Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13783

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
NL19.17171 en NL20.18033
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Afdeling heeft twee zaken van eiser teruggewezen naar de rechtbank. Met de kennis van nu had de opvolgende aanvraag er niet moeten zijn, omdat het asielmotief dat in de eerste procedure in beroep was opgeworpen bij die procedure betrokken had moeten worden. De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld. Verweerder heeft volgens de rechtbank de bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Dat de afvalligheid van de islam niet geloofwaardig is, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd. Dat eiser geen gevaar loopt bij terugkeer naar Sudan is gelet op het AAB daarom ook onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.17171 en NL20.18033


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.F. Verhaegh).


Procesverloop
Op 24 april 2015 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze afgewezen als ongegrond. Het beroep1 van eiser daartegen is ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in hoger beroep de zaak teruggewezen naar deze rechtbank.2 De opvolgende asielaanvraag van eiser van 21 september 2017 is eveneens afgewezen, als kennelijk ongegrond. De Afdeling heeft ook deze zaak in hoger beroep teruggewezen naar deze rechtbank.3

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020 en gaat over beide procedures. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft na de zitting op 2 december 2020 nog een stuk ingebracht. Gemachtigde heeft hierop nog gereageerd op 14 december 2020. Met toestemming van partijen is daarna zonder nadere zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

Procedureel: twee beroepszaken, een procedure. Wat nu?

1. De Afdeling heeft twee zaken van eiser naar deze rechtbank teruggestuurd.

2. In de eerste asielprocedure heeft eiser een nieuw asielmotief in de beroepsfase opgeworpen. In de eerste terugwijzing heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank alsnog moet onderzoeken of zijzelf en verweerder het asielmotief bij het beroep kunnen betrekken en zo ja, of dit moet leiden tot verlening van een asielvergunning. In de tweede terugwijzing heeft de Afdeling hiernaar verwezen en opgemerkt dat het onwenselijk is als in twee afzonderlijke procedures op hetzelfde asielmotief wordt beslist.

3. In de eerste procedure had de rechtbank geoordeeld dat het nieuwe asielmotief dat eiser pas in beroep had opgeworpen, niet meer mee werd genomen. Eiser had om die reden gelijk met het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak, ook een opvolgende aanvraag ingediend. Het gehoor opvolgende aanvraag en het besluit dat op de opvolgende aanvraag is genomen gaan over dat nieuwe asielmotief. Vervolgens heeft de Afdeling geoordeeld dat dit nieuwe asielmotief in de eerste procedure thuishoort en de eerste en tweede procedure naar de rechtbank teruggestuurd.

4. De rechtbank beschouwt daarom het besluit in de tweede procedure – dat over het nieuwe asielmotief gaat – als een aanvullend besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de eerste asielprocedure (hierna: het aanvullende besluit).

5. Dat heeft enige praktische gevolgen. Allereerst heeft verweerder op 23 oktober 2020 een verweerschrift ingediend dat ook ziet op het nieuwe asielmotief. De rechtbank kwalificeert dit als een verweerschrift ingebracht in de eerste procedure. Verder beschouwt de rechtbank alle bewijsstukken die eiser in de tweede procedure heeft ingebracht, als bewijsstukken die ook in de eerste procedure zijn ingebracht. Dit is ook met partijen op de zitting besproken. Ten slotte heeft verweerder op de zitting verklaard dat ook in zijn visie er geen opvolgende aanvraag is gedaan, maar alles moet worden beschouwd als de eerste aanvraag. Volgens verweerder kan eiser dan ook niet tegengeworpen worden dat hij een opvolgende aanvraag heeft gedaan, die is afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. Kortom: met de kennis van nu had de opvolgende asielprocedure er dus niet moeten zijn. Die opvolgende asielprocedure is bij de rechtbank geregistreerd onder NL20.18033. Om die beroepszaak juridisch af te ronden, verklaart de rechtbank het beroep van eiser daartegen niet-ontvankelijk.

7. De rechtbank neemt ten slotte uitdrukkelijk geen notie van wat de rechtbank destijds al heeft geoordeeld in de eerdere uitspraak op dat beroep. De rechtbank gaat namelijk verder in die stand in de (eerste) procedure waarin eiser een nieuw asielmotief heeft ingebracht, verweerder daar een aanvullend besluit op heeft genomen en partijen daarop gereageerd hebben met respectievelijk nadere beroepsgronden van eiser en een verweerschrift van verweerder. Dit is ook met partijen op de zitting besproken.

