Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13887

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
C/09/584990 / HA ZA 19-1265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van in samenlevingsovereenkomst vervatte verplichting tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud na einde van de samenwoning. Uitleg. Heeft eiser voldoende concreet onderbouwd dat hij geheel of gedeeltelijk niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team familie

zaaknummer / rolnummer: C/09/584990 / HA ZA 19-1265

Vonnis van 23 september 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] , te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat: mr. N.M. Zeeman, te Zoetermeer,

TEGEN

[gedaagde] , te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat: mr. M.E. Kreber, te Zoetermeer.

Partijen worden hierna “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]” genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 december 2019, met producties,

  • -

    het B2-formulier van 23 december 2019 van de zijde van [gedaagde],

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 26 februari 2020, met producties,

  • -

    het faxbericht van 10 april 2020 van [eiser],

  • -

    het faxbericht van 14 april 2020 van [gedaagde],

  • -

    de akte uitlaten ten behoeve van schriftelijke afdoening van 7 mei 2020 van [eiser], met nadere producties,

  • -

    de akte in het geding brengen producties van 8 mei 2020 van [gedaagde], met nadere producties, en

  • -

    de antwoordakte van 6 juli 2020 van [eiser], met nadere producties.

1.2.

Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak af te doen zonder comparitie na antwoord. Vervolgens is de datum voor vonnis bepaald op 14 oktober 2020.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

Partijen hebben een langdurige affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Uit die relatie zijn twee kinderen geboren, die inmiddels meerderjarig zijn.

2.2.

Op 5 november 1997 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten (hierna verder te noemen: de samenlevingsovereenkomst). Daarin is, voor zover nu van belang, het volgende bepaald:

VI. EINDE VAN DE SAMENWONING

De samenwoning eindigt door:

a. beëindiging in onderling overleg;

b. opzegging door de één aan de ander bij aangetekende brief of en deurwaardersexploit, per de datum zoals vermeld in die brief of dat exploit, welke datum niet kan liggen voor de datum van het schrijven of het exploit;

c. het overlijden van één van hen.

[…]

XI. VERPLICHTING TOT LEVENSONDERHOUD

Indien de samenleving wordt beëindigd kunnen partijen jegens elkaar aanspraak maken op een uitkering tot levensonderhoud.

Er bestaat aanspraak voor een uitkering:

a. […]

b. ten behoeve van een partij indien een partij niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud. De hoogte van deze uitkering dient te worden vastgesteld aan de hand van de zogenaamde Trema-norm of de daarvoor in de plaats getreden regeling. De duur van deze verplichting dient in onderling overleg te worden vastgesteld en bij gebreke van overeenstemming door de rechter met dient verstande dat de maximale duur is vastgesteld op twaalf jaar. Indien de partij die een uitkering tot levensonderhoud ontvangt, trouwt of hernieuwd gaat samenwonen danwel een voldoende inkomen verwerft om in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien, vervalt de hier onder b. genoemde verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud.

Een op grond van dit artikel verstrekte of te verstrekken uitkering tot levensonderhoud kan bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken. Het bepaalde in Titel 17 van Boek 1, zoals dit thans geldt, is van overeenkomstige toepassing.”

2.3.

Partijen zijn sinds 2006 gezamenlijk eigenaar van de woning aan het adres [adres] (hierna verder te noemen: de woning).

2.4.

In mei 2016 is de affectieve relatie tussen partijen verbroken.

2.5.

Bij aangetekende brief van 20 augustus 2018 heeft [gedaagde] de samenlevingsovereenkomst beëindigd per 1 september 2018.

2.6.

Tussen partijen zijn twee andere procedures aanhangig geweest bij deze rechtbank: (i) een kort geding procedure dat is uitgemond in het vonnis van de voorzieningenrechter 18 december 2019 (C/09/581965 / KG ZA 19/1023), waarin [gedaagde] is veroordeeld tot betaling van een (voorlopige) bijdrage aan [eiser] van € 1.015,-- netto per maand met ingang van 15 oktober 2019, alsmede waarin is bepaald dat [gedaagde] gerechtigd is tot gebruik van de woning op maandagavond tussen 19.00 uur en 21.00 uur; en (ii) een bodemprocedure waarin [gedaagde] onder meer verdeling van de woning alsmede een gebruiksvergoeding ten aanzien van de woning heeft gevorderd, dat is uitgemond in het vonnis van 25 maart 2020 (C/09/569758 / HA ZA 19-253), waarin onder meer de verdeling van de woning is vastgesteld en de door [gedaagde] gevorderde gebruiksvergoeding is afgewezen.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.722,97 netto per maand, te bruteren, met ingang van 20 augustus 2018, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van haar verplichting op grond van artikel XI van de samenlevingsovereenkomst tot betaling aan [eiser] van een uitkering tot zijn levensonderhoud.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] te betalen een gebruiksvergoeding van € 600,- per maand met ingang van 20 augustus 2018, althans een door de rechtbank te bepalen vergoeding en een ingangsdatum, zulks tot aan de verkoop en levering van de woning, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.6.

