Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13877

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6749
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de beslistermijn niet rechtsgeldig verlengd. Eisers hebben verweerder niet onredelijk laat in gebreke gesteld. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat eisers recht hebben op de maximale dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6749

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J. de Vet),

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. A.D. Bouwman).

Procesverloop

Bij besluit verzonden op 19 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een dwangsom aan eisers toe te kennen wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

Bij besluit verzonden op 12 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een video-verbinding (Skype) plaatsgevonden op 5 november 2020. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers hebben op 30 maart 2017 een verzoek om tegemoetkoming in planschade ingediend. Bij besluit van 28 november 2017 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eisers hebben op 5 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eisers hebben verweerder op 21 januari 2019 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op dit bezwaar en verweerder verzocht binnen veertien dagen een besluit op hun bezwaar te nemen. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd een dwangsom aan eisers toe te kennen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen. [eiser] heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar op 8 maart 2018 uitdrukkelijk ingestemd met verlenging van de beslistermijn tot zes weken na het uitbrengen van het advies van de Onafhankelijke Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Krimpenerwaard (de Commissie). Verweerder heeft dit advies op 27 februari 2019 ontvangen. Volgens verweerder betekent dit dat uiterlijk zes weken daarna, op 10 april 2019, een besluit op bezwaar genomen moest worden. Nu de beslistermijn ten tijde van de ingebrekestelling nog niet was verstreken, is verweerder van mening dat geen dwangsom aan eisers is verschuldigd.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en betwisten dat tijdens de hoorzitting een afspraak is gemaakt over verlenging van de beslistermijn tot zes weken na het uitbrengen van het advies. Tijdens de hoorzitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder hierover volgens eisers een opmerking gemaakt, die door de voorzitter van de Commissie niet is herhaald. De voorzitter had deze opmerking volgens eisers niet mogen laten passeren en de formulering ervan moeten aanpassen. Zij had zich er in ieder geval van moeten vergewissen dat [eiser] begreep waar hij mee instemde. De Commissie is niet ingegaan op de brief van eisers van 14 juni 2019, waarin dit aan de orde is gesteld. Eisers stellen verder, samengevat weergegeven, dat het niet mogelijk is een beslistermijn afhankelijk te stellen van het moment waarop een onafhankelijke commissie advies uitbrengt, omdat de datum van dat advies ongewis is. Tot slot had het volgens eisers in de rede gelegen om de gemachtigde van eisers na de hoorzitting – waarbij hij niet aanwezig was – te vragen om schriftelijk in te stemmen met verlenging van de beslistermijn.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.2.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bedraagt de termijn voor het beslissen op een bezwaarschrift zes weken of, indien een commissie wordt ingeschakeld, twaalf weken, te rekenen vanaf de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken. Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen. Op grond van het vierde lid is verder uitstel mogelijk voor zover:

  1. alle belanghebbenden daarmee instemmen,

  2. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of

  3. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

Op grond van het vijfde lid doet het bestuursorgaan, indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

4.3.

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.

In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Op grond van het zesde lid, aanhef en onder a, is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.

Uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat artikel 4:17 van de Awb ook van toepassing is op besluiten op bezwaar.

5. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld tegen – onder meer – een besluit als bedoeld in artikel 7:10, tweede, derde of vierde lid, van de Awb. Hieruit leidt de rechtbank af dat uitstel met instemming van alle belanghebbenden in de zin van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb alleen door het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden verleend. In het primaire besluit staat dat toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 7:10, vierde lid, onder b, van de Awb. Niet is gebleken dat aan deze mededeling een besluit ten grondslag ligt. Het enkele verzoek van verweerder tijdens de hoorzitting in bezwaar om de beslistermijn te verlengen, kan niet als besluit worden aangemerkt. Evenmin is gebleken van een dergelijk besluit door de (voorzitter van de) Commissie, nog daargelaten of deze tot het nemen van een dergelijk besluit bevoegd was. Bovendien heeft verweerder geen schriftelijke mededeling van uitstel van de beslissing op bezwaar conform artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de termijn waarbinnen op het bezwaar moest worden beslist, niet rechtsgeldig verlengd is. Deze termijn liep af op 3 april 2018. Aan de omstandigheid dat verweerder bij besluit verzonden op 19 maart 2019 de termijn om te beslissen op het planschadeverzoek andermaal heeft willen verlengen kan geen betekenis worden toegekend, nu de termijn om te beslissen op dat verzoek toen reeds was verstreken. Verweerder heeft eerst op 26 september 2019 een besluit op bezwaar genomen en daarmee niet tijdig op het bezwaar van eisers beslist.

5.1

De vraag ligt vervolgens voor of eisers verweerder onredelijk laat in gebreke hebben gesteld als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en neemt hierbij in overweging dat eisers en hun gemachtigde lopende de verzuimtermijn per e-mail op 31 augustus 2018 en 16 november 2018 bij verweerder hebben geïnformeerd naar de stand van zaken. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat meermaals telefonisch en per e-mail contact met verweerder is opgenomen, hetgeen niet betwist is door verweerder. Pas na herhaaldelijk informeel aandringen op besluitvorming en overleg met verweerder, is besloten verweerder in gebreke te stellen. [eiser] heeft voorts ter zitting toegelicht dat het onderliggende verzoek om tegemoetkoming in planschade complex was en dat voor een besluit hierop adviezen van deskundigen benodigd waren. Omdat eisers een zorgvuldig besluit wilden, hadden zij er tegen die achtergrond begrip voor dat het besluit wat langer op zich liet wachten.

5.2.

Eisers hebben verweerder op 21 januari 2019 in gebreke gesteld. Nu de termijn van de ingebrekestelling op 4 februari 2019 is verstreken en verweerder niet voor of op deze datum heeft beslist, is verweerder een dwangsom verschuldigd. Aangezien verweerder niet binnen 42 dagen na 4 februari alsnog een besluit heeft genomen, heeft verweerder de maximale dwangsom verbeurd.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de hoogte van de dwangsom vast te stellen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2 hebben eisers recht op de maximale dwangsom, vastgesteld conform artikel 4:17, tweede lid, van de Awb. Verweerder dient daarom € 1.442,- aan eisers te betalen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom is verschuldigd ten bedrage van
    € 1.442,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van
    € 2.100-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 178,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.