Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
8360598 / 20-3568
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsomvang, loonvordering, uitbetaling vakantieuren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

DA/C

Rolnr.: 8360598 RL EXPL 20-3568

30 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [rechthebbende],
gevestigd te Leiden,
eisende partij,
gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,

tegen

de besloten vennootschap CSU Personeel B.V.,

gevestigd te Uden,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. R.M. Dessaur.

Partijen worden hierna geduid als “ [bewindvoerder] ” en “CSU” .

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 21 februari 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de akte (voorwaardelijke) wijziging eis, tevens akte overlegging producties;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

Op 2 september 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [betrokkene 1] namens [bewindvoerder] en de heer [rechthebbende] , beiden bijgestaan door mr. Praamsta, en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] namens CSU, bijgestaan door mr. Dessaur. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

[bewindvoerder] is de bewindvoerder van de heer [rechthebbende] (“hierna: [rechthebbende] ”).

2.2.

[rechthebbende] is op 10 mei 2006 in dienst getreden bij CSU in de functie van schoonmaker. Bij aanvang van het dienstverband was sprake van een oproepovereenkomst. Op 16 december 2009 zijn partijen overeengekomen om de arbeidsduur vast te stellen op vier uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (“de CAO”) van toepassing.

2.3.

In 2014 is CSU voor twee uur per week loon gaan uitbetalen aan [rechthebbende] . Op loonspecificaties uit de eerste helft van 2015 is vermeld dat [rechthebbende] twee uur onbetaald verlof opnam en twee uur werkte per week.

2.4.

Op een stuk met de duiding “wijziging arbeidsovereenkomst” van 16 juni 2015, waarbij CSU en [rechthebbende] als partijen zijn vermeld en welk stuk is ondertekend, is het volgende opgenomen:

Met ingang van 16 juni 2015 is een wijziging ingebracht in de arbeidsovereenkomst tussen CSU Personeel B.V. Veghelsedijk 2, 5406 TE te Uden en :

Naam : De heer [rechthebbende]

Adres : [adres]

Postcode : [plaats]

Pers. Nr. : [nummer]

De wijziging geldt voor:

Onbepaalde tijd

Gewijzigde gegevens:

2 uur per week”

2.5.

Vanaf week 38 in 2015 wordt op de loonspecificaties geen twee uur onbetaald verlof per week meer vermeld, maar slechts twee gewerkte uren per week.

2.6.

In een brief van CSU aan [rechthebbende] van 5 juli 2016 is het volgende vermeld:

Op 20 juni 2016 hebben wij u een schrijven gestuurd naar aanleiding van het

spreekuur bij de bedrijfsarts d.d. 19 mei 2016. Het oordeel van dit spreekuur is dat u met ingang van 20 mei 2016 aangepast, lees lichte werkzaamheden, voor de volledige omvang van uw contracturen kunt uitvoeren.

CSU Personeel BV heeft vernomen dat u (vanaf 20 mei 2016) tot op heden niet bent hervat met uw werkzaamheden op AT-basis. U heeft aangegeven nog last te hebben van uw knie en hierdoor niet kunt werken. Echter houdt CSU Personeel BV zich vast aan het advies van de bedrijfsarts en dat is dat u met ingang van 20 mei 2016 aangepast, lees lichte werkzaamheden, voor de volledige omvang van uw contracturen kunt uitvoeren.

Wij hebben u dan ook in onze brief d.d. 20 juni 2016 alsnog geadviseerd om een deskundigoordeel aan te vragen bij het UWV. Onze casemanager heeft op dinsdag 28 juni 2016 telefonisch contact opgenomen met UWV om de status van uw deskundigenoordeel op te vragen, het UWV heeft ons medegedeeld dat er geen aanvraag bekend is bij het UWV.

Daarnaast bent u wederom op het spreekuur geweest van de bedrijfsarts dd. 23 juni 2016. Het oordeel van dit spreekuur is dat u met ingang van 24 juni 2016 volledig weer uw werkzaamheden kan hervatten voor de volledige omvang van uw contractenuren.