Hieraan legt [gedaagde] samengevat ten grondslag dat zij als gevolg van de uitspraak van de voorzieningenrechter het gebruiksgenot van de woning mist en bovendien geen overwaarde kan incasseren, zodat [eiser] aan haar een vergoeding dient te betalen overeenstemmende met de netto lasten van het aandeel van [gedaagde] in de kosten van de woning, verhoogd met een fictief rendement op het vermogen van [gedaagde] dat vast zit in de woning.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] tegen de vordering van [eiser] in conventie is dat een aanspraak op een uitkering tot levensonderhoud volgens de samenlevingsovereenkomst alléén bestaat indien de desbetreffende partij – hier: [eiser] – ‘niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud’, een situatie die zich volgens [gedaagde] in dit geval niet voordoet.

4.2.

De vraag die daarmee in de eerste plaats ter beantwoording voorligt, is of uit artikel XI van de samenlevingsovereenkomst een verbintenis voor [gedaagde] voortvloeit tot verstrekking van een uitkering tot levensonderhoud aan [eiser]. Bij een bevestigende beantwoording hiervan komt de rechtbank toe aan een beoordeling van de behoefte van [eiser] en de draagkracht van [gedaagde]. Indien de vraag ontkennend moet worden beantwoord, stuit de vordering in conventie reeds daarop af.

4.3.

[eiser] voert in dit verband – samengevat – het volgende aan. Na de geboorte van de kinderen heeft [eiser] altijd de volledige zorgtaken gedragen en zijn eigen carrière en wensen opzijgezet om [gedaagde] in staat te stellen om als kostwinner fulltime aan haar carrière te werken. [gedaagde] heeft [eiser] altijd voorgehouden dat het financieel niet nodig was voor hem om te gaan werken omdat hij de zorg over de kinderen droeg en [gedaagde] in de toekomst een aanzienlijke erfenis verwachtte. Toen de oudste dochter van partijen op haar vijftiende psychische klachten ondervond (circa 2012), was het afbouwen van de zorgtaken van [eiser] in ieder geval niet (meer) mogelijk. Al voor het beëindigen van de relatie tussen partijen is [eiser] begonnen met vrijwilligerswerk en nadien heeft hij een eigen onderneming opgericht die zich bezig houdt met het schrijven van internetteksten en het begeleiden van studenten met hun scripties en studieopdrachten. Hiermee genereert [eiser] een klein inkomen (over de maanden januari tot en met maart 2019 een totale bruto omzet van € 818,- per maand). In weerwil hiervan is hij niet in staat om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. [eiser] heeft psychisch flink geleden onder de beëindiging van de relatie. In 2011 heeft hij zich gewend tot een psycholoog voor een behandeling van twintig sessies. Sinds 2013 wordt hij intensief begeleid door deze psycholoog. Vanaf december 2014 wordt [eiser] ook ondersteund door een haptonoom. Uit de overgelegde verslagen van deze behandelaars blijkt dat [eiser] met name op het gezin gericht was en kampte met klachten die hem toen en nu ernstig belemmeren in het dagelijkse leven. Onder begeleiding van de psycholoog en de haptonoom heeft [eiser] gewerkt aan het verkleinen van zijn afstand tot de arbeidsmarkt, maar zijn herstel wordt ernstig gehinderd door de wijze waarop [gedaagde] zich opstelt, waaronder het terugonderhandelen na gemaakte afspraken en haar passief-agressief gedrag in de woning. [eiser] heeft zijn maximale verdiencapaciteit bereikt. Het is evident dat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. De behoefte van [eiser] aan een bijdrage in zijn levensonderhoud was ook voor de voorzieningenrechter in de tussen partijen gevoerde kort gedingprocedure evident, aldus steeds [eiser].

4.4.

