Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
NL19.25620
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht en aan eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd omdat eiser is veroordeeld voor mensensmokkel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van de Kwalificatierichtlijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest Ahmed en de voormelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:226) niet volgt dat als door de vreemdeling bij het misdrijf geen geweld of een wapen is gebruikt geen sprake kan zijn van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van de Kwalificatierichtlijn. Het gebruik van geweld of een wapen wordt door de Afdeling enkel genoemd als één van de criteria waarnaar door verweerder onderzoek moet worden gedaan. Ook de in artikel 4, tweede lid van de Richtlijn ter voorkoming van mensenhandel genoemde aspecten, hoefde verweerder niet, althans niet expliciet mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf in de hierboven bedoelde zin. Deze richtlijn heeft immers geen betrekking op het vreemdelingenrecht, maar heeft als doel minimumregels vast te stellen over de omschrijving van strafbare feiten en straffen op het gebied van mensenhandel. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat het persoonlijke gedrag van eiser nog een actuele bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het misdrijf heeft drie jaar geleden plaatsgevonden en uit het reclasseringsadvies, zijnde een deskundigenadvies, is over eiser opgenomen dat het recidiverisico laag is, dat eiser een first offender is, dat hij nu weet dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd en dat het fout was. Verweerders standpunt dat het gerechtshof ondanks het reclasseringsadvies een voorwaardelijke straf heeft opgelegd, is voor de beoordeling of eiser nog een werkelijk en voldoende bedreiging vormt die ook voldoende actueel is onvoldoende om aan de inhoud van het reclasseringsrapport geen betekenis te hechten. Daar komt bij dat eiser er terecht op heeft gewezen dat hij sinds zijn vrijlating in december 2018 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, hij werk heeft gezocht en bezig was met een opleiding. Hieruit kan een positieve gedragsverandering worden afgeleid. Ook dit is door verweerder onvoldoende meegewogen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoend gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.25620


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M.L. van Riel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Vink).


Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2019, uitgereikt op 13 oktober 2019 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 10 december 2016, bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 november 2019, uitgereikt op 4 december 2019 (het bestreden besluit), heeft verweerder het besluit van 27 september 2019 ingetrokken. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 24 april 2018, de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 10 december 2016, bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en aan eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Het tegen het besluit van 27 september 2019 ingediende beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemeen wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 12 mei 2020 en 5 november 2020 verweerschriften ingediend. Voorts heeft verweerder bij brief van 29 oktober 2020 de rechtsgevolgen van het bestreden besluit aangepast, in die zin dat eiser niet wordt uitgezet naar zijn land van herkomst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

Eiser is bij besluit van 2 mei 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 24 april 2013, geldig tot 24 april 2018.

Bij besluit van 1 juni 2018 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, met ingang van 24 april 2018.

Eiser woont in Nederland samen met zijn echtgenote, [naam 2] , geboren op [geboortedatum] en zijn zoons [naam 3] , geboren op [geboortedatum] , [naam 4] , geboren op [geboortedatum] , [naam 5] , geboren op [geboortedatum] en zijn dochter [naam 6] , geboren op [geboortedatum] . Deze familieleden hebben in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van 13 mei 2019 omtrent eiser blijkt dat eiser bij arrest van Gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) van 22 maart 2019 is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 9 maanden voorwaardelijk, wegens overtreding van artikel 197a Wetboek van Strafrecht (WvSr), gepleegd in de periode van 10 december 2016 tot en met 26 februari 2018. Dit betreft: mensensmokkel, terwijl het feit wordt begaan door meerdere personen die daarvan een beroep of gewoonte maken. Deze veroordeling is op 20 april 2019 onherroepelijk geworden.