Echter hebben wij vernomen dat u wederom tot op heden niet bent hervat met

uw werkzaamheden. Met deze brief willen wij u nogmaals adviseren, indien u het niet eens bent met het oordeel van de bedrijfsarts een deskundigoordeel aan te vragen bij het UWV. (…)

Daarnaast sommeren wij u per direct uw werkzaamheden te hervatten. Wij willen u erop wijzen dat u in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter te alle tijde verplicht bent mee te werken aan uw re-integratie.

Derhalve zal het ziekengeld/salaris vanaf 20 mei 2016 opgeschort blijven en

zal voor de niet gewerkte uren geen loon worden uitbetaald. Er is immers géén sprake van arbeid en dus géén sprake van loon.”

2.7.

In een deskundigenoordeel van het UWV van 12 augustus 2016 is geoordeeld dat [rechthebbende] geschikt was de eigen arbeid te verrichten.

2.8.

Naar aanleiding van een tussenbeschikking van de kantonrechter Den Haag van 27 februari 2017 in een door CSU gestarte procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, heeft het UWV op 5 april 2017 wederom een deskundigenoordeel uitgebracht, ditmaal inhoudende dat [rechthebbende] per de geschildatum van 24 juni 2016 niet geschikt te achten is voor het eigen werk.

2.9.

De kantonrechter heeft het verzoek van CSU tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. De arbeidsovereenkomst is per 31 december 2019 met wederzijds goedvinden beëindigd, waartoe partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten.

3 Vordering, grondslag en verweer

3.1.

[bewindvoerder] vordert – na vermindering van eis ter zitting - veroordeling van CSU bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om aan [rechthebbende] :

1. te betalen € 7.802,10 bruto aan achterstallig loon vanaf 1 februari 2014;

2. te betalen € 1.525,68 bruto ter zake niet opgenomen vakantiedagen;

3. te betalen de wettelijke verhoging over de onder 1 en 2 genoemde bedragen;

4. te betalen:

a. de wettelijke rente over het onder 1 genoemde loon vanaf de laatste dag van de maand waarin de respectievelijke loonbedragen betaald hadden dienen te worden tot de dag van algehele voldoening;

b. de wettelijke rente over de onder 2 genoemde uit te betalen vakantiedagen vanaf 12 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

5. te betalen € 1.118,38 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

6. deugdelijke loonspecificaties te verstrekken over de onder 1 t/m 4 genoemde bedragen op straffe van een dwangsom;

7. te betalen € 1.863,40 ter zake proceskosten.

3.2.

[bewindvoerder] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Op grond van de arbeidsovereenkomst had [rechthebbende] recht op loon voor vier uur in de week. CSU heeft echter vanaf (in ieder geval) januari 2014 slechts voor twee uren loon per week betaald tot 20 mei 2016. Vanaf die datum is het loon in het geheel niet betaald. Nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd, heeft [rechthebbende] voorts recht op uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren. [rechthebbende] maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Ook vordert [rechthebbende] een volledige proceskostenveroordeling, nu CSU zich op evident onjuiste gronden verweert.

3.3.

CSU heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

4 Beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen gaat naar de kern genomen over de volgende punten. Ten eerste gaat het om de vraag of [rechthebbende] in 2014 onbetaald verlof is gaan opnemen en of de arbeidsomvang per 16 juni 2015 vervolgens is aangepast naar twee uur per week. Ten tweede gaat het om de vraag of [rechthebbende] vanaf 20 mei 2016 recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Tot slot gaat het om de vraag of de aanspraak tot uitbetaling van de vakantieuren is vervallen of verjaard.

onbetaald verlof / vermindering arbeidsduur

4.2.

CSU heeft gesteld dat zij in de loop van 2014, twee uur per week is gaan uitbetalen aan [rechthebbende] , omdat hij voor de andere overeengekomen twee uren per week onbetaald verlof heeft opgenomen. Mede gelet op het tijdsverloop kan zij van die afspraak geen schriftelijke vastlegging meer terugvinden. [rechthebbende] is ook daadwerkelijk twee uur gaan werken per week en is overeenkomstig uitbetaald. [rechthebbende] heeft niet geprotesteerd dat hij minder ging werken, noch dat hij als gevolg daarvan minder uitbetaald kreeg. Dat [rechthebbende] onbetaald verlof heeft opgenomen voor twee uur per week, volgt ook uit de salarisspecificaties van 2015 waarop dat is vermeld. Vervolgens zijn CSU en [rechthebbende] overeengekomen dat de arbeidsomvang per 16 juni 2015 is aangepast naar twee uur per week. [rechthebbende] is twee uur per week blijven werken en is steeds aldus uitbetaald, aldus nog steeds CSU.

