Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13875

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7964
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Verweerder heeft een nieuw besluit genomen en eisers WIA-uitkering heropend. De ingangsdatum is juist vastgesteld op de dag waarop eiser zich voor het eerst weer bij verweerder heeft gemeld. Beroep tegen bestreden besluit I gegrond en tegen bestreden besluit II ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7964


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Stevers),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Puister).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 22 juli 2019 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twee maanden na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het besluit van 25 oktober 2018 (bestreden besluit I) te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 13 december 2019 (bestreden besluit II). Daarbij heeft hij het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard en de WIA-uitkering van eiser per 22 mei 2017 heropend op basis van volledige arbeidsongeschiktheid.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft via video-verbinding (Skype) plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Voor de relevante feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de tussenuitspraak, volstaat de rechtbank op deze plaats met een verwijzing naar die tussenuitspraak.

1.2

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

1.3

In de tussenuitspraak is de rechtbank - kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat bestreden besluit I gebrekkig is gemotiveerd. Verweerder heeft ten onrechte aan dit besluit ten grondslag gelegd dat het verzoek om heropening van de uitkering te laat is gedaan. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het besluit te herstellen.

1.4

Verweerder heeft vervolgens het verzoek van eiser inhoudelijk beoordeeld en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen op 13 december 2019. Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard en de WIA-uitkering van eiser per 22 mei 2017 heropend op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Hierbij heeft verweerder zich gebaseerd op het onderzoeksrapport van 15 november 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waaruit volgt dat eiser op medische gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht.

1.5

Omdat verweerder bij de nieuwe beslissing op bezwaar bestreden besluit I heeft herzien maar dit besluit niet heeft ingetrokken, moet het hiertegen gerichte beroep van eiser gegrond worden verklaard.

1.6

De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit II niet geheel tegemoet komt aan het beroep van eiser, namelijk voor wat betreft de ingangsdatum van de heropende WIA-uitkering. Daarom wordt het beroep op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.

2.1

In geschil is thans nog de vraag of verweerder de WIA-uitkering van eiser terecht pas met ingang van 22 mei 2017 heeft heropend.

2.2

Eiser voert aan dat de uitkering met terugwerkende kracht per

1 oktober 2010 moet worden heropend. Hij is vanaf die datum onafgebroken arbeidsongeschikt geweest zodat duidelijk is dat er vanaf dat moment recht op een WIA-uitkering bestaat. Eiser stelt zich op het standpunt dat de schending van de informatieplicht hem niet kan worden verweten. Ten eerste heeft de brief van 24 juni 2011 waarin verweerder eiser wijst op de noodzaak om wijzigingen door te geven, hem nooit bereikt omdat hij toen al niet meer op dat adres woonde. Eiser wijst erop dat hij de brief van verweerder van 30 juni 2011 (om dezelfde redenen als de eerdere brief van 24 juni 2011) niet heeft ontvangen en daarom geen bezwaar heeft kunnen maken tegen het besluit tot beëindiging van de uitkering.

Ten tweede was eiser gelet op zijn psychische toestand bovendien niet in staat om zijn belangen naar behoren waar te nemen. Om diezelfde reden kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet eerder contact met verweerder heeft opgenomen.

2.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de WIA-uitkering niet eerder dan per de datum melding, 22 mei 2017, kon worden heropend nu de regeling waarop de heropening is gebaseerd geen hardheidsclausule kent. Eisers stelling dat hij gelet op zijn psychische toestand niet in staat was een adreswijziging door te geven, kan daarom geen rol spelen. Verweerder kan niet worden tegengeworpen dat brieven naar het laatst bekende adres worden verstuurd als geen adreswijzigingen worden doorgegeven. Volgens vaste rechtspraak wordt een besluit dat naar het laatst bekende adres van een betrokkene wordt verzonden, geacht op de juiste wijze te zijn bekendgemaakt.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Ter zitting is naar voren gekomen dat eiser niet betwist dat het besluit van 30 juni 2011, waarbij de uitkering werd beëindigd, op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat tegen dit besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat dit besluit in rechte vast is komen te staan. Daarmee is komen vast te staan dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling of sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht en laat de beroepsgronden die hierop betrekking hebben, buiten bespreking.

3.2

Op grond van artikel 6 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (de Beleidsregels) wordt, indien een verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen voldoet en om toekenning (hervatting) van uitkering vraagt, dit opgevat als een verzoek om terug te komen van de intrekkings- of herzieningsbeschikking. De uitkering wordt niet eerder hervat dan met ingang van de dag waarop de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

3.3

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2014 (CRvB 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4215), volgt dat de Beleidsregels kwalificeren als buitenwettelijk begunstigend beleid alsmede dat dergelijk beleid door de bestuursrechter op grond van vaste rechtspraak terughoudend dient te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, maar dat wel wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. De vraag of buitenwettelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb is daarom niet aan de orde.

3.4

Gelet op artikel 6 van de Beleidsregels heeft verweerder terecht beslist dat de uitkering niet eerder kan worden hervat dan met ingang van de dag waarop eiser zich voor het eerst weer bij verweerder heeft gemeld, op 22 mei 2017. Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat de Beleidsregels geen hardheidsclausule bevatten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het beleid op consistente wijze heeft toegepast. Uit het onder 3.3 weergegeven toetsingskader volgt, dat niet kan worden getreden in de vraag of de toepassing van het beleid in het geval van eiser onredelijk is.

4. De rechtbank komt gezien het voorgaande tot de conclusie dat het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond is.

5.1

Met betrekking tot de proceskosten constateert de rechtbank dat verweerder in bestreden besluit II een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure heeft toegekend. Het verzoek van eiser dat hierop ziet, behoeft daarom niet meer te worden beoordeeld.

5.2

Nu het beroep tegen bestreden besluit I gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor het beroep tegen bestreden besluit I. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder aan eiser de reiskosten van € 14,40 voor de reis naar de rechtbank voor de zitting van 3 juli 2019 te vergoeden. De kosten die betrekking hebben op de werkzaamheden die zijn verricht na het nemen van het bestreden besluit II blijven buiten beschouwing, nu het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond zal worden verklaard.

6. Omdat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaart, bepaalt zij tevens dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I gegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.064,40;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.