Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14132

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
AWB 19/4455
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerd heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier ingetrokken met terugwerkende kracht en een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in verband met het plegen drie misdrijven. De rechtbank is van oordeel dat eisers stelling dat intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet mogelijk is, niet slaagt. Voor dat oordeel is allereerst redengevend dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uit het stelsel van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de staatssecretaris om een verblijfsvergunning in te trekken omdat niet meer wordt voldaan aan het doel waarvoor de vergunning is verleend, tevens heeft beoogd een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer aan dat doel werd voldaan. Hoewel in artikel 27, eerste lid, sub a in samenhang met lid twee, sub b, Vw, is geregeld dat de intrekking van een verblijfsvergunning van rechtswege het gevolg heeft dat de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft, ziet de rechtbank niet in dat de vaststelling dat de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft in de weg staat aan de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot het moment dat niet langer aan de voorwaarden voor het verlenen van die vergunning werd voldaan. Dat het moeilijk is om een onbetwistbaar moment vast te stellen waarop eiser had moeten begrijpen dat zijn verblijfsrecht niet meer rechtmatig zou worden geacht, volgt de rechtbank evenmin. Een voorwaarde voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning regulier is ook dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Op het moment dat eiser het Opiumdelict pleegde, kon eiser weten dat hij niet langer aan deze voorwaarde voor het behouden van zijn vergunning voldeed, zodat intrekking met terugwerkende kracht tot die datum in de rede ligt. Voorts is het besluit niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4455

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

V-nummer: [#] ,

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. S. de Schutter, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier ingetrokken per 14 december 2016 en een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar.

Bij besluit van 14 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 7 juni 2018 (AWB 18/4197) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam de door eiser verzochte voorlopige voorziening afgewezen. Eiser is vervolgens op 8 juni 2018 uitgezet naar Armenië.

Bij tussenuitspraak van 19 oktober 2018 (AWB 18/1880) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, verweerder in de gelegenheid gesteld om het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het besluit van 14 maart 2018 te herstellen.

Verweerder heeft op 12 december 2018 een aanvullend besluit genomen.

Bij uitspraak van 27 maart 2019 (AWB 18/1880) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 maart 2018 vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser wederom ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 20 november 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2019. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft vervolgens op 29 november 2019 het onderzoek heropend en de verdere behandeling van het beroep doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verweerder heeft op 13 januari 2020 en op 6 november 2020 verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 november 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts waren familieleden van eiser aanwezig, te weten [naam 1] , [naam 2] [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling het volgende.
1.1 Eiser heeft op 5 maart 1995 samen met zijn ouders en zussen in Nederland asiel aangevraagd. In 2004 is deze aanvraag afgewezen. Eiser en zijn gezinsleden hebben daarna opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvragen zijn wederom door verweerder afgewezen. In 2007 zijn eiser en zijn gezinsleden in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, de zogeheten generaal pardon regeling.
1.2 Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 12 oktober 2017 blijkt dat eiser:
- op 7 april 2017 is veroordeeld door de meervoudige strafkamer tot 18 maanden gevangenisstraf wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet;
- op 8 november 2012 is veroordeeld door de meervoudige strafkamer tot 52 dagen gevangenisstraf wegens het plegen van opzetheling;
- op 3 augustus 2007 is veroordeeld door de kinderrechter tot 30 uren werkstraf subsidiair 15 dagen jeugddetentie wegens het plegen van mishandeling.

1.3

Eiser had in Nederland een relatie met mevrouw [naam 5] . Ter zitting is gebleken dat die relatie inmiddels is beëindigd.

2. Eiser heeft verzocht om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiser heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Omdat de rechtbank op grond van de stukken aannemelijk acht dat eiser geen inkomsten of vermogen heeft, is aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is het verschuldigde griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt en eiser wordt vrijgesteld van de verplichting griffierecht te betalen.

3. Verweerder heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat hij voor drie misdrijven is veroordeeld en de totale duur van de aan hem daarvoor opgelegde straffen uitgaat boven de norm die is neergelegd in artikel 3.86, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Aan het opleggen van het zware inreisverbod heeft verweerder eveneens ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde (in de zin artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw)) en dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De intrekking van de verblijfsvergunning en de uitvaardiging van het inreisverbod leveren volgens verweerder geen schending op van artikel 8 EVRM1.