4.3.

De kantonrechter overweegt dat [rechthebbende] heeft gesteld dat hij aanneemt dat hij vanaf 1 januari 2014, twee uur per week uitbetaald heeft gekregen in plaats van vier uur per week. CSU heeft dit betwist. Hoewel ook zij niet het precieze moment kan duiden waarop de loonbetaling is aangepast van vier uur naar twee uur per week, is dit volgens CSU pas in de loop van 2014 geweest. Nu [rechthebbende] het moment niet kan duiden vanaf wanneer hij twee uur in plaats van vier uur per week betaald kreeg, en dus onvoldoende heeft gesteld in het licht van de betwisting van CSU, zal de kantonrechter uitgaan van de stelling van CSU te dezer zake. Tussen partijen staat vast dat [rechthebbende] in 2014 feitelijk twee uur per week is gaan werken en dat deze gewerkte uren allemaal zijn uitbetaald. Geen van partijen heeft een toelichting kunnen geven over de precieze omstandigheden omtrent deze wijziging. Dit lijkt verband te houden met het tijdsverloop maar ook met de beperkingen van [rechthebbende] .

4.4.

Voor de beoordeling van die (eventuele) aanspraken van [rechthebbende] op loon voor de niet gewerkte uren zijn de bepalingen van de artikelen 7:627 en 7:628 BW – zoals deze golden voor 1 januari 2020 – van belang. Artikel 7:628 BW(oud) maakt onderdeel uit van de risicoregeling van artikel 7:627 BW (oud) tot en met artikel 7:629 BW (oud). Het bevat de eerste uitzondering op de hoofdregel ‘geen arbeid, geen loon’ van artikel 7:627 BW (oud). Artikel 7:628 BW (oud) regelt dat de werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Het gaat er hierbij om dat de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht door een omstandigheid die in de verhouding tussen partijen meer in de risicosfeer van de werkgever ligt dan in die van de werknemer.

4.5.

[rechthebbende] heeft naar het oordeel van de kantonrechter, in het licht van de stellingen van CSU, onvoldoende gesteld voor de conclusie dat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht om redenen die in de risicosfeer liggen van CSU en dat hij dus aanspraak heeft op loondoorbetaling voor de niet gewerkte uren. Er is van de zijde van [rechthebbende] geen toelichting gegeven waarom hij in 2014 twee uur per week is gaan werken in plaats van vier uur. Hij heeft dan ook geen stellingen ingenomen waaruit volgt dat de oorzaak voor rekening van CSU zou moeten komen. CSU heeft daarentegen gemotiveerd gesteld dat de oorzaak gelegen is in het opnemen van onbetaald verlof door [rechthebbende] en het vervolgens aanpassen van de arbeidsduur per 16 juni 2015.

4.6.

