volgens verweerder verantwoordelijk voor was.

2. Op 19 juni 2020 heeft eiser in Nederland wederom een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw1. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening2 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij

1. Vreemdelingenwet 2000

2 Verordening (EU) nr. 604/2013

België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard. De verantwoordelijkheid van België staat daarmee volgens verweerder vast.

3. Eiser voert in het kader van de onderhavige Dublinprocedure aan dat hij niet binnen 18 maanden na het claimakkoord op 28 november 2018 is overgedragen aan Duitsland. Nederland is daarom op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Nu de verantwoordelijkheid van Nederland reeds vaststond toen eiser zich in België bevond, kan eisers verblijf in België niet afdoen aan de vaststelling van Nederland als verantwoordelijke lidstaat.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening dient een lidstaat de verzoeker voor wiens asielverzoek een andere lidstaat verantwoordelijk is, binnen een termijn van 6 maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek tot terug- of overname, aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien de overdracht niet binnen deze termijn plaatsvindt, de verzoekende lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Eveneens op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze overdrachtstermijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de vreemdeling onderduikt.

5. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Dublinverordening kan een lidstaat waar een persoon als bedoeld in artikel 18, eerste lid en onder b, c of d, een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en van oordeel is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig artikel 20, vijfde lid, en artikel 18, eerste lid en onder b, c of d, die andere lidstaat verzoeken de betrokken persoon terug te nemen. Op grond van het derde lid van artikel 23 van de Dublinverordening berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend, indien het verzoek tot terugname niet binnen de in het tweede lid van dit artikel vermelde termijnen wordt ingediend.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 13 oktober 2018 in Nederland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. De Nederlandse autoriteiten hebben op 20 november 2018 aan Duitsland verzocht eiser terug te nemen. Hiermee zijn de Duitse autoriteiten op 28 november 2018 akkoord gegaan. Op 12 april 2019 hebben de Nederlandse autoriteiten de Duitse autoriteiten ingelicht omtrent eisers verdwijning, waarmee de overdrachtstermijn is opgeschort op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 april 2019 in België een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Hier mag verweerder in beginsel van uitgaan. De overdrachtstermijn aan de Duitse autoriteiten was toen nog lopende.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat België in het geheel geen verzoek tot over- of terugname heeft ingediend bij de Nederlandse of Duitse autoriteiten. Nu de Belgische autoriteiten geen terugnameverzoek hebben ingediend binnen de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening vermelde termijnen, heeft verweerder terecht geoordeeld dat de verantwoordelijkheid van eisers asielverzoek bij de Belgische autoriteiten berust. België heeft hier op 28 juli 2020 ook expliciet mee ingestemd.

8. Eiser heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de opvangvoorzieningen in België zodanig zijn dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en verweerder hierin aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag onverplicht op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Met de enkele stelling dat eiser gedurende zijn laatste – niet nader gespecificeerde – verblijf in België in 2020 geen opvang heeft genoten, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in België sprake is van ernstige, aan het systeem gerelateerde tekortkomingen op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De twee door eiser overgelegde berichten3 van Vluchtelingenwerk Vlaanderen doen hier niet aan af. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat het bij voorkomende problemen op de weg van eiser ligt om zich te beklagen bij de daartoe aangewezen Belgische autoriteiten. Niet is gebleken dat de Belgische autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Verder blijkt uit de berichten dat de maatregelen waar eiser op doelt inmiddels zijn ingetrokken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid geen gebruik hoeven maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier.

3 ‘Onder druk van verschillende organisaties stopt de Belgische staat met uitsluiting opvang van

bepaalde asielzoekers’, Vluchtelingewerk Vlaardingen 15 september 2020 en ‘Rechtbank veroordeelt Belgische staat asielzoekers direct op te vangen’, Vluchtelingenwerk Vlaardingen 6 oktober 2020

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

16 november 2020

Documentcode: DSR13248172

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.