Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13710

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
C/09/585857 KG ZA 19-1255
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:73, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De Staat wordt veroordeeld om opnieuw te beslissen op het vierde gratieverzoek van eiser. De redenen die in de afwijzing van dat verzoek zijn opgegeven voor het niet verlenen van gratie en voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de negatieve beslissing omtrent gratieverlening niet dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/585857 / KG ZA 19-1255

Vonnis in kort geding van 30 december 2020

in de zaak van

[eiser] te [plaats],

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen:

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

In dit kort geding is de Staat bij (tussen)vonnis van 6 februari 2020 veroordeeld om het daarheen te leiden dat de verplichtingen waaraan [eiser] in het kader van het transmuraal verlof wordt onderworpen, zodanig worden verminderd dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, lid 2 Bvt, met inachtneming van hetgeen onder 4.6 van dat vonnis hierover is overwogen, waartoe de Staat zo spoedig mogelijk in overleg dient te treden met de kliniek en waarbij de Staat ervoor zorg dient te dragen dat de wijzigingen uiterlijk over drie weken zijn doorgevoerd, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Verder is in het vonnis van 6 februari 2020 de behandeling van dit kort geding en iedere verdere beslissing aangehouden tot 15 juli 2020 pro forma.

1.2.

Het verzoek van [eiser] voorafgaand aan voormelde pro formadatum om de behandeling van de procedure al eerder voort te zetten is door de voorzieningenrechter afgewezen. Ook is afgewezen het verzoek van [eiser] om appel open te stellen tegen onderdelen van het vonnis van 6 februari 2020.

1.3.

Na het verstrijken van voormelde pro formadatum is de behandeling van deze procedure nader aangehouden tot 16 januari 2021 pro forma in afwachting van de uitkomst van de in het vonnis van 6 februari 2020 vermelde procedures, waaronder de procedure als hierna vermeld.

1.4.

Op 6 november 2020 heeft de Hoge Raad arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2020:1747) in de zaak waarin door de Staat cassatie en door [eiser] incidenteel beroep in cassatie was ingesteld tegen het arrest van 6 mei 2019 van het Gerechtshof Den Haag. In dat laatste arrest heeft het Hof het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 17 april 2019 (waarin de voorzieningenrechter de Staat heeft veroordeeld de beslissing tot afwijzing van het derde gratieverzoek van [eiser] te (doen) herroepen en opnieuw te (doen) beslissen met inachtneming van het oordeel van de voorzieningenrechter over het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek) vernietigd. Het Hof heeft opnieuw rechtdoende de Staat veroordeeld om het gratieverzoek van [eiser] van 25 maart 2019 (het vierde gratieverzoek) in behandeling te nemen en daarop binnen vier maanden na de uitspraak te beslissen. De Hoge Raad heeft dat arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.

1.5.

Op 24 november 2020 is bepaald dat de voortgezette behandeling in dit kort geding zal plaatsvinden op 21 januari 2021. [eiser] heeft op 30 november 2020 bericht dat hij, gezien die datum van voortzetting, afziet van een mondelinge behandeling en verzoekt om vonnis te wijzen zonder nadere mondelinge behandeling. De Staat heeft daarmee op 2 december 2020 ingestemd. De voorzieningenrechter heeft partijen daarop bericht dat in beginsel zonder nader mondelinge behandeling vonnis zal worden gewezen op 30 december 2020. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij ervan uitgaat dat er geen sprake is van een eisvermeerdering, zoals van de zijde van [eiser] eerder was aangekondigd, maar hetgeen [eiser] daarna niet nader heeft geconcretiseerd. [eiser] heeft op 8 december 2020 bevestigd dat hij heeft afgezien van eisvermeerdering.

2 De beoordeling van het geschil

2.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij voorbij gaat aan de stelling van [eiser] in zijn bericht van 30 november 2020 dat de in het vonnis van 6 februari 2020 vermelde vorderingen sub 1 en 2 voor toewijzing gereed liggen in het licht van hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 6 november 2020 heeft geoordeeld. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 6 februari 2020 al over die vorderingen geoordeeld. De eerste vordering heeft geleid tot de veroordeling van de Staat als vermeld in het vonnis van 6 februari 2020 onder 5.1. De tweede vordering is in het dictum van het vonnis van 6 februari 2020 weliswaar (nog) niet afgewezen, maar de voorzieningenrechter heeft in het lichaam van dat vonnis wel reeds overwogen dat en waarom voor toewijzing van die vordering geen plaats is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hierop terug te komen. Die vordering zal dan ook in dit vonnis worden afgewezen. Dat geldt ook voor hetgeen meer of anders is gevorderd in de vordering sub 1 dan hetgeen is toegewezen in het vonnis van 6 februari 2020, waaronder ook begrepen de vordering om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden. In het vonnis van 6 februari 2020 is reeds overwogen dat en waarom de voorzieningenrechter daar geen aanleiding voor ziet.

2.2.

Dan resteert nog de beslissing op de overige vorderingen, in het vonnis van 6 februari 2020 weergegeven onder primair, subsidiair en meer subsidiair. Die vorderingen hebben betrekking op de afwijzende beslissing van de minister van 20 december 2019 op het vierde gratieverzoek. In het vonnis van 6 februari 2020 is overwogen dat, om de vraag te kunnen beantwoorden of de minister, gegeven alle omstandigheden, in redelijkheid ertoe heeft kunnen komen het vierde gratieverzoek wederom af te wijzen en zo ja, welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden, de uitkomst van de cassatieprocedure en de appelprocedure van belang zijn. In de cassatieprocedure is namelijk onder meer de beslissingsruimte van de Kroon aan de orde. Daarnaast zal wellicht in de cassatieprocedure maar in ieder geval in de appelprocedure worden ingegaan op de vraag welke consequentie de rechter kan verbinden aan het oordeel dat een negatieve beslissing op een gratieverzoek onrechtmatig is, waarover in het arrest van 6 mei 2019 en het vonnis van 5 november 2019 verschillend is geoordeeld, zo is overwogen in het vonnis van 6 februari 2020.

2.3.

Nu in de cassatieprocedure ook op die laatste vraag is ingegaan, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om ook de uitkomst van de appelprocedure nog af te wachten. Overigens ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam af te wachten in de verwijzingsprocedure, zoals volgens de Staat aangewezen is (zo staat vermeld in het onder 1.5 vermelde bericht van 2 december 2020 van de zijde van de Staat). Dat Hof zal zich immers buigen over de motivering van en negatieve beslissing op het derde gratieverzoek.

2.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 november 2020, voor zover thans relevant, het volgende overwogen:

“3.5.3 (…) Het instrument van gratie strekt niet ertoe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. Bij de beslissing over het al dan niet verlenen van gratie op de grond dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, gaat het in de kern om de vraag of de onverkorte tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde straf of maatregel in overeenstemming is met de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid. Bij de beantwoording van die vraag komt aan het advies van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, een zeer groot gewicht toe, in die zin dat dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening en dat alleen op grond van bijzondere omstandigheden daarvan wordt afgeweken. Dat geldt in het bijzonder indien de afwijking van het advies in voor de veroordeelde ongunstige zin plaatsvindt.

3.5.4

In het Nederlandse stelsel van herbeoordeling (…) wordt de beslissing over