Wat betreft het aanpassen van de arbeidsduur per 16 juni 2015 overweegt de kantonrechter nog als volgt. Erop gelet dat [rechthebbende] op de zitting niet heeft weersproken dat het zijn handtekening is op het onder 2.4 bedoelde document, maar slechts dat hij het zich niet kan herinneren dat hij het heeft getekend, gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen de wijziging zijn overeengekomen, zoals daarin is vermeld. [rechthebbende] heeft gesteld dat onduidelijk is wat de wijziging inhoudt, omdat uit het document ook zou kunnen worden afgeleid dat de arbeidsovereenkomst is uitgebreid met twee uren. De kantonrechter volgt [rechthebbende] niet in dat betoog. In het licht van de omstandigheden dat [rechthebbende] feitelijk twee uur per week werkte tot 16 juni 2015 en nadien ook feitelijk twee uur per week is blijven werken en aldus betaald heeft gekregen, is duidelijk dat partijen een aanpassing zijn overeengekomen van de arbeidsomvang van vier uur per week naar twee uur per week. [rechthebbende] heeft voorts onvoldoende gesteld voor de conclusie dat CSU niet erop mocht vertrouwen dat [rechthebbende] daadwerkelijk de wil daartoe had. De stelling dat [rechthebbende] een plichtsgetrouwe en eenvoudige man is, is onvoldoende. Het beroep op vernietiging van de overeenkomst tot aanpassing van de arbeidsduur op grond van artikel 3:45 BW, treft evenmin doel. De enkele stelling dat [rechthebbende] niet begreep wat hij tekende vanwege de beperkte geestelijke vermogens van [rechthebbende] , kan die conclusie niet dragen. Ook met zijn beperkte geestelijke vermogens was [rechthebbende] in staat een arbeidsovereenkomst aan te gaan, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer valt in te zien dat [rechthebbende] niet de afspraak kon maken met CSU om de arbeidsovereenkomst aan te passen inhoudende dat hij twee uur per week zou werken en dus ook twee uur per week betaald zou krijgen, hetgeen overigens al de feitelijke situatie was. Tot slot overweegt de kantonrechter dat uit de omstandigheid dat in de beëindigingsovereenkomst een arbeidsduur is vermeld van vier uur, in het licht van het voorgaande niet kan worden afgeleid dat CSU heeft erkend dat sprake is van een dergelijke omvang. CSU heeft daarover gesteld dat die vermelding abusievelijk in de overeenkomst is opgenomen. De conclusie is dat partijen per 16 juni 2015 de arbeidsovereenkomst hebben aangepast naar twee uur per week.

4.7.

[rechthebbende] heeft, na wijziging van de grondslag van de eis, voorts aan de vordering ten grondslag gelegd, dat als komt vast te staan dat hij onbetaald verlof heeft opgenomen en/of met CSU is overeengekomen dat de arbeidsduur per 16 juni 2015 twee uur per week zou bedragen, de vordering alsnog toewijsbaar is als schadevergoeding wegens schending van de toepasselijke CAO en goed werkgeverschap. Op grond van artikel 29 van de CAO had CSU hem moeten wijzen op de gevolgen van het onbetaalde verlof voor het recht op sociale zekerheid en de opbouw van pensioen, terwijl goed werkgeverschap meebrengt dat CSU hem had moeten wijzen op de gevolgen van de vermindering van arbeid. Anders dan CSU heeft betoogd is deze eiswijziging niet in strijd met de goede procesorde. CSU is op de zitting voldoende in staat geweest te reageren erop. Dit onderdeel van de vordering kan naar het oordeel van de kantonrechter echter evenmin worden toegewezen op deze gronden. [rechthebbende] heeft niet gemotiveerd gesteld dat CSU niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 29 van de CAO, terwijl CSU heeft betwist dat zij in strijd heeft gehandeld met die bepaling. Overigens valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom schending van die bepaling zou leiden tot loondoorbetaling. De informatieplicht ziet immers op de gevolgen wat betreft het recht op sociale zekerheid en de opbouw van pensioen. Dit geldt evenzo wat betreft de stelling dat CSU op grond van goed werkgeverschap [rechthebbende] had moeten wijzen op de gevolgen van de vermindering van de arbeidsomvang. In zijn algemeenheid zal een werknemer begrijpen dat een vermindering van de arbeidsduur, gevolgen heeft voor het loon. [rechthebbende] heeft zijn standpunt onvoldoende toegelicht en de vordering op deze grondslag wordt dan ook afgewezen.

4.8.

De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering van [rechthebbende] , voor zover die is gebaseerd op de verplichting tot betaling van loon van vier uur per week in plaats van twee uur per week, wordt afgewezen.

Loondoorbetaling tijdens ziekte

4.9.

CSU heeft de loondoorbetaling gestaakt per 20 mei 2016. CSU heeft zich in deze procedure erop beroepen dat [rechthebbende] niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan, zodat zij gerechtigd was de loondoorbetaling te staken.

4.10.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Indien is voldaan aan de in artikel 7:629 lid 1 BW gestelde voorwaarden, heeft een werknemer die wegens ziekte arbeidsongeschikt is, in beginsel recht op loondoorbetaling. Op de werkgever rust ingevolge artikel 7:658a lid 1 BW de verplichting de re-integratie van de zieke werknemer te bevorderen door hem passende arbeid als bedoeld in artikel 7:658a lid 4 BW te laten verrichten. Gedurende de tijd dat de werknemer de passende arbeid zonder deugdelijke grond niet verricht hoewel hij daartoe in staat is, heeft hij ingevolge artikel 7:629 lid 3, aanhef en onder c, BW geen recht op loondoorbetaling op de voet van artikel 7:629 lid 1 BW.