4. Eiser heeft tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de uitvaardiging van het zware inreisverbod al in de vorige beroepsprocedure meerdere gronden aangevoerd die door deze rechtbank in de eerder vermelde tussenuitspraak van 19 oktober 2018 en einduitspraak van 27 maart 2019 uitdrukkelijk zijn beoordeeld. Nu tegen de einduitspraak geen hoger beroep is ingesteld staat in deze procedure al vast dat verweerder bevoegd is om de verblijfsvergunning in te trekken, omdat de totale duur van de aan eiser opgelegde straffen uitgaat boven de norm die is neergelegd in artikel 3.86, vijfde lid, Vb. Voorts staat vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat vormt. Ten slotte staat vast dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat tussen hem en zijn ouders en zussen, sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding, zodat hun familie- en gezinsleven niet binnen de beschermingssfeer van artikel 8 EVRM valt. Ook over het destijds bestaande familie- en gezinsleven met eisers toenmalige vriendin [naam 5] heeft de rechtbank uitdrukkelijk geoordeeld dat dit niet valt binnen de beschermingssfeer van artikel 8 EVRM.

4.1

De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 6 december 2018 op de Nederlandse ambassade in Georgië op het bezwaar gehoord. Daarmee is het in de tussenuitspraak van 19 oktober 2018 vastgestelde gebrek hersteld.

5. Tegen het bestreden besluit voert eiser allereerst aan dat voor een intrekking van de verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht geen wettelijke grondslag bestaat. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) past een intrekking met terugwerkende kracht in het systeem van de Vreemdelingenwet, maar dit standpunt is onverenigbaar met de wet. Eiser verwijst in dit verband naar een artikel van prof. mr. P. Boeles2 In dit artikel schrijft Boeles dat in de artikelen 27, eerste lid, sub a in samenhang met het tweede lid, sub b en in artikel 45, eerste lid, sub a, in samenhang met het tweede lid, sub b, van de Vw, staat dat de meeromvattende beschikking tot intrekking van rechtswege tot gevolg heeft dat de vreemdeling ‘niet langer’ rechtmatig in Nederland verblijft en dat de wet geen beslissingsruimte geeft aan de minister om de ingangsdatum te modificeren.
Ook is het in gevallen van openbare orde uiterst moeilijk om een onbetwistbaar moment in de tijd vast te stellen waarop eiser had moeten begrijpen dat precies op dat moment zijn verblijfsrecht niet meer rechtmatig zou worden geacht en dus zou worden ingetrokken. Daarom ligt bij openbare orde gevallen intrekking ex nunc meer voor de hand.
Voor zover intrekking met terugwerkende kracht wel een grondslag heeft in het vreemdelingenrecht, is volgens eiser in ieder geval een aanvullende belangenafweging en motivering vereist. Daarnaast had in ieder geval een evenredigheidstoets moeten plaatsvinden. Gelet op de persoonlijke belangen van eiser was er geen reden om de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken.

5.1

Verweerder heeft er op gewezen dat volgens vaste jurisprudentie3 van de Afdeling intrekking met terugwerkende kracht mogelijk is. Dat een aanvullende belangenafweging nodig zou zijn, wordt niet gevolgd. Daarbij komt dat eiser niet nader heeft gespecificeerd wat wordt verstaan onder een dergelijke aanvullende belangenafweging. Eiser stelt ten onrechte dat er geen evenredigheidstoets heeft plaatsgevonden, omdat de beoordeling van het unierechtelijk openbare orde criterium een invulling is van het evenredigheidsbeginsel.