[gedaagde] betwist dat [eiser] niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Zij licht die betwisting – kort gezegd – als volgt toe. Na de geboorte van hun eerste dochter in 1997 was er voor twee dagen gastouderopvang en op de woensdag was [gedaagde] thuis. Deze situatie is voortgezet toen de tweede dochter van partijen geboren werd, zodat [eiser] steeds de mogelijkheid behield om te werken. Toen [eiser] in 2003 onmin kreeg met de oppas en zijn werkzaamheden verder afnamen, is de opvang afgebroken en nam [eiser] een groter deel van de zorg op zich. Echter, ook toen de kinderen naar school gingen en er mogelijkheden ontstonden om zijn werkzaamheden op te pakken danwel uit te breiden, deed hij dat niet. In plaats daarvan intensiveerde hij zijn bemoeienis met de kinderen, zodanig dat de kinderen hier last van kregen. Uiteindelijk hebben de kinderen het contact met [eiser] (nagenoeg) volledig verbroken en zijn zij hun eigen weg gegaan. Volgens [gedaagde] vormt de passieve houding van [eiser] ten aanzien van zijn werk en participatie op de arbeidsmarkt al vele jaren een onderwerp van discussie tussen partijen. Het is in ieder geval niet zo dat [eiser] afhankelijk was van [gedaagde] als gevolg van een door hen samen gekozen rollenpatroon. [eiser] kon in elke fase van hun relatie en later gedurende de (op handen zijnde) scheidingsprocedure, zelf actie ondernemen om inkomen te verwerven. Hij weet al sinds 2013 dat een relatiebreuk tussen partijen dreigt en dat hij – in ieder geval sinds de scheidingsmelding vier jaar geleden – rekening diende te houden met de situatie dat hij een eigen bestaan moest opbouwen. Hij heeft een goede opleiding (fiscaal recht) en mogelijkheden om met zijn kennis aan het werk te gaan, maar hij verkoos om thuis te zitten en nauwelijks iets te ondernemen, zeer tegen de wens van [gedaagde] in. De stelling van [eiser] dat hij beperkt is in zijn toegang tot de arbeidsmarkt is niet genoegzaam onderbouwd. Daarnaast laat hij na te motiveren waarom zijn inspanningen een gering jaarresultaat opleveren, alsmede om te laten zien dat hij pogingen doet om regulier betaald werk te krijgen, aldus steeds [gedaagde].

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.

Naar vaste rechtspraak dient de uitleg van de bepalingen in de samenlevingsovereenkomst te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf, waarbij ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie onder meer Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303).

4.7.

Artikel XI, aanhef en onder b, van de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat er aanspraak bestaat ‘voor een uitkering: […] ten behoeve van een partij indien een partij niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud’. Naar het oordeel van de rechtbank lenen deze bewoordingen zich niet voor een andere uitleg dan dat het niet in staat zijn te voorzien in het levensonderhoud door de ene partij als een voorwaarde geldt voor het ontstaan van een verbintenis voor de andere partij tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud, waarbij de bewoordingen ‘niet in staat’ mede de situatie omvatten dat één van de partijen gedeeltelijk niet in staat is te voorzien in zijn of haar levensonderhoud. Omstandigheden op grond waarvan een andere betekenis aan de bepaling moet worden gehecht, zijn gesteld noch gebleken. Bij die stand van zaken kan [eiser] alleen aanspraak maken op de door hem gevorderde uitkering, indien in deze procedure komt vast te staan dat hij geheel of gedeeltelijk niet in staat is te voorzien in zijn levensonderhoud.

4.8.

Ingevolge artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering rust op [eiser] ter zake een stelplicht, aangezien hij een beroep doet op de rechtsgevolgen van de door hem ingeroepen bepaling uit de samenlevingsovereenkomst. Dit betekent dat hij alle feiten dient te stellen die in dat verband benodigd zijn en daarnaast deze feitelijke stellingen voldoende concreet dient te onderbouwen.

4.9.