2. Voor de motivering van het bestreden besluit verwijst verweerder naar de motivering in het voornemen van 23 juli 2019. Die motivering is toegespitst op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De rechtbank begrijpt dat dezelfde motivering ook heeft te gelden voor het intrekken van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Bij de toepassing van beide bepalingen toetst verweerder aan de glijdende schaal als bedoeld in artikel 3.86, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op de volgende standpunten gesteld. De verleende verblijfsvergunningen asiel worden ingetrokken omdat eiser een strafbaar feit heeft gepleegd en dus een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser had vanaf 24 april 2013 rechtmatig verblijf, zodat op de eerste pleegdatum van het door hem gepleegde strafbare feit, te weten 10 december 2016, sprake is van een verblijfsduur van tenminste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar. Aangezien eiser is veroordeeld voor een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd, is artikel 3.86, derde lid, Vb van toepassing zodat het ten uitvoer gelegde gedeelte van de straf ten minste gelijk moet zijn aan 4 maanden en 2 weken. Eiser is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden, zodat aan deze norm wordt voldaan. Voorts is sprake van een misdrijf tegen het openbaar gezag, te weten mensensmokkel. Eiser heeft namelijk gedurende een periode van ruim een jaar samen met zijn echtgenote in totaal vier keer doelbewust kinderen vanuit Athene naar Nederland gesmokkeld. Hij heeft hierbij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van de kinderen en hun ouders waarbij eiser vooral oog had voor zijn financieel gewin. Daarom is sprake van een ernstig misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de samenleving oplevert. Ook vormt eiser op basis van zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser dient gelet op de aard van het gepleegde delict ook te worden beschouwd als een ernstige bedreiging voor de openbare orde als bedoeld in artikel 66a, vierde lid, Vw gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, onder b, Vb. Er bestaat aanleiding een zwaar inreisverbod op te leggen, omdat sprake is van één van de situaties als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, b en c, Vw. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod of het inreisverbod voor een kortere duur dan tien jaar op te leggen. Weliswaar is door de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en het inreisverbod sprake van inmenging in het gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en kinderen en het door eiser in Nederland opgebouwde privéleven. maar deze inmenging is gerechtvaardigd in het belang van de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Voorts weegt het belang van de Nederlandse Staat om criminele vreemdelingen te weren van haar grondgebied zwaarder dan het belang van eiser om in Nederland te kunnen verblijven.

4. De rechtbank stelt het volgende voorop. Niet in geschil is dat eiser is veroordeeld voor een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd het bepaalde in artikel 3.86, derde lid, Vb van toepassing is en dat in dit geval is voldaan aan de voor intrekking van de verleende verblijfsvergunningen asiel geldende nationaal rechtelijke vereisten van de glijdende schaal.
Wel in geschil is of het door eiser gepleegde misdrijf kwalificeert als een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van Kwalificatierichtlijn. Op grond van die bepaling kan een onderdaan van een derde land uitgesloten worden van subsidiaire bescherming.

Is sprake van een ernstig misdrijf?
5. Eiser voert aan dat geen sprake is van een ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn.

5.1.1

Het eerste argument dat hij ter staving van die beroepsgrond naar voren brengt, is dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser door het hof is veroordeeld voor overtreding van artikel 197a, vierde lid, WvSr. Uit het uittreksel van de Justitiële documentatie blijkt dat eiser is veroordeeld voor het strafbare feit vermeld onder artikel 197a, eerste lid, WvSr. Artikel 197a, vierde lid WvSr is van toepassing geacht omdat hij meerdere keren het eerste lid heeft overtreden. De maximumstraf die op het meerdere malen overtreden van artikel 197a, eerste lid, WvSr staat is blijkens artikel 197a, vierde lid, WvSr acht jaren.

5.1.2

De rechtbank stelt vast dat in het uittreksel van de Justitiële documentatie over eiser van 13 november 2020 is opgenomen dat eiser door het hof is veroordeeld voor artikel 197a, vierde lid, WvSr, waarbij als kwalificatie van het strafbaar feit is opgenomen: “mensensmokkel, terwijl het feit wordt begaan door meerdere personen die daarvan een beroep of gewoonte maken.” De beroepsgrond is feitelijk onjuist en faalt reeds daarom.

