Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:14092

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
NL20.13093
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, opvolgende aanvraag, geen nieuwe elementen of bevindingen, Malinese nationaliteit, LHTBI

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13093


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van der Zanden).


Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13094, plaatsgevonden op 29 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Diablo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Malinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 21 februari 2019 afgewezen. Verweerder is in dat besluit ervan uitgegaan dat eiser de Senegalese nationaliteit heeft. Beroep tegen dat besluit is door de rechtbank, zittingsplaats Middelburg, op 29 april 2019 ongegrond verklaard1. De Afdeling2 heeft die uitspraak in hoger beroep op 5 juni 2019 bevestigd3. Het besluit van 21 februari 2019 staat daarmee in rechte vast.

3. Op 26 juni 2019 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Verweerder heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 21 februari 2019. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw4.

4. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 20165. ‘Nieuwe elementen of bevindingen’ zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

5. Eiser heeft in zijn opvolgende aanvraag van 26 juni 2019 ten grondslag gelegd: zijn afkomst uit Mali en de ontwikkeling van zijn LHBTI-identiteit. Ter onderbouwing heeft eiser bij zijn aanvraag een kopie van zijn Malinese geboorteakte gevoegd, een gedeelte van het EASO rapport Mali december 2018 (paragraaf 1.6 en 3.1), alsmede een flyer voor LHBTI-asielzoekers. Ter verdere onderbouwing heeft eiser bij zijn zienswijze een certificaat van Jobbank en een foto van hem als lid van de huisband van [naam] (een woongemeenschap in Almelo: Samba uit Mali) overgelegd, alsmede een aantal uitnodigingen voor door het COA georganiseerde LHBTI-bijeenkomsten in het asielzoekerscentrum (waarvan twee aan eiser persoonlijk gericht).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser aan zijn opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Malinese nationaliteit

Verweerder heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij met het overleggen van zijn Malinese geboorteakte niet zijn Malinese nationaliteit heeft aangetoond. In dat verband heeft verweerder mogen verwijzen naar de Vreemdelingencirculaire onderdeel C1/4.3, waarin is bepaald dat de nationaliteit kan worden onderbouwd met (in ieder geval) een paspoort of een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven document met pasfoto (waarop de vreemdeling herkenbaar is) waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit. De door eiser overgelegde geboorteakte voldoet daar niet aan. Verweerder heeft in dat verband in het bestreden besluit toegelicht dat aan de geboorteakte niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan toekent, omdat daarin niets staat over de gestelde Malinese nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de aanvullende stukken die eiser bij zijn zienswijze heeft overgelegd.

Seksuele oriëntatie

De rechtbank stelt vast dat de seksuele oriëntatie in de eerdere beroepsprocedure ook al aan de orde is geweest. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 29 april 2019 geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij LHBT is en dat dit standpunt voldoende is gemotiveerd.

Verweerder heeft in het thans bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte overwogen dat de schriftelijke verklaringen in de opvolgende aanvraag en in de zienswijze nog steeds summier van aard zijn en derhalve onvoldoende inzicht geven in de persoonlijke beleving en ontwikkeling van de door eiser gestelde seksuele identiteit. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt stelt dat de door eiser bij zijn zienswijze gevoegde uitnodigingen onvoldoende zijn om afbreuk te doen aan het in rechte vaststaand besluit en daarmee als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te gelden. Dat verweerder daarin geen aanleiding heeft gezien om eiser uit te nodigen voor nader gehoor, acht de rechtbank dan ook niet onredelijk.

6. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. D’Hoore, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 zaaknummer NL19.4352

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

3 zaaknummer 201903487/1/V2

4 Vreemdelingenwet 2000

5 ECLI:NL:RVS:2016:1759