Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13954

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
AWB 20/2751
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis, Eritrea, herhaalde aanvraag, artikel 4:6 Awb, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/2751

V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 december 2020 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , eisers,

gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. Metselaar.

Procesverloop

Eisers hebben op 2 april 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaarschrift naar aanleiding de afwijzing van hun aanvragen voor mvv1 in het kader van nareis.

Op 12 mei 2020 heeft verweerder alsnog op de bezwaren beslist (het bestreden besluit).

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb2 heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het besluit van 12 mei 2020.

Op 28 mei 2020 hebben eisers aanvullende beroepsgronden ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 november 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam] , referent, en tolk Ogbamichael. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen broer en zus te zijn, te zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Referent stelt de broer van eisers te zijn. Referent is op 17 september 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, en wil eisers laten nareizen.

Procedurele voorgeschiedenis

2. Op 26 november 2014 heeft referent mvv-aanvragen in het kader van nareis ingediend voor in totaal zes personen, onder wie zijn echtgenote, twee kinderen, en eisers. Op 17 maart 2015 zijn die aanvragen afgewezen, omdat de aanvragen onvolledig waren en daarom niet kon worden onderzocht of aan de voorwaarden werd voldaan. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt, waarna dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

3. Op 18 mei 2015 heeft referent zes nieuwe mvv-aanvragen nareis ingediend. Die aanvragen zijn voor wat betreft eisers bij besluit van 7 december 2016 afgewezen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat referent geen documenten heeft overgelegd waaruit de identiteit van eisers en de feitelijke gezinsband met hem blijkt. Tevens is overwogen dat het gestelde overlijden van de biologische ouders van eisers niet is aangetoond.

Voor de echtgenote van referent, [naam] , en hun twee kinderen zijn wel mvv’s afgegeven. Begin februari 2017 zijn zij Nederland ingereisd.

Eisers hebben bezwaar aangetekend tegen het besluit van 7 december 2016 en zijn vervolgens in beroep en hoger beroep gegaan. Het beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 26 april 20183 ongegrond verklaard. De Afdeling4 heeft die uitspraak op 15 maart 20195 (met een kennelijke ongegrondverklaring van het beroep) bevestigd.

Onderhavige procedure

4. Op 9 november 2018 heeft referent voor de derde keer mvv-aanvragen voor eisers ingediend. In de begeleidende brief bij de aanvraag heeft hij gesteld dat hij bij deze aanvraag dieper zal ingaan op de familieband, op de bewijsstukken, en op de huidige situatie en noodzaak. Als bijlagen heeft hij bij de aanvraag gevoegd:

 kopie doopakte eisers;

 kopie UNHCR-registratie 1 als bewijs dat eisers samen met de echtgenote van referent en kinderen als één gezin in het kamp van UNHCR verbleven;

 kopie UNHCR-registratie 2 als bewijs dat eisers daar alleen zijn achtergebleven;

 verklaring administratie van [plaats] (dorp van herkomst – Rb) van 30 oktober 2015;

 verklaring van een kennis van referent.

Bij besluit van 30 april 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan artikel 4:6 van de Awb ten grondslag gelegd. Verweerder heeft overwogen dat er sprake is van een herhaalde aanvraag, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden en er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eisers geen nieuwe documenten hebben overgelegd. Het recent afgegeven UNHCR-document is volgens verweerder geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aangezien eisers reeds eerder een UNHCR-document hebben overgelegd met daarop dezelfde gegevens.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de aangevoerde omstandigheid, dat de gestelde pleegmoeder van eisers inmiddels in Nederland woont, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is, omdat zij al sinds 5 februari 2017 in Nederland verblijft en eisers dat al in de vorige bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure als nieuw feit naar voren hadden moeten brengen. Voorts heeft verweerder overwogen dat eisers geen nieuwe documenten hebben overgelegd om de identiteit en de feitelijke gezinsband met referent aannemelijk te maken.

Procesbelang niet tijdig beslissen op bezwaar

5. Het beroep is oorspronkelijk gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van eisers. Niet gebleken is dat eisers nog steeds belang hebben bij de beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaarschrift. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij ook zonder inhoudelijke toetsing van dat besluit verweerder kan veroordelen tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten en ook de verschuldigdheid en de hoogte van dwangsommen kan vaststellen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal hierna ingaan op het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit.

Beroepsgronden

6. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Zij hebben aangevoerd dat de echtgenote van referent inmiddels in Nederland is toegelaten, dat zij degene is geweest die destijds de feitelijke zorg voor eisers op zich had genomen, en dat dit door verweerder ten onrechte niet als nieuw feit is geaccepteerd. De echtgenote van referent had volgens eisers kunnen verklaren omtrent de familierelatie van eisers met referent, de dood van hun ouders, het moment waarop eisers in haar gezin zijn opgenomen en dat zij tot haar vertrek naar Nederland voor hen heeft gezorgd. Eisers stellen daarbij dat de echtgenote van referent ten onrechte niet is gehoord. Eisers hebben met betrekking tot hun identiteit aangevoerd dat verweerder de aanwezigheid van de verklaring van de lokale [plaats] van 30 oktober 2015 heeft miskend. Eisers doen verder een beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn6 en op artikel 8 van het EVRM7.

