Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13716

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
NL20.2012
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:45 BNT Asiel; n.o. geen proces belang, beschikking inwilliging, dwangsom al toegekend aan moeder van eiseres. Sprake van samenhangende aanvragen, daarom maar enkele dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.2012

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J. André).

Procesverloop

Eiseres heeft op 23 januari 2020 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag van 10 januari 2019 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij besluit van 31 januari 2020 heeft verweerder op de aanvraag beslist (het bestreden besluit) en aan eiseres een verblijfsvergunning verleend.

Bij brief van 5 maart 2020 heeft eiseres laten weten het beroep te willen handhaven.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank constateert dat niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres omdat eiseres het er niet mee eens is dat verweerder zich op het standpunt stelt dat voor toekenning van een bestuurlijke dwangsom aan eiseres geen plaats is, omdat die dwangsom al aan de moeder van eiseres is toegekend. Niet gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij het beoordelen van het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet- ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak wel de vaststelling door verweerder van de hoogte van bestuurlijke dwangsom.

4. Eiseres heeft verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld op 7 augustus 2019. Op grond van artikel 4:17 van de Awb zou verweerder dus vanaf 23 augustus 2019 een dwangsom verbeuren. Op 31 januari 2020 heeft verweerder op de aanvraag beslist. Gelet op artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, is verweerder daarom in beginsel de maximale dwangsom van € 1.442,- verschuldigd. Verweerder geeft in het bestreden besluit aan dat de dwangsom in de zaak van eiseres en haar moeder eenmalig zal worden uitgekeerd, namelijk aan haar moeder, omdat er sprake is van samenhang.

5. Artikel 4:17 van de Awb bepaalt dat als er meerdere aanvragen gelijktijdig zijn ingediend, daar afzonderlijk op moet worden beslist en dat als er niet op tijd is beslist op deze aanvragen, het bestuursorgaan in beginsel ook per aanvraag een dwangsom moet betalen. De rechtbank oordeelt dat een redelijke uitleg van artikel 4:17 van de Awb meebrengt dat hiervan kan worden afgeweken als de aanvragen tegelijk zijn gedaan en zodanig met elkaar samenhangen dat in feite van één aanvraag moet worden gesproken. De rechtbank verwijst daarbij naar uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 15 juli 2020.1 Eiseres heeft zich niet op het standpunt gesteld dat die samenhang er in dit geval niet is. Daarom stelt verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt dat voor toekenning van een bestuurlijke dwangsom aan eiseres geen plaats is.

6. Het beroep is dan ook kennelijk ongegrond.

7. Omdat verweerder pas na het instellen van beroep door eiseres alsnog een besluit heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten

maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,-, met een wegingsfactor 0,5).

1. ECLI:NL:RVS:2020:1624

Beslissing.

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet- ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

09 september 2020

Documentcode: DSR12667489

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.