4.11.

In artikel 7:629a BW is bepaald dat de rechter een loonvordering als bedoeld in artikel 7:628 afwijst, indien er geen deskundigenoordeel is gevoegd bij de eis omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW. Dit geldt ingevolge het tweede lid van dat artikel niet indien de verhindering respectievelijk de nakoming niet wordt betwist of het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. De werkgever heeft pas voor het eerst op de zitting betwist dat de werkneemster ziek is. Tijdens de eerste procedure is de ziekte niet weersproken

4.12.

Uit de deskundigenverklaring van 5 april 2017 volgt dat [rechthebbende] niet geschikt werd geacht voor het verrichten van zijn eigen werk vanaf 24 juni 2016. [rechthebbende] heeft geen deskundigenverklaring in het geding gebracht omtrent de vraag of hij aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan als bedoeld in artikel 7:660a BW. Uit de onder 2.5 vermelde brief van 5 juli 2016 leidt de kantonrechter af dat CSU het loon heeft gestaakt vanaf 20 mei 2016 op de grond dat [rechthebbende] weigerde aangepaste werkzaamheden te verrichten, terwijl CSU zich vanaf 24 juni 2016 op het standpunt heeft gesteld dat [rechthebbende] zijn eigen werkzaamheden kon hervatten. Het geschil tussen partijen heeft zich vervolgens toegespitst op de vraag of [rechthebbende] inderdaad zijn eigen werkzaamheden kon hervatten. Daarover zijn uiteindelijk twee deskundigenoordelen gegeven door het UWV.

4.13.

In het licht hiervan kan wat betreft de periode van 20 mei 2016 tot 24 juni 2016 aan [rechthebbende] worden tegengeworpen dat hij geen deskundigenoordeel heeft overgelegd of hij aan zijn re-integratieverplichting ex artikel 7:660a BW heeft voldaan. Vanaf 24 juni 2016 heeft CSU haar standpunt in zoverre gewijzigd dat zij stelt dat [rechthebbende] in staat was zijn eigen werkzaamheden volledig te verrichten. Uit het deskundigenoordeel van 5 april 2017 volgt dat dat standpunt niet juist was. In deze procedure heeft CSU dit deskundigenoordeel niet weersproken. Niet gebleken is dat CSU na 5 april 2017 enige re-integratie activiteiten heeft ondernomen en dat [rechthebbende] daaraan ten onrechte zijn medewerking niet heeft verleend. Bij die stand van zaken kon van [rechthebbende] niet worden gevergd dat er een deskundigenoordeel zou worden overgelegd wat betreft de vraag of hij vanaf 24 juni 2016 aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan.

4.14.

De conclusie uit het voorgaande is dat de loonvordering wat betreft de periode 20 mei 2016 tot 24 juni 2016 wordt afgewezen. De loonvordering vanaf 24 juni 2016 tot 12 april 2018, de dag dat de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte eindigde, zal daarentegen worden toegewezen. Dit betreft, uitgaande van de in productie 19 bij de dagvaarding vermelde uurlonen per periode (inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering) een bedrag van € 2.281,06.

Uitbetaling vakantie-uren

4.15.

[rechthebbende] vordert uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren opgebouwd over de jaren 2015 tot en met 2019. Uitgaande van een arbeidsomvang van vier uur per week, heeft [rechthebbende] op grond van het bepaalde in de toepasselijke CAO de omvang daarvan berekend op 104 uur. CSU heeft zich beroepen op verval van wettelijke vakantie-uren en verjaring van de bovenwettelijke vakantie-uren, waartoe CSU erop heeft gewezen dat op grond van de CAO, de vervaltermijn van de wettelijke vakantie-uren één jaar bedraagt na afloop van het kalenderjaar en de verjaringstermijn van bovenwettelijke vakantie-uren vijf jaren bedraagt na afloop van het kalenderjaar.

4.16.