5.2.1

Het volgende argument is dat verweerder bij de vaststelling of sprake is van een ernstig misdrijf ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiser geen geweld heeft gebruikt, geen wapen heeft gebruikt en geen schade aan de kinderen heeft toegebracht. Dit had wel gemoeten gelet op de toelichting die het Hof van Justitie van de Europese unie (het Hof van Justitie) heeft gegeven in het arrest Ahmed van 13 september 20181 bij het begrip ‘ernstig misdrijf’. Eiser verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 20202 waarin meerdere criteria worden genoemd om te beoordelen of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een ernstig misdrijf. Ter zitting heeft eiser in dit verband ook verwezen naar de vier aspecten als genoemd artikel 4, lid 2 richtlijn 2011/36/EU (Richtlijn ter voorkoming van mensenhandel) die een rol spelen voor de vaststelling van de mate van ernst van het misdrijf, die tot uiting dient te komen in de maximaal op te leggen gevangenisstraf. Deze aspecten zijn of er bij het misdrijf een bijzonder kwetsbaar slachtoffer betrokken is; of het feit binnen een criminele organisatie is gepleegd; of het leven van het slachtoffer in gevaar is gebracht en of het feit gepaard is gegaan met ernstige geweldpleging. Daarvan is hier geen sprake.
Bovendien heeft verweerder, zo betoogt eiser, ten onrechte geen rekening gehouden met het wettelijk stafmaximum, dat 8 jaar bedraagt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden, is slechts 11% daarvan en dus een zeer lage straf. Dat volgens het beleid van verweerder wel sprake is van een ernstig misdrijf, is onvoldoende omdat de beoordeling of wegens de ernst van het gepleegde misdrijf tot uitsluiting van subsidiaire bescherming kan worden overgegaan, gebaseerd moet zijn op een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval.
Ten slotte heeft verweerder bij de vaststelling dat sprake is van een ernstig misdrijf ten onrechte betrokken dat eiser, volgens het hof, de kinderen heeft gesmokkeld uit winstbejag. Dit mocht verweerder niet meewegen nu het smokkelen uit winstbejag, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 197a, tweede lid, WvSr niet aan eiser ten laste is gelegd en eiser daarvoor evenmin veroordeeld is. Ook volgt uit het vonnis van 9 oktober 2018 van deze rechtbank in de ontnemingsprocedure juist dat eiser geen winstbejag had. De rechtbank concludeert dat de vermoedens die uit het dossier volgen dat de veroordeelde financieel wijzer is geworden van het door hem gepleegde strafbaar feit, onvoldoende zijn om de ontnemingsvordering toe te wijzen. Er is geen hoger beroep tegen dit vonnis ingediend.

5.2.2

De rechtbank overweegt als volgt.

5.2.2.1 De Afdeling heeft in de door eiser aangehaalde uitspraak van 23 januari 2020 overwogen dat uit het arrest Ahmed volgt dat de beoordeling of wegens de ernst van het gepleegde misdrijf tot uitsluiting van subsidiaire bescherming kan worden overgegaan, moet zijn gebaseerd op een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van meerdere criteria, waaronder de aard van het gepleegde feit, de veroorzaakte schade, de vraag of gebruik is gemaakt van geweld of een wapen, de mate van geweld, de gevolgde strafprocedure, de aard en duur van de opgelegde straf, het wettelijk strafmaximum en de vraag of de meeste rechterlijke instanties in andere lidstaten het gepleegde feit ook aanmerken als een ernstig misdrijf.

5.2.2.2 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest Ahmed en de voormelde uitspraak van de Afdeling niet volgt dat als door de vreemdeling bij het misdrijf geen geweld of een wapen is gebruikt geen sprake kan zijn van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van de Kwalificatierichtlijn. Het gebruik van geweld of een wapen wordt door de Afdeling enkel genoemd als één van de criteria waarnaar door verweerder onderzoek moet worden gedaan. Ook de in artikel 4, tweede lid van de Richtlijn ter voorkoming van mensenhandel genoemde aspecten, hoefde verweerder niet, althans niet expliciet mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf in de hierboven bedoelde zin. Deze richtlijn heeft immers geen betrekking op het vreemdelingenrecht, maar heeft als doel minimumregels vast te stellen over de omschrijving van strafbare feiten en straffen op het gebied van mensenhandel.

5.2.2.3 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van de Kwalificatierichtlijn en C2/7.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Bij dat oordeel stelt de rechtbank voorop dat eisers standpunt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte toetst aan het beleid in C2/7.10 Vc niet kan worden gevolgd. Immers, bij de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf staat toetsing aan dit beleid niet in de weg aan het verrichten van een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval. Het een sluit het ander dus niet uit.
Het voormelde oordeel van deze rechtbank is verder gestoeld op het volgende. Verweerder heeft bij het onderzoek naar de vraag of de door eiser gepleegde mensensmokkel kwalificeert als een ernstig misdrijf allereerst terecht meegewogen dat eiser is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf vanwege een misdrijf tegen het openbaar gezag, te weten mensensmokkel. Eiser voldoet hiermee aan de in het beleid vervatte norm van tenminste 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en aan de voorwaarde dat de veroordeling betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert. Voorts heeft verweerder, onder verwijzing naar de bewezenverklaring in het arrest van het hof van 22 maart 2019, terecht betrokken dat sprake is van een strafverzwarende omstandigheid, te weten mensensmokkel die is begaan door meerdere personen die daarvan een beroep of gewoonte maken. Ook heeft verweerder daarbij terecht de overwegingen van het hof bij de vaststelling van de strafmaat betrokken, uit welke overwegingen verweerder terecht de conclusie heeft getrokken dat daaruit blijkt dat eiser door zijn handelen heeft bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit en het overheidsbeleid inzake bestrijding van mensensmokkel heeft tegengewerkt door in totaal vier keer doelbewust kinderen vanuit Athene naar Schiphol te smokkelen. Uit de motivering van de strafmaat blijkt verder dat het hof eiser zwaar heeft aangerekend dat hij met zijn handelen gebruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin de ouders van en de gesmokkelde kinderen zelf zich bevonden en dat eiser volgens het hof hiermee een ernstig feit heeft begaan. In de motivering van de strafmaat heeft het hof verder betrokken dat eiser in het bijzonder oog heeft gehad voor zijn eigen financieel gewin. Dat het element van handelen vanuit financieel gewin in de strafzaak niet ten laste is gelegd, maakt niet dat verweerder deze (strafmaat)overweging van het hof niet bij de beoordeling of vreemdelingenrechtelijk gezien sprake is van een ernstig misdrijf kon betrekken. De omstandigheid dat deze rechtbank in het vonnis in de ontnemingszaak tegen eiser van 9 oktober 2018 heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat eiser de financiële beloning daadwerkelijk heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst omdat in een ontnemingsprocedure een andere bewijsmaatstaf ten aanzien van de ontvangen winst geldt, dan in de strafprocedure. In het ontnemingsvonnis staat voorts dat uit de bewijsmiddelen volgt dat eiser via Whatsapp-gesprekken met anderen heeft gesproken over financiële beloningen en reeds daaruit volgt dat eiser oog had voor zijn eigen financieel gewin. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Gelet op wat eiser in beroep heeft aangevoerd, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke gedrag een werkelijk, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