Aan het betoog van [eiser] dat het evident is dat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien, ligt de veronderstelling ten grondslag dat zijn psychische problematiek hem volledig belemmert om inkomsten te verwerven. Dat die veronderstelling niet juist kan zijn, volgt reeds uit het gegeven dat [eiser], naar hij zelf stelt, op dit moment inkomsten uit onderneming genereert. De (beperkte) omvang van die inkomsten laat onverlet dat hij kennelijk in staat is om, in weerwil van zijn psychische klachten, maandelijks inkomsten te genereren. Het standpunt dat [eiser] op grond van zijn psychische problematiek geen enkele verdiencapaciteit kan worden toegekend, kan in dit licht naar het oordeel van de rechtbank niet worden volgehouden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, waar [eiser] wijst op bepaalde passages uit het hiervoor genoemde vonnis in kort geding, hij daarmee miskent dat die procedure betrekking heeft op een ordemaatregel, terwijl er in deze procedure een beoordeling ten gronde plaatsvindt van de rechtsverhouding tussen partijen uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst.

4.10.

Voor zover [eiser] betoogt dat hij door zijn psychologische problematiek gedeeltelijk/overwegend niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien, geldt het volgende. [eiser] beroept zich in dit verband met name op het recente verslag van de psycholoog W.J.M. Landman van 6 mei 2020 (productie 15 zijdens [eiser]) en het verslag van haptonoom H. Muntinga van 16 februari 2020 (productie 16 zijdens [eiser]). Hoewel op grond van de bevindingen van de behandelaars voor de rechtbank volstrekt duidelijk is dat [eiser] kampt met psychische klachten – in bepaalde gevallen zelfs sinds zijn studietijd – en dat die klachten mogelijk kunnen toenemen als gevolg van de afwikkeling van de beëindiging van de relatie tussen partijen, kan uit de overgelegde verslagen echter niet worden opgemaakt dat [eiser] bepaalde werkzaamheden wel of niet zou kunnen verrichten. Nu [eiser] volgens hemzelf inkomsten uit onderneming genereert, had het in ieder geval op zijn weg gelegen om inzichtelijk te maken hoe zijn klachten zich verhouden tot de werkzaamheden die hij kennelijk al enige tijd verricht. Voor zover van een beperking van [eiser] verdiencapaciteit uit moet worden gegaan, is in deze procedure in het geheel niet (arbeidsdeskundig) onderbouwd om welke beperking het gaat, aan welke klachten die beperking gerelateerd is en welke gevolgen die beperking heeft voor de werkzaamheden die [eiser] nu al verricht en werkzaamheden die hij nog zou kunnen verrichten. Ook dat had op [eiser] weg gelegen, te meer uit het hiervoor genoemde verslag van de psycholoog kan worden afgeleid dat [eiser] in oktober 2019 bezig was om vrijwilligerswerk om te zetten in betaald werk, hij op vacatures had gereageerd en dat hij steeds meer scripties begeleidde.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser], in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij niet (gedeeltelijk) in staat is om in zijn levensonderhoud te voldoen. Daarmee bestaat er geen contractuele aanspraak op een uitkering tot levensonderhoud jegens [gedaagde] op grond van de samenlevingsovereenkomst. De vordering van [eiser] in conventie ligt daarmee voor afwijzing gereed.

In reconventie

Gebruiksvergoeding

4.12.

[gedaagde] vordert in reconventie in de eerste plaats een gebruiksvergoeding in verband met de woning.

4.13.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in de hiervoor onder rechtsoverweging 2.6 genoemde bodemprocedure een gebruiksvergoeding heeft gevorderd van € 1.000 per maand, althans een redelijke vergoeding. Blijkens rechtsoverweging 4.9 en het dictum van het vonnis van 25 maart 2020 heeft de rechtbank die vordering afgewezen. Hoewel [eiser] in deze procedure, voor zover de rechtbank bekend, geen beroep heeft gedaan op het gezag van gewijsde van de hiervoor genoemde en in een vonnis vervatte beslissing, en het gezag van gewijsde niet ambtshalve dient te worden toegepast (artikel 236, derde lid, Rv), is de rechtbank van oordeel dat de gebruiksvergoeding die [gedaagde] in deze procedure in reconventie heeft gevorderd niet voor toewijzing vatbaar is. Een andersluidende uitkomst zou immers het risico in het leven roepen van verschillende of zelfs tegenstrijdige gewijsden, een risico dat naar het oordeel van de rechtbank in het belang van partijen en het algemeen belang dient te worden vermeden. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

Proceskosten

4.14.

[gedaagde] heeft in reconventie voorts veroordeling gevorderd van [eiser] in de proceskosten. De rechtbank zal die vordering afwijzen. Partijen hebben een langdurige affectieve relatie met elkaar gehad. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

wijst de vordering af;

In reconventie

5.2.

wijst de vorderingen af;

5.3.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Avendaño Canto en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.