Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14093

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
NL20.13340
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nigeria, geloofwaardigheid asielrelaas, alias, identificerende documenten, herkomst, taal, kennis woonomgeving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.13340


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

mede namens haar minderjarige kinderen [naam] (geboren [geboortedatum] ) en [naam] (geboren [geboortedatum] ),

(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).


Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13341, plaatsgevonden op 29 juli 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.C. Klein Hesselink, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiseres is op 23 juni 2016 in Nederland aangekomen en heeft op 24 juni 2016 voor de eerste maal een asielaanvraag ingediend. Die asielaanvraag is in eerste instantie niet in

behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening een andere lidstaat (Italië) verantwoordelijk was voor de behandeling van die aanvraag. Eiseres is tegen dat besluit in beroep gegaan bij de rechtbank1. Dat beroep is door de rechtbank op 13 september 2016 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens aangifte gedaan van mensenhandel (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht). Overeenkomstig het bepaalde in paragraaf B8/3 van de Vc2 is die aangifte in behandeling genomen als een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de regelgeving voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel. Deze vergunning is aan eiseres toegekend met ingang van 25 november 2016 en vervolgens weer ingetrokken per 28 juni 2017, nadat het Openbaar Ministerie heeft gemeld dat het strafrechtelijk onderzoek was gesloten.

Daarna heeft eiseres op 5 september 2017 een aanvraag ingediend voor verlenging van de verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel. Deze aanvraag is afgewezen op 18 december 2017. Daarnaast heeft betrokkene op 3 augustus 2017 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van een humanitair niet-tijdelijk verblijfsdoel. Deze aanvraag is eveneens afgewezen op 18 december 2017. Het tegen het besluit van 18 december 2017 door eiseres ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Eiseres heeft daar vervolgens beroep tegen ingesteld bij de rechtbank3. Op 12 oktober 2018 is dat beroep ongegrond verklaard.

3. Vervolgens heeft eiseres op 6 juni 2018 een nieuwe asielaanvraag ingediend.

Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 identiteit, nationaliteit, herkomst Nigeria,

 problemen door Boko Haram,

 problemen in Borno State,

 besnijdenis dochter,

 discriminatie op basis van geloofsovertuiging.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw4 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor haar verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of zij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Meer concreet heeft eiseres volgens verweerder haar gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk kunnen maken.

5. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Alias

6. Uit het bestreden besluit blijkt dat op een door de Italiaanse autoriteiten tegen eiseres uitgevaardigd uitzettingsbevel de alias [naam] is vermeld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er op basis van deze alias ernstige twijfel bestaat over de identiteit en de nationaliteit van eiseres. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij niet consistent is geweest in haar verklaringen voor het opgeven van andere personalia aan de Italiaanse autoriteiten. Eiseres bevestigt in haar beroepschrift dat zij in Italië de naam [naam] heeft opgegeven en dat zij daarvoor in elk geval twee verschillende verklaringen heeft gegeven. Dat er, zoals eiseres in beroep heeft aangevoerd, kennelijk meerdere redenen zijn geweest waarom zij zich tijdens haar periode in Italië heeft bediend van een alias, neemt niet weg dat zij over haar identiteit inconsequent heeft verklaard.

Documenten

7. Aan het bestreden besluit is voorts ten grondslag gelegd dat eiseres haar identiteit en nationaliteit op geen enkele wijze met documenten heeft aangetoond. Eiseres heeft volgens verweerder een kopie van haar Nigeriaanse paspoort, een kopie van haar Nigeriaanse geboorteakte en een kopie van een leeftijdsverklaring overgelegd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan die kopieën niet de waarde kan worden toegekend die eiseres daaraan toegekend wil zien. Verweerder heeft in dat verband terecht opgemerkt dat kopieën van identificerende documenten niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Verweerder heeft voorts overwogen dat eiseres een kopie van de verklaring heeft overgelegd, waarmee haar geboorteakte zou zijn aangevraagd in Nigeria. Verweerder heeft zich daarover niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verklaringen van eiseres daarover niet consistent zijn en niet overeenkomen met de informatie op die schriftelijk verklaring. Verweerder heeft in dat verband gesteld dat eiseres tijdens meerdere gehoren heeft aangegeven dat de man die in Nigeria de geboorteakte voor haar heeft aangevraagd, haar oom is, maar dat zij bij het aanvullend gehoor heeft verklaard dat deze man niet haar oom is, maar een vriend van de familie. Daarnaast komen de verklaringen van eiseres over de aanvraagprocedure voor de geboorteakte in Nigeria volgens verweerder niet overeen met de informatie uit het ambtsbericht.