Het asielrelaas

8. Eiser stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.

9. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is geboren in [plaatsnaam 1] , nabij Mallit, in Noord-Darfur, Soedan en behoort tot de Berti, een niet-Arabische bevolkingsgroep. Hij woonde de eerste zes jaren van zijn leven in [plaatsnaam 2] , in Darfur, maar is vanwege een oppositiegroep met zijn moeder gevlucht naar zijn vader in Libië, die daar een verblijfsvergunning had. In Libië is hij in 2011 aangehouden door troepen van Khadaffi omdat hij geen papieren had en is in totaal zes weken vastgehouden. De detentieomstandigheden waren slecht en eiser is besmet geraakt met hepatitis B. Hierdoor kon eiser geen gezondheidsverklaring krijgen en daardoor ook geen papieren. Eiser is daarna nog een keer gearresteerd omdat hij illegaal in Libië was. Na vijftien dagen kwam hij weer vrij. Zonder Libische verblijfsvergunning loopt eiser het risico telkens aangehouden te worden bij controleposten en het land te worden uitgezet. Daarom heeft hij Libië verlaten. In beroep heeft eiser zijn relaas aangevuld met een nieuw asielmotief. Hij stelt dat hij bekeerd is van de islam tot het christendom en daarom gevaar loopt bij terugkeer naar Soedan. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een certificaat van een Alpha-cursus, een tiental verklaringen en brieven, en een certificaat overgelegd van personen uit geloofsgemeenschap Volle Evangelie Gemeente De Hoeksteen, waaronder van voorganger [naam 1] , jeugdleiders van de bijbelstudiegroep, medecursisten van de Alpha-cursus en teamleider [naam 2] .

Het bestreden besluit en het aanvullende besluit (hierna: de bestreden besluiten)

10. Verweerder heeft, voor zover nu nog relevant, hieruit de volgende relevante elementen gehaald:

  1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en

  2. afvalligheid/bekering tot christendom.

11. In de besluiten – nader onderbouwd in het verweerschrift – heeft verweerder hierover de volgende standpunten ingenomen:

a. De nationaliteit van eiser wordt geloofwaardig geacht. Verweerder acht de identiteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. In een origineel paspoort dat eiser heeft overgelegd staan een andere geboortedatum en een andere naam van eiser vermeld ( [naam 3] , geboren in 2000) dan dat eiser in eerste instantie bij verweerder heeft opgegeven ( [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1997). Verweerder volgt eiser niet in zijn gestelde herkomst. Hieraan legt verweerder een uitgevoerde taalanalyse van TOELT4 ten grondslag. Volgens deze taalanalyse bevat de Arabische spraak van eiser geen kenmerken die een overtuigende onderbouwing bieden voor zijn gestelde herkomst uit Darfur en de gestelde niet-Arabische etniciteit.

Verweerder gelooft ook de afvalligheid en bekering niet. Eiser heeft summiere, algemene en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn proces van bekering. Het authentieke verhaal van eiser over zijn bekeringsproces en geloofsbeleving ontbreekt. Eisers verklaringen over de redenen voor afkeer tegen de islam tonen samenhang met de cultuur waarin hij is opgegroeid en waarmee hij is opgevoed en niet met de islam zelf. Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan WI 2018/10 inzake het onderzoek en de beoordeling van aanvragen waarbij bekering (inclusief afvalligheid) als asielmotief is aangevoerd.

Het geschil

12.1

Eiser stelt allereerst dat de hele asielprocedure opnieuw doorlopen moet worden. Verder is eiser van mening dat verweerder zijn bekering en afvalligheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

12.2

De rechtbank stelt vast dat eiser niet (langer) bestrijdt dat verweerder zijn identiteit en herkomst niet geloofwaardig vindt. Uit de Afdelingsuitspraak in de eerste procedure blijkt dat eiser daar in hoger beroep geen grieven tegen heeft aangevoerd. Nadien heeft de rechtbank hier ook geen nadere gronden meer tegen ontvangen.

Moet de hele asielprocedure opnieuw doorlopen worden?

13.1

Eiser voert aan dat verweerder zijn bekering en afvalligheid heeft beoordeeld in het kader van een opvolgende aanvraag. Die toets is nadelig voor eiser.

13.2

De rechtbank is van oordeel dat de asielprocedure niet opnieuw doorlopen hoeft te worden. De rechtbank beschouwt dit asielmotief al als een beoordeling in de eerste procedure.

Verder stelt de rechtbank vast dat eiser uitgebreid zijn asielrelaas in het nader gehoor en het gehoor opvolgende aanvraag naar voren heeft gebracht en dat ook met stukken heeft onderbouwd. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting ook beaamd dat er niet meer informatie en stukken zijn dan wat er nu is. Eiser heeft op de zitting verklaard dat de enige nieuwe ontwikkeling is dat hij door de tijd heen is gegroeid in het geloof. Dat betekent dat de procedure niet opnieuw doorlopen hoeft te worden voor een nader gehoor of vergaring van feiten.

Ook voor de beoordeling van eisers asielrelaas hoeft de procedure niet opnieuw doorlopen te worden. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4 tot en met 7 al geoordeeld dat het besluit over het nieuwe asielmotief beoordeeld moet worden als aanvullend besluit in de eerste procedure.

Heeft verweerder de afvalligheid en de bekering ongeloofwaardig kunnen vinden?