5.2

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
Eisers stelling dat intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet mogelijk is, slaagt niet. Voor dat oordeel is allereerst redengevend dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling4 uit het stelsel van de Vw volgt dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de staatssecretaris om een verblijfsvergunning in te trekken omdat niet meer wordt voldaan aan het doel waarvoor de vergunning is verleend, tevens heeft beoogd een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer aan dat doel werd voldaan.
Hoewel in artikel 27, eerste lid, sub a in samenhang met lid twee, sub b, Vw, is geregeld dat de intrekking van een verblijfsvergunning van rechtswege het gevolg heeft dat de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft, ziet de rechtbank niet in dat de vaststelling dat de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft in de weg staat aan de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot het moment dat niet langer aan de voorwaarden voor het verlenen van die vergunning werd voldaan. Dat het moeilijk is om een onbetwistbaar moment vast te stellen waarop eiser had moeten begrijpen dat zijn verblijfsrecht niet meer rechtmatig zou worden geacht, volgt de rechtbank evenmin. Een voorwaarde voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning regulier is ook dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Op het moment dat eiser het Opiumdelict pleegde, kon eiser weten dat hij niet langer aan deze voorwaarde voor het behouden van zijn vergunning voldeed, zodat intrekking met terugwerkende kracht tot die datum in de rede ligt. De beroepsgronden die zien op de intrekking met terugwerkende kracht, slagen dus niet.

5.3

Ook de beroepsgrond dat intrekking met terugwerkende kracht noopt tot een aanvullende belangenafweging, slaagt niet. In dit verband heeft verweerder ter zitting niet ten onrechte gesteld dat de voor het bestaan van de bevoegdheid tot intrekken benodigde belangenafweging, waarin de ernst van de gepleegde strafbare feiten worden afgewogen tegen de duur van het rechtmatig verblijf, reeds in de glijdende schaal van artikel 3.86 Vb vervat is. De benodigde verdergaande belangenafweging is vervat in de door verweerder gemaakte beoordeling of de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het zware inreisverbod in strijd zijn met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven alsmede het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Voor wat betreft het zware inreisverbod is daarnaast getoetst aan het unierechtelijk openbare orde criterium dat strenger is dan het nationale toets.

6. Eiser voert ook aan dat verweerder in het kader van het gezinsleven met zijn (toenmalige) partner [naam 5] ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet samenwonen. Eiser verwijst naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Angelov5 waaruit blijkt dat samenwoning niet in alle gevallen is vereist voor beschermingswaardig gezinsleven. Eiser heeft sinds 7 jaar een relatie met zijn partner en zij wensen in Nederland een gezin te stichten. Voorts heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser met zijn zus Anahit geen relatie heeft die de ‘more than normal emotional ties’ bevat.

6.1

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 27 maart 2019 waarin reeds is geoordeeld dat het familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn vriendin [naam 5] en tussen eiser en zijn ouders en zussen, niet onder de bescherming van artikel 8 EVRM valt. De beroepsgrond faalt.