8. Eiseres heeft een beroep gedaan op het Algemeen ambtsbericht inzake Nigeria van 27 juni 2018. De rechtbank stelt vast dat in dat ambtsbericht in paragraaf 1.3 over ‘geboorteakten’ is vermeld dat een Nigeriaan die in het buitenland verblijft voor een aanvraag voor een ‘Sworn affidavit’ (leeftijdsverklaring) een beroep moet doen op zijn ouders dan wel een oom of tante die achttien jaar ouder is dan de aanvrager. De door eiseres overgelegde leeftijdsverklaring voldoet daar niet aan. Voor het standpunt van eiseres, dat een verklaring van een man die zij oom noemt, maar tot wie zij niet in familierechtelijke betrekking staat, daarmee gelijk kan worden gesteld, valt in het ambtsbericht geen steun te vinden.

9. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiseres herhaaldelijk is gewezen op het belang van het overleggen van originele documenten en dat zij ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om haar originele paspoort en haar originele geboorteakte alsnog te overleggen. Verweerder heeft eiseres terecht tegengeworpen dat zij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

10. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt middels identificerende documenten.

Herkomst

11. Verweerder heeft tot slot zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar herkomst niet aannemelijk heeft kunnen maken met de door haar gesproken talen en haar verklaringen over haar gestelde woonomgeving. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat eiseres haar gestelde verblijf van 25 jaar in [plaats] niet aannemelijk heeft gemaakt, aangezien zij geen enkele kennis heeft van (ten minste één van) de inheemse talen die ter plaatse worden gesproken en zij overwegend onjuiste verklaringen heeft afgelegd over haar gestelde woonomgeving.

12. Ten aanzien van de taal heeft verweerder zich gebaseerd op informatie van de website www.ethnologue.com en van het Algemeen ambtsbericht Nigeria van 17 oktober 2012. De rechtbank stelt vast dat in dat ambtsbericht is vermeld dat in Nigeria meer dan 500 verschillende lokale talen worden gesproken en dat, hoewel Engels de officiële taal is, het Engels in de praktijk veelal als tweede taal wordt gebruikt. Verder is in het ambtsbericht vermeld dat onderwijs in principe in het Engels wordt gegeven, maar dat afhankelijk van de regio ook Hausa, Yoruba of Ibo als taal wordt onderwezen. Nu eiseres naar eigen zeggen alleen het Engels en Pidgin Engels beheerst, heeft verweerder op basis van de vermelde informatie de door eiseres gestelde herkomst uit Nigeria, meer specifiek uit [plaats] , terecht in twijfel getrokken, zeker gezien de duur van het gestelde verblijf aldaar.

13. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiseres over haar gestelde woonomgeving niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft terecht overwogen dat van iemand die 25 jaar in [plaats] heeft gewoond, in redelijkheid mag worden verwacht dat zij, ondanks de spanning die zij mogelijk heeft ervaren tijdens de gehoren, juist kan verklaren over haar woonomgeving. Eiseres heeft in beroep volstaan met de opmerking dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke gronden hij tot de conclusie ‘overwegend onjuist’ is gekomen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt en is van oordeel dat verweerder zijn standpunt reeds in het voornemen van 11 mei 2020 voldoende uiteen heeft gezet. Daarbij is verweerder ook ingegaan op correcties en aanvullingen die eiseres heeft ingediend.

14. Gelet op alles dat hiervoor is overwogen heeft verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.

15. In het bestreden besluit heeft verweerder ook terecht besloten om eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw gelezen in combinatie met artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb5. Verweerder heeft in dat verband mogen verwijzen naar de conclusie met betrekking tot de identiteit, nationaliteit en de herkomst van eiseres, zoals die hiervoor reeds is besproken. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat niet is gebleken van overige bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om eiseres op humanitaire gronden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning.

16. In het bestreden besluit is eiseres geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw gelezen in combinatie met artikel 6.1a van het Vb. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat bij haar zoon sikkelcelziekte is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven te zien om uitstel van vertrek te verlenen. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiseres overgelegde uitslag van de hielprik van 7 januari 2019 blijkt dat bij haar zoon een patroon is gevonden dat past bij dragerschap van sikkelcelziekte. Daarbij is vermeld dat deze uitslag inhoudt dat zeer waarschijnlijk ten minste een van de ouders drager is van deze aandoening. Een diagnose is evenwel niet gesteld, en deze brief vermeldt ook niets over medische klachten van de zoon of over een noodzaak tot behandeling. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat uit het document niet blijkt dat de zoon van eiseres door een medisch specialist wordt behandeld voor medische klachten.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 zaaknummer AWB 16/18520, zittingsplaats Arnhem

2 Vreemdelingencirculaire

3 zaaknummer AWB 18/2696, zittingsplaats Rotterdam

4 Vreemdelingenwet 2000

5 Vreemdelingenbesluit 2000