14.1

In de gronden in de beroepsprocedure van de opvolgende aanvraag van 23 januari 2020 en 18 februari 2020 voert eiser – samengevat – aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn afvalligheid en bekering ongeloofwaardig zijn bevonden. Hij heeft geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn bekering. Het is onvoldoende kenbaar hoe verweerder zijn kennis van het christendom en activiteiten voor de kerk heeft gewogen tegenover de volgens verweerder summiere verklaringen over zijn bekeringsmotieven. Nadien heeft eiser geen nieuwe beroepsgronden ingediend.

14.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bekering tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers relaas over de bekering blijft steken op een algemene, niet direct religieuze reden, namelijk dat hij enerzijds afkeer kreeg tegen zijn islamitische opvoeding en de cultuur waarin hij opgroeide, en anderzijds dat hij zich in Nederland vooral veilig en geborgen voelt doordat hij is opgenomen in de christelijke geloofsgemeenschap.

14.3

Het is niet in geschil dat eiser deelneemt aan de christelijke (culturele) gemeenschap. Dit blijkt ook uit de door eiser overgelegde verklaringen van leden uit de geloofsgemeenschap. Maar uit eisers relaas komt vooral naar voren dat sprake is van een zoektocht naar een veilige omgeving en opname in een gemeenschap in het algemeen, dan van een authentiek verhaal over een religieuze bekering. Hij voert handelingen uit die horen bij het christelijke geloof, maar verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat dat onvoldoende is om te spreken van een oprechte bekering tot het christelijk geloof. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit voldoende gemotiveerd heeft.

14.4

Maar voor de afvalligheid van de islam ligt dat anders.

14.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet gelooft dat eiser afvallig is van de islam. Eiser heeft namelijk verklaard over hoe hij door zijn vader behandeld werd, dat hij zich een slaaf van zijn vader voelde omdat hij moest bidden en dat hij door zijn donkere huidskleur niet goed genoeg voor de islam zou zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder vooral de bekering tot het christendom heeft beoordeeld, maar niet heeft beoordeeld of eiser een afvallige van de islam is. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat bij eiser de afkeer van de cultuur het beginpunt van eisers gestelde bekering geweest. Maar naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser – gedetailleerde – beschreven afkeer van de islam en afkeer van de islamitische cultuur zodanig met elkaar verweven, dat in het geval van eiser afkeer van de één ook afkeer van de ander inhoudt. Het enkele feit dat hij in Nederland nog naar een moskee is geweest hoeft daarmee niet in tegenspraak te worden gezien. Dit laat vooral zien dat in het begin in Nederland voor hem juist nog een bekende omgeving was.

14.6

Gelet op wat is overwogen onder 14.5, heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser dan geen gevaar loopt bij terugkeer, gelet op de informatie uit het algemeen ambtsbericht inzake Soedan van oktober 2019. Daarin staat op pagina 73: “Afvalligheid (apostacy) van de islam is strafbaar gesteld in artikel 126 van het Criminal Code. (…) Voor afvalligheid van de islam kan de doodstraf worden opgelegd. In uitzonderingsgevallen kan een geloofsafvallige die berouw toont worden veroordeeld tot maximaal vijf jaar gevangenisstraf en een ongedefinieerd aantal zweepslagen.”

Conclusie

15. Dit betekent dat het beroep gegrond is vanwege een motiveringsgebrek. De besluiten worden vernietigd en de rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag binnen een termijn van acht weken. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is een standpunt in te nemen over de afvalligheid en de eventuele gevolgen voor eiser bij terugkeer.

16. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat een vergoeding voor het indienen van het beroepschrift in eerdere uitspraken al zijn vergoed. Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

17. De termijn voor het indienen van hoger beroep stelt de rechtbank in dit geval vast op vier weken. De rechtbank heeft namelijk bepaald dat het besluit over het nieuwe asielmotief wordt aangemerkt als een aanvullend besluit in de eerste procedure. Dat betekent dat de beroepstermijn voor de eerste procedure van toepassing is.

Beslissing


De rechtbank:

 verklaart het beroep, geregistreerd onder zaaknummer NL20.18033, niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep, geregistreerd onder zaaknummer NL19.17171, gegrond;

 vernietigt het besluit van 13 januari 2017 en het aanvullende besluit van 11 januari 2019;

 draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van het plaatsen van deze uitspraak in het digitaal dossier opnieuw een besluit te nemen op de asielaanvraag van 24 april 2015 met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier week na de dag van bekendmaking.

1 Zaaknummer NL17.573 (niet gepubliceerd).

2 Zaaknummer 201705278/1/V2, ECLI:NL:RVS:2019:2394.

3 Zaaknummer hoger beroep 201901967/1/V2, ECLI:NL:RVS:2020:2139, zaaknummer beroep NL19.1014 (niet gepubliceerd).

4 Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van verweerder.