7. Eiser voert (samengevat) aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet in strijd met artikel 8 EVRM is. Bij de beoordeling of sprake is van schending van eisers privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM heeft verweerder een onjuiste toets aangelegd. Verweerder heeft ten onrechte verwezen naar Werkinstructie 2018/11, omdat het in deze zaak niet gaat om de verlening van een verblijfsvergunning op basis van artikel 8 EVRM maar om een intrekking. Verder is verweerders uitgangspunt dat sprake moet zijn van zeer uitzonderlijke of bijzondere omstandigheden om van intrekking af te zien, onjuist. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het EHRM in de zaak Butt6. De toets die het EHRM voorschrijft is dat een ‘fair balance’ wordt getroffen tussen de belangen van verweerder en het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland. Dat belang ziet op het volgende. Eiser verblijft sinds zijn 6e jaar in Nederland en van Armenië heeft hij geen enkele herinnering. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 15 november 2019.7 Op dit moment verblijft eiser noodgedwongen in Armenië, omdat hij is uitgezet. Hem wordt in Armenië tijdelijk onderdak verleend door kennissen van zijn ouders. Dit betekent niet dat eiser daar een privéleven kan opbouwen. Ten onrechte heeft verweerder niet in de belangenafweging betrokken dat eiser lijdt aan PTSS en dat behandeling van PTSS in Armenië niet mogelijk is. Ook ten onrechte is overwogen dat eiser zijn banden met de sportschool en met zijn vriendin op afstand beoefenen. Voorts is verweerder uitgegaan van een onjuist strafbaar feit omdat eiser nooit is veroordeeld voor inbraak. Ten onrechte werpt verweerder tegen dat eiser geen enkel inzicht zou hebben getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Eiser heeft immers juist aangegeven dat hij erg veel spijt heeft van zijn strafbare handelen. Eiser verwijst naar het rapport van [naam 6] Advies. Verweerder heeft niet, met bijvoorbeeld een rapport van de reclassering, onderbouwd dat sprake is van een recidive risico. Eiser verwijst naar rechtsoverweging 70 van het arrest Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 20088 waaruit blijkt dat de Boultif-criteria uiteindelijk zijn bedoeld om een risico te beoordelen. Daarnaast verwijst eiser naar overweging 3 van de dissenting opinion en de noot van E. Hilbrink bij het arrest Ndidi van 14 september 2017.9 Ten onrechte stelt verweerder ten aanzien van het positieve gedrag van eiser tijdens detentie dat dit onvoldoende is om te garanderen dat eiser bij terugkeer in de samenleving geen misdrijven meer zal plegen. Dit is een onjuist criterium. Eiser verwijst naar het arrest A.A. tegen het Verenigd Konikrijk van 20 september 201110 en het arrest Vomero.11 Het is mogelijk om in de gevangenis integratiebanden te herstellen. Omdat eiser in een plusprogramma is geplaatst en zich overal positief heeft gedragen, is dat hier het geval. Ten slotte heeft eiser gesteld dat de algemene veiligheidssituatie in Armenië snel achteruit gaat doordat de gevechten tussen Armenië en Azerbeidzjan weer oplaaien. Het Internationale Rode Kruis (ICRC) meldt dat het bombardementen in verschillende bewoonde gebieden heeft waargenomen en dat het conflict in Nagorno-Karabach onbeheersbaar begint te worden en het staakt het vuren niet wordt nageleefd. Hierdoor kan eiser geen privéleven in Armenië opbouwen.

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

8.1

Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 EVRM een inmenging in het privéleven rechtvaardigt, moeten volgens de rechtspraak van het EHRM de ‘guiding principles’ uitdrukkelijk bij de afweging worden betrokken.12 Bij de afweging van het belang van de staat tegen het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland moet niet alleen ingegaan worden op de afzonderlijke beoordelingspunten, maar moeten deze ook in onderlinge samenhang worden bezien. Er moet sprake zijn van een juist evenwicht (fair balance) tussen de af te wegen belangen. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2017.13

8.2

De rechtbank dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf betekent dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn.