Eisers hebben in beroep, bij brief van 10 juli 2020, nog een getypte Engelse vertaling van de verklaring van de administratie van [plaats] van 30 oktober 2015 overgelegd, alsmede twee schoolrapporten van het schooljaar 2013/2014 van de Eritrese overheid waarop de namen van eisers zijn vermeld.

Wettelijk kader en beoordelingskader

7. Op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

8. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag van eisers van 9 november 2018 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

9. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling8 worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

10. De rechtbank stelt vast dat in de vorige procedure ook de doopakte, de verklaring van de administratie van [plaats] , de verklaring van de kennis van referent en een kopie van een UNHCR-card hebben overgelegd. De rechtbank is in haar uitspraak van 26 april 2018 verweerder gevolgd in zijn stelling dat deze documenten onvoldoende zijn om de identiteit van eisers aannemelijk te maken.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de rechtbank in haar uitspraak van 26 april 2018 heeft geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eisers nimmer in het bezit zijn geweest van officiële identificerende documenten en dat er bovendien geen sprake is van bewijsnood.

11. Verweerder heeft dus aan het bestreden besluit terecht ten grondslag gelegd dat eisers hun nieuwe aanvraag van 9 november 2018 niet hebben voorzien van nieuwe bewijsstukken om hun identiteit en de feitelijke gezinsband met referent aannemelijk te maken. Dat wordt door eisers ook niet betwist.

12. Verweerder heeft de door eisers gestelde omstandigheid, dat de echtgenote van referent en gestelde pleegmoeder van eisers sinds 5 februari 2017 in Nederland verblijft, terecht niet aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Op het moment dat de echtgenote van referent Nederland inreisde, was het bezwaar van eisers tegen het afwijzingsbesluit van 7 december 2016 in procedure. Verweerder heeft eisers terecht tegengeworpen dat zij deze omstandigheid niet in het kader van die bezwaarprocedure hebben ingebracht, noch in de daarop gevolgde beroeps- en hogerberoepsprocedure. Eisers hebben daarvoor – desgevraagd ter zitting – ook geen goede reden gegeven.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de echtgenote van referent in de eerdere procedure al heeft gehoord, namelijk op de Nederlandse Ambassade te Addis Ababa, Ethiopië, op 6 oktober 2016. Zij heeft daar onder meer verklaard over de familierechtelijke band van eisers met referent, het overlijden van de ouders van eisers en de zorg voor eisers. Het opnieuw horen van de echtgenote van referent in het kader van de nieuwe aanvraag zou dus geen toegevoegde waarde hebben gehad. Verweerder heeft daarom van het horen mogen afzien.

13. Ten aanzien van de in beroep overgelegde schoolrapporten heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat deze niet zijn voorzien van een pasfoto en dat daaraan voor wat betreft de identiteit van eisers geen gewicht kan worden toegekend. Ook deze kunnen derhalve niet worden aangemerkt als nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

14. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers in hun aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb hebben vermeld.

Artikel 8 van het EVRM

15. Tot slot overweegt de rechtbank naar aanleiding van het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn nog als volgt.

De aanvraag van eisers betreft een aanvraag als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 20109. In die uitspraak is overwogen dat het destijds geldende artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw (thans artikel 29, tweede lid) in de wet is opgenomen om, naast de voorschriften strekkende tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, ook in het kader van de verlening van een verblijfsvergunning asiel een regeling te treffen ter bescherming van het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het familie- en gezinsleven en dat de Vw buiten die regeling geen gronden biedt voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van dat familie- en gezinsleven. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat uit die uitspraak volgt dat, als niet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw wordt voldaan, de aanvraag niet hoeft te worden getoetst aan andere gronden. De rechtbank volgt verweerder in die uitleg.

Verweerder heeft in het bestreden besluit vervolgens terecht overwogen dat, nu eisers niet hebben aangetoond of aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden, zij niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook geen verdere afweging hoeven maken in het kader van artikel 8 van het EVRM.

Dwangsom wegens niet tijdig beslissen

16. Niet in geschil is dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift van eisers.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt. Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt evenwel dat geen dwangsom is verschuldigd indien de aanvraag kennelijk ongegrond is.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat, aangezien het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard, hij geen dwangsom verschuldigd is. Eisers hebben geen beroepsgronden aangevoerd tegen de afdoening van het bezwaarschrift als ‘kennelijk’ ongegrond. Dat leidt ertoe dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat hij geen dwangsom aan eisers verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar.

Slotoverwegingen

17. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond.

18. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder heeft immers pas beslist nadat eisers beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank stelt de door eiseres gemaakte proceskosten vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 262,50 (tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.

De griffier is buiten staat mee

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 machtigingen tot voorlopig verblijf

2 Algemene wet bestuursrecht

3 zaaknummer AWB 17/13420

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

5 zaaknummer 201804372/1/V1

6 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging

7 Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

8 bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1019

9 ECLI:NL:RVS:2010:BO1555