Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13886

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
NL20.21107
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pv mondelinge usp, Dublin, Spanje, ISV, coronacrisis, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21107

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen - Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.21108 , plaatsgevonden op 22 december 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Spanje op grond van de Dublinverordening1 verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

3. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser in de gronden verwijst naar wat in de zienswijze naar voren is gebracht. Verweerder is hier in het bestreden besluit uitvoerig en gemotiveerd op ingegaan. Omdat eiser deze gronden in beroep niet nader heeft aangevuld en ook niet uitlegt waarom volgens hem die motivering in het bestreden besluit onjuist is, kan de verwijzing naar de zienswijze in beroep de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

4. Eiser voert verder aan dat, vanwege de coronacrisis, de overdracht aan Spanje niet op korte termijn zal plaatsvinden. Gelet daarop heeft het geen zin om de gehele overdrachtstermijn van zes maanden, zoals staat opgenomen in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, af te wachten. Doordat verweerder eiser toch een Dublinprocedure laat doorlopen en eiser claimt bij Spanje is sprake van détournement de pouvoir, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 20202 volgt dat het coronavirus een tijdelijk, feitelijk beletsel is voor de overdracht van, in dit geval, eiser aan Spanje. Dit doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit over vaststelling van de voor de behandeling van de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat. In de onderhavige procedure verstrijkt de uiterste overdrachtsdatum op 20 mei 2021. Er is dus nog een periode waarin eiser zou kunnen worden overgedragen aan Spanje. Dat deze termijn niet gehaald gaat worden acht de rechtbank onzeker, althans de rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat op voorhand duidelijk is dat die termijn door verweerder niet gehaald kan worden. Te meer nu er volgens informatie van verweerder vanaf 1 juli 2020 weer overdrachten hebben plaatsgevonden naar Spanje. De rechtbank ziet in de Dublinverordening geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onder dergelijke omstandigheden niet de gehele overdrachtstermijn van zes maanden (zoals staat opgenomen in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening) mag gebruiken om eiser over te dragen. Van détournement de pouvoir is, gezien het voorgaande, ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020 door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

2 ECLI:NL:RVS:2020:1032.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

22 december 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.