8.3

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle van belang zijnde feiten en omstandigheden kenbaar en op deugdelijke wijze in zijn belangenafweging betrokken. Daarbij heeft verweerder kenbaar getoetst aan de ‘guiding principles’ die het EHRM heeft geformuleerd in haar onder 8.1 aangehaalde rechtspraak. Dat verweerder een onjuist uitgangspunt of toetsingskader zou hebben gehanteerd met verwijzing naar de WI 2018/11, volgt de rechtbank daarom niet. Daarbij merkt zij op dat zij de verwijzing in het bestreden besluit naar zeer uitzonderlijke of bijzondere omstandigheden, mede op grond van de toelichting van verweerder ter zitting, niet begrijpt als een normatief vereiste maar als een empirische observatie van verweerder.
Verweerder heeft allereerst in het voordeel van eiser in het bestreden besluit betrokken dat hij op zesjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en hij uiteindelijk in 2007, toen hij achttien jaar was, rechtmatig verblijf heeft verkregen doordat aan hem een reguliere verblijfsvergunning is verleend. Eiser is in Nederland naar school gegaan en heeft hier een beroepsopleiding gevolgd. Eiser wordt daarom geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Voorts wonen eisers ouders en zussen in Nederland. Echter, tussen hen en eiser is niet sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Voorts kan eiser het contact met zijn familie op een andere wijze voortzetten, bijvoorbeeld via telefoon en internet. Ook heeft verweerder meegewogen dat eiser in Nederland een vriendin heeft. Ter zitting is echter gebleken dat die relatie, mede door eisers uitzetting, niet is voortgezet zodat dit niet in eisers voordeel meeweegt. Voorts was eiser actief bij de sportschool [naam 7] . Hij sportte vijf dagen per week, heeft vrienden op de sportschool en verrichte voor de vereniging hand- en spandiensten. Ook heeft eiser een aantal certificaten Teakwondo behaald. Echter, deze betrokkenheid bij de sportschool in Nederland is niet een zodanige bijzondere omstandigheid dat hieraan in de belangenafweging zwaar gewicht in het voordeel van eiser toekomt omdat eiser ook actief kan worden in een sportschool in Armenië en hij met zijn vrienden van de sportschool op een andere wijze contact kan onderhouden.
Voor zover eiser heeft gesteld dat hij PTSS heeft, heeft verweerder deze omstandigheid niet in het voordeel van eiser kunnen meewegen. Immers, niet is gebleken door middel van objectief verifieerbare bewijsstukken dat eiser voor zijn vertrek uit Nederland nog een behandeling voor zijn PTSS onderging en dat hij hiervoor gebonden is aan Nederland. Evenmin is gebleken dat deze behandeling in Armenië niet verkrijgbaar is. Ten slotte heeft de rechtbank Rotterdam in de uitspraak van 27 maart 2019 ook reeds geoordeeld dat de aangevoerde medische problemen voldoende zijn betrokken in de besluitvorming.
Voor zover eiser heeft betoogd dat hij in detentie heeft laten zien dat sprake is van een positieve gedragsverandering en dat hij inmiddels spijt heeft van de gepleegde misdrijven, heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit het strafvonnis van 7 april 2017 en de eerder gepleegde misdrijven blijkt dat er sprake is van een recidiverisico. Dit is niet weerlegd met het door eiser overgelegde rapport van [naam 6] Advies. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft immers in voornoemde uitspraken daarover geoordeeld dat, nog daargelaten dat niet is gebleken dat dit rapport door een onafhankelijke, ter zake deskundige is opgesteld, niet is gebleken dat bij de beoordeling van het recidiverisico een objectiveerbare en voor derden controleerbare methode van risicoanalyse is toegepast. De rechtbank oordeelde voorts dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het recidiverisico is verminderd en dat dus sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging. Eisers verwijzingen naar de dissenting opinion en de noot van Hilbrink bij het arrest Ndidi slagen niet, reeds omdat in deze zaak wel is vastgesteld dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging. Voorts heeft verweerder in het verweerschrift erkend dat niet “de garantie” dat eiser bij terugkeer in de samenleving geen misdrijven zal plegen relevant is maar de uitkomst van een risicoanalyse. Verweerder heeft echter vervolgens wederom in dit verband kunnen verwijzen naar de overwegingen van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam over eisers recidiverisico en de actualiteit van zijn gedragingen.
Verweerder heeft voorts in het nadeel van eiser, veel gewicht mogen toekennen aan de door eiser, over een langere periode van tien jaar, gepleegde ernstige misdrijven, waaronder een gewelds- en een drugsdelict. Weliswaar heeft verweerder erkend dat in het besluit ten onrechte een winkeldiefstal is genoemd in plaats van opzetheling, maar dit leidt niet tot een andere uitkomst in de belangenafweging omdat verweerder wel de juiste strafmaat heeft meegewogen. Voorts was dit misdrijf, in verhouding tot de andere gepleegde ernstige misdrijven, niet doorslaggevend in de belangenafweging. Eisers beroep op het arrest Maslov slaagt niet omdat verweerder in het bestreden besluit wel voldoende is ingegaan op de aard en ernst van de door eiser gepleegde misdrijven. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser wel geacht wordt enige band met Armenië te hebben. Eiser heeft immers de beginjaren van zijn leven in Armenië gewoond. Ook verblijft eiser sinds zijn uitzetting bij vrienden van zijn ouders in Armenië, zodat hij aldaar een sociaal vangnet heeft. Gelet op eisers leeftijd kon verweerder daarom van hem verwachten dat hij in Armenië een nieuw privéleven opbouwt. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser ook bekend is met de Armeense cultuur vanuit de opvoeding die hij van zijn ouders heeft gekregen. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiser mee kunnen wegen dat hij geen economische binding met Nederland heeft. Eiser heeft weliswaar in het verleden gewerkt maar hij heeft geen vaste werkkring opgebouwd. Eiser ontving vanaf januari 2016 een bijstandsuitkering. Voorts heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser geen inzicht heeft gegeven met objectieve stukken hoe hij zich nu weet te handhaven in Armenië zonder opnieuw op het verkeerde pad te geraken. De stelling in beroep dat de veiligheidssituatie in Armenië nu verslechterd is, heeft verweerder niet in de beoordeling hoeven te betrekken, gelet op de ex tunc toets die geldt.14
Gelet op al het bovenstaande heeft verweerder een belangenafweging gemaakt die deugdelijk gemotiveerd en in rechte houdbaar is, in die zin dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zodanig zijn dat, bij afweging van alle belangen, aan het belang van eiser meer gewicht dient toe te komen. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert voorts aan dat bij de toetsing van het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel ten aanzien van de oplegging van het inreisverbod in het bestreden besluit sprake is van een motiveringsgebrek. Ook in dit verband heeft verweerder wederom ten onrechte vermeld dat eiser een inbraak zou hebben gepleegd. Eiser is ten onrechte tegengeworpen dat hij geen spijt zou hebben en dat hij geen inzicht zou hebben gegeven in zijn handelen. Ook ten aanzien van zijn persoonlijke gedragsverandering bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Eiser wijst ten aanzien van het actualiteitscriterium er nog op dat sinds zijn vertrek naar Armenië alweer 2,5 jaar zijn verstreken en sinds de pleegdatum bijna 4 jaar. In deze periode is hij in Armenië niet in aanraking gekomen met politie of justitie. Er is geen sprake van een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving gelet op de persoonlijke gedragingen van eiser. Artikel 8 EVRM staat in de weg aan het opleggen van het inreisverbod.