Is sprake van een actuele bedreiging?

7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij een actueel gevaar vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving en daarom zijn verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken en aan hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft kunnen uitvaardigen. Eiser heeft de kinderen vanuit Griekeland naar Nederland gebracht om hen met hun ouders te herenigen, terwijl deze ouders verre verwanten van eiser zijn. Eiser handelde niet uit winstbejag, zoals verweerder stelt. In het reclasseringsrapport van 20 maart 2019 is opgenomen dat sprake is van een laag recidiverisico, onder meer omdat eiser een first offender is. Voorts heeft eiser sinds hij in december 2018 vrij is gekomen, niet gerecidiveerd. Dat eiser volgens verweerder geen spijt heeft betuigd, is in deze context niet van belang omdat eiser dacht dat hij hulp bood. Asielaanvragen worden altijd ingediend nadat iemand illegaal in Nederland is gekomen met behulp van een derde en de asielzoeker en die derden worden daarvoor niet gestraft, zo dacht eiser toen. Hij heeft de kinderen geholpen uit zijn overtuiging goed te doen. Omdat hij nu heeft begrepen dat dit in Nederland wel strafbaar is, zal hij nooit meer kinderen helpen om op illegale wijze naar Nederland te komen. In het reclasseringsrapport staat ook dat eiser heeft verklaard dat hij nu inziet dat het fout is wat hij heeft gedaan. Daarmee heeft hij wel inzicht in zijn handelen getoond. Ook blijkt uit het rapport dat eiser en zijn gezin ernstig hebben geleden onder het feit dat hij naar de gevangenis moest en daar ook heeft gezeten. Eiser wil zijn gezin dat niet nogmaals aandoen, zodat er geen enkel risico op recidive is. Het gebruik van een vals reisdocument maakte deel uit van de mensensmokkel zodat er ook geen gevaar voor recidive van gebruik van een vals reisdocument is. Ook heeft eiser direct na zijn vrijlating een positieve gedragsverandering laten zien omdat hij al na een week is gaan werken bij een bedrijf als uienschiller. Helaas ontving eiser geen reiskostenvergoeding, waardoor hij in april 2019, omdat hij zijn autokosten niet meer kon betalen, deze baan moest opzeggen. Ter onderbouwing heeft eiser een aantal loonstroken overgelegd. Eind februari 2020 heeft eiser zich bij het bedrijf [naam 7] ingeschreven voor een stage van zes maanden. Als hij de stage goed afrondt, mag hij daarna op hun kosten zijn ‘taxipapieren’ halen. Helaas is door de corona de stage opgeschort tot nader bericht. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van [naam 7] overgelegd. Eiser zit momenteel thuis en deelt met zijn echtgenote de huishoudelijke taken en de zorgtaken voor de kinderen.

