Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1384

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
NL20.2057
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA, kennelijk ongegrond, homoseksualiteit ongeloofwaardig geacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2057


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Griffioen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Vw 2000. Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.2058, plaatsgevonden op 11 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. ten Cate. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Moldavische nationaliteit.

1.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser eerder, op 22 mei 2019, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland heeft ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 26 augustus 2019 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is vervolgens naar Frankrijk vertrokken. Op 15 november 2019 is eiser vanuit Frankrijk overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten.

1.2.

Eiser heeft op 15 november 2019 een (opvolgende) asielaanvraag ingediend. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en om die reden problemen verwacht bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Ook heeft eiser verklaard dat hij problemen verwacht, omdat hij wordt gezocht door de maffia vanwege een geldlening voor de begrafenis van zijn moeder, die hij niet kan terugbetalen. De politie in Moldavië kan hem hiertegen niet beschermen.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit en nationaliteit en herkomst;

- de homoseksuele geaardheid van eiser;

- de problemen ten gevolge van de homoseksuele geaardheid;

- de problemen met de maffia vanwege openstaande lening.

Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, maar eisers gestelde homoseksuele geaardheid, de problemen ten gevolge daarvan, alsmede de problemen met de maffia vanwege een openstaande lening niet. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser slechts summier, oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard over zijn persoonlijke ervaringen. Over de problemen met de maffia heeft eiser inconsistente en ongerijmde verklaringen afgelegd die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van dit relevante element. Verweerder heeft de aanvraag verder afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser, waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan. Ook heeft eiser verklaringen afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn waardoor die verklaringen alle overtuigingskracht missen. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal de rechtbank hierna ingaan.

4. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef onder d en e, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

d. de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan;

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op de zienswijze van eiser ingegaan. Eiser heeft met de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom.

5.1.

Eiser voert verder aan dat hij voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoels- en gedachtewereld. Hij heeft aangegeven dat zijn homoseksualiteit een groeiproces is geweest. Eiser heeft altijd gevoelens gehad voor mannen. Hoewel hij in het verleden ook gevoelens heeft gehad voor vrouwen, is hij thans niet biseksueel meer. Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtewereld niet voldoende gemotiveerd. Verder voert eiser aan dat het te wijten is aan een taalbarrière dat hij geen contact heeft gezocht met LHBTI organisaties in Nederland. Dat hij in Moldavië geen contacten heeft gehad is te wijten aan het taboe dat er in dat land rust op homoseksualiteit en in het bijzondere onder de Romabevolkingsgroep waartoe eiser behoort. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.

6. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd en zorgvuldig tot stand is gekomen en overweegt daartoe als volgt.

6.1.

Het is op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan eiser om zijn homoseksualiteit en het daarbij behorende bewustwordingsproces aannemelijk maken. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksualiteit gebruik gemaakt van Werkinstructie 2018/9. In deze werkinstructie wordt aan de hand van thema’s (privéleven, huidige en voorgaande relaties, contact met LHBT’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst) beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid kan worden uitgegaan. De thema’s worden in samenhang beoordeeld. Het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas in het algemene beeld passen. Dit geldt te meer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel is of strafbaar is gesteld. Het gaat er daarbij om dat de asielzoeker zoveel mogelijk een authentiek verhaal vertelt. De vreemdeling moet in staat worden gesteld om op zijn eigen niveau uitleg te geven. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het referentiekader (opleidingsniveau, cultuur, levensfase, etc.) van de vreemdeling. Dit is immers een algemeen uitgangspunt bij het behandelen en beoordelen van asielaanvragen.

6.2.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat verweerder de vaste gedragslijn zoals hiervoor omgeschreven heeft toegepast en de geloofwaardigheidsbeoordeling conform deze gedragslijn heeft verricht.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig geacht. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser over zijn privéleven en over de wijze waarop hij zijn seksuele geaardheid heeft beleefd en ontdekt slechts summier, oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard. Eiser blijft steken in seksueel getinte verklaringen waarmee hij geen inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens. Bovendien heeft verweerder mogen overwegen dat eiser inconsistente en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd. Verweerder heeft dit bevreemdend mogen achten. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser niet in staat is gebleken om dieper inzicht te verschaffen in zijn persoonlijke beleving van zijn seksuele geaardheid. Van eiser mag worden verwacht dat hij hierover concreter en gedetailleerder kan verklaren.

De enkele stelling van eiser in beroep dat verweerder niet heeft aangegeven waarom eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn gevoels- en gedachtewereld leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst naar het bestreden besluit waarin verweerder uitvoerig heeft verwoord waarom eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn gevoels- en gedachtewereld. Met hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd heeft eiser dit niet weerlegd.

Verweerder heeft dan ook reeds gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie kunnen komen dat de gestelde seksuele gerichtheid en daarmee ook de daaropvolgende problemen ongeloofwaardig zijn.

Ook heeft verweerder gelet op eisers tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen over zijn problemen met de maffia vanwege de geldlening tot de conclusie kunnen komen dat ook deze problemen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser hiertegen in beroep niets heeft aangevoerd.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser kennelijk inconsequente en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor aan zijn verklaringen alle overtuigingskracht is ontnomen. Eiser heeft dit niet succesvol weerlegd. Reeds hierom heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen. Het betoog van eiser slaagt niet.

7.1.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij zich waarschijnlijk, te kwader trouw, heeft ontdaan van zijn paspoort. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit voldoende duidelijk gemotiveerd. Eiser heeft dit standpunt van verweerder in beroep niet betwist. Verweerder heeft eisers aanvraag om die reden terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.