Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13804

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
NL20.16086
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring eerste beroep, gronden te algemeen betwist, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16086

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Blaauw, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Ajdid. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Wegens technische problemen en met toestemming van eiser en zijn gemachtigde, heeft de zitting plaatsgevonden door middel van een audioverbinding, zonder dat de rechtbank in het detentiecentrum op beeld was.

Overwegingen

  1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.

  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich in het verleden weliswaar aan het toezicht heeft onttrokken, maar dat dit kwam door toedoen van verweerder. Eiser had namelijk geen plek in de opvang gekregen nadat zijn (strafrechtelijke) detentie was geëindigd, terwijl dit in verband met zijn asielaanvraag wel had gemoeten. Eiser heeft het gevoel dat het zich enige tijd aan het toezicht voor vreemdelingen onttrekken hem zwaar wordt aangerekend, dat dit door heeft gespeeld in de beslissing die op zijn asielaanvraag is genomen en dat dit ook de belangrijkste reden is dan aan hem een maatregel van bewaring is opgelegd. Volgens eiser vloeien de aan hem tegengeworpen gronden voort uit de zware grond 3b. Zowel de grond onder 3b, als de overige gronden kunnen hem daarom niet tegengeworpen worden.

4. De rechtbank is van oordeel dat eisers betwisting van de gronden te algemeen van aard is en niet specifiek ziet op de hem tegengeworpen gronden. Nu eiser de gronden niet gemotiveerd heeft betwist en deze feitelijk juist zijn, kunnen deze de maatregel dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

1. Artikel 5.1b, eerste, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

08 september 2020

Documentcode: DSR12663779

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.