7.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit het gedrag van eiser volgt dat sprake is van een actuele dreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het delict heeft plaatsgevonden in de periode van 10 december 2016 tot en met 26 februari 2018 hetgeen recent is. Eiser heeft op dit moment niet aannemelijk gemaakt dat hij verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Het hof heeft in het strafvonnis overwogen dat eiser geen inzicht blijkt te hebben in de verwerpelijkheid van zijn handelen, zodat een voorwaardelijk strafdeel zinvol is. Dit wijst er niet op dat eiser de ernst van zijn gedragingen voldoende inziet en oog heeft voor de gevolgen voor de slachtoffers.
In het verweerschrift van 12 mei 2020 wordt nog meegewogen dat het feit dat het misdrijf recent door eiser is gepleegd, de actualiteit van de dreiging aantoont. Daarnaast gaat een ernstige, voortdurende dreiging uit van het feit dat eiser geen spijt heeft betuigd en geen inzicht toont in de verwerpelijkheid van zijn daden. In het reclasseringsrapport van 20 maart 2019 wordt het risico op recidive weliswaar als laag inschat, maar uit het rapport komt wel naar voren dat eiser inconsistent heeft verklaard tegen de politie en de reclassering, dat hij benadrukt dat hij niets verkeerd heeft gedaan, hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en dat zijn financiële situatie een risicofactor is, maar hij hulp voor zijn schuldenproblematiek weigert. Volgens de reclassering heeft eiser onvoldoende probleembesef, ziet hij zichzelf niet als crimineel en vindt hij dat hij niet gestraft hoeft te worden. Ondanks het door de reclassering als laag ingeschatte risico op recidive, zag het hof wel aanleiding om ook een voorwaardelijke straf op te leggen. In reactie op eisers stelling dat in het ontnemingsvonnis blijkt dat hij niet heeft gehandeld uit financieel gewin, wijst verweerder erop dat het de rechtbank in de ontnemingsprocedure onvoldoende duidelijk was geworden dat en voor welk bedrag eiser wederrechtelijk voordeel heeft genoten. In het reclasseringsadvies geeft eiser echter toe dat zijn tickets en de verblijfskosten door de ouders van de gesmokkelde kinderen werden vergoed. Het hof oordeelde bovendien dat eiser forse financiële vergoedingen vroeg en in belangrijke mate uit winstbejag handelde.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de hiervoor weergeven motivering onvoldoende heeft gemotiveerd dat het persoonlijke gedrag van eiser nog een actuele bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat eiser het misdrijf in verband waarmee hij door verweerder als een werkelijk en voldoende ernstige bedreiging wordt gezien in de periode 2016 tot februari 2018 heeft begaan. Dat is al bijna drie jaar geleden. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het reclasseringsadvies van maart 2019 dat in de strafzaak van eiser is uitgebracht geen concreet aanknopingspunt is voor het standpunt van eiser dat hij geen actuele bedreiging voor een fundamenteel belang voor de samenleving meer vormt. In dat advies, zijnde een deskundigenadvies, is immers over eiser opgenomen dat het recidiverisico laag is, dat eiser een first offender is, dat hij nu weet dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd en dat het fout was. Verweerders standpunt dat het hof ondanks het reclasseringsadvies een voorwaardelijke straf heeft opgelegd, is voor de beoordeling of eiser nog een werkelijk en voldoende bedreiging vormt die ook voldoende actueel is onvoldoende om aan de inhoud van het reclasseringsrapport geen betekenis te hechten Daar komt bij dat eiser er terecht op heeft gewezen dat hij sinds zijn vrijlating in december 2018 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, hij werk heeft gezocht en bezig was met een opleiding. Hieruit kan een positieve gedragsverandering worden afgeleid. Ook dit is door verweerder onvoldoende meegewogen. Verder is van belang dat eiser, in tegenstelling tot tijdens zijn strafzaken, inmiddels wel inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang ten tijde van het plegen van de strafbare feiten en hij ook heeft aangegeven waarom hij die feiten nu niet meer zal plegen. Eiser weet nu dat het strafbaar is en dat hij zijn gezin dit niet nogmaals wil aandoen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

7.3

Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser op basis van zijn persoonlijke gedrag een werkelijk, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Om die reden heeft verweerder ook niet deugdelijk gemotiveerd dat eisers verblijfsvergunningen asiel terecht zijn ingetrokken en dat aan eiser terecht een inreisverbod van 10 jaar is uitgevaardigd.

8. De overige gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking meer.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Evenmin ziet de rechtbank, omdat sprake is van een ambtshalve genomen belastend besluit, aanleiding verweerder op te dragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Als verweerder echter eisers verblijfsvergunningen asiel nog steeds wil intrekken en het zware inreisverbod wil handhaven, zal hij in het nieuw te nemen besluit in acht moeten nemen wat in deze uitspraak is overwogen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaard, veroordeelt zij verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, en mr. S. Mac Donald en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Kenmerk: C-369/17, ECLI:EU:C:2018:713.

2 ECLI:NL:RVS:2020:226.