De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 7:640a BW is bepaald dat de aanspraak op de wettelijke vakantiedagen vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Bij schriftelijke overeenkomst kan ten gunste van de werknemer worden afgeweken van de termijn van zes maanden, aldus de tweede volzin van dat artikel. In dit geval is bij CAO de termijn verlengd naar een jaar. Dit wetsartikel is met ingang van 1 januari 2012 in de wet opgenomen mede naar aanleiding van het arrest Schultz/Hoff (HvJ 20 januari 2009, ECLI:EU:C:2009:18). In dat arrest heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (hierna: de Richtlijn) in de weg staat aan nationale wettelijke regelingen op grond waarvan bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen financiële vergoeding voor niet genoten vakantiedagen uitbetaald worden aan een werknemer die niet in de mogelijkheid verkeerde om alle jaarlijkse vakantierechten voor het einde van de arbeidsovereenkomst op te nemen, omdat hij met ziekteverlof was. Voorts volgt uit de arresten Max Planck/Shimizu (HvJ EU 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:874) en Kreuziger/Land Berlin (HvJ EU 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:872, ), dat als de werkgever de werknemer niet daadwerkelijk in staat heeft gesteld de vakantiedagen op te nemen door de werknemer daarover en over de gevolgen van het niet opnemen te informeren, de aanspraak op vakantiedagen niet kan vervallen. [rechthebbende] heeft onbetwist gesteld dat niet aan deze informatieplicht is voldaan. Bij die stand van zaken zijn de wettelijke vakantie-uren niet vervallen. De vakantie-uren zijn voorts gevorderd binnen de verjaringstermijn van vijf jaar, zodat deze evenmin zijn verjaard.

4.17.

De conclusie is dat de vordering tot uitbetaling van de niet-genoten vakantie-uren zal worden toegewezen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de vakantie-uren opgebouwd op basis van een arbeidsomvang van twee uur per week. [rechthebbende] heeft het subsidiaire standpunt van CSU, dat dit leidt tot een bedrag van € 762,84 bruto, niet weersproken. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Wettelijke rente / buitengerechtelijke incassokosten / proceskosten / wettelijke verhoging

4.18.

De wettelijke rente over het niet uitbetaalde loon en de uit te betalen vakantiedagen, zal worden toegewezen als gevorderd. CSU heeft haar standpunt om de wettelijke rente slechts toe te wijzen vanaf de datum van de uitspraak dan wel de dag van de dagvaarding, niet onderbouwd en dat standpunt wordt dan ook gepasseerd.

4.19.

[rechthebbende] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt voorts vast dat [rechthebbende] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 519,56.

4.20.

De wettelijke verhoging zal worden toegewezen. Deze zal worden gematigd tot 20%, nu CSU gelet op het eerste deskundigenoordeel van het UWV van 12 augustus 2016 een bepleitbaar standpunt had het loon niet door te betalen.

4.21.

CSU zal worden veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief. De kantonrechter volgt [rechthebbende] niet in haar stelling dat het verweer van CSU evident onjuist was. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om CSU te veroordelen in de volledige proceskosten.

4.22.

CSU zal tot slot worden veroordeeld tot het verstrekken van de gevorderde loonspecificaties. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan die verplichting een dwangsom te verbinden, nu ervan wordt uitgegaan dat CSU aan die verplichting zal voldoen.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt CSU:

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [rechthebbende] te voldoen een bedrag van € 2.281,06 (bruto) aan achterstallig loon vanaf 24 juni 2016, vermeerderd met de wettelijke verhoging (met een maximum van 20%), en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste dag van de maand waarin de respectievelijke loonbedragen betaald hadden dienen te worden tot de dag van algehele voldoening;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [rechthebbende] te voldoen een bedrag van € 762,84 (bruto) ter zake niet opgenomen vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke verhoging (met een maximum van 20%), en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

- deugdelijke loonspecificaties te verstrekken aan [rechthebbende] over de bedragen genoemd in eerste twee gedachtestreepjes;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [rechthebbende] te voldoen een bedrag
van € 519,56 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

- in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [rechthebbende] vastgesteld op € 789,47, waarvan € 600,00 als het aan de gemachtigde van eisende partij toekomende salaris;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D.E. Alink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2020.