9.1

De rechtbank verwijst naar het in rechte vaststaande oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam in de uitspraak van 19 oktober 2018, rechtsoverweging 4.3 waarin reeds is geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van het persoonlijk gedrag van eiser nog steeds een werkelijk, ernstige en voldoende actuele dreiging uitgaat. De beroepsgrond faalt reeds daarom. Voor zover eiser meent dat de dreiging die van zijn persoonlijk gedrag uitgaat thans niet meer actueel is kan hij verweerder om opheffing van het inreisverbod verzoeken.

10. Eiser voert voorts (samengevat) aan dat verweerder ten onrechte niet een inreisverbod van een kortere duur heeft opgelegd gelet op hetgeen in het kader van artikel 8 EVRM is aangevoerd.

10.1

In artikel 6.5a, vijfde lid, Vb is bepaald dat het inreisverbod ten hoogste tien jaar bedraagt, indien het een vreemdeling betreft die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of openbare veiligheid. Die ernstige bedreiging kan onder meer blijken uit een opiumdelict. In A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd dat de IND een inreisverbod uitvaardigt voor de maximale duur zoals die in 6.5a Vb is genoemd. Gesteld nog gebleken is dat deze op de wet gebaseerde beleidskeuze als kennelijk onredelijk dient te worden aangemerkt. De beroepsgrond faalt.

11. Het beroep is daarom ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, en mr. S. Mac Donald en H. Battjes, rechters, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Artikel in het tijdschrift A&MR 2019-3, “Wat is de ruimte voor intrekking van verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht?”.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9028.

4 Uitspraken van 26 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA:3399 en van 10 mei 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1252

5 Kenmerk: 26832/02

6 ECLI:NL:XX:2012:BZZ0202

7 ECLI:NL:RBDHA:2019:12271

8 Kenmerk: 1638/03

9 Kenmerk: 41215/14

10 JV 2011/484

11 ECLI:EU:C:2018:256

12 EHRM 2 augustus 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, Boultif tegen Zwitserland, en 18 oktober 2006 ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, Üner tegen Nederland.

13 ECLI:NL:RVS:2017:3081.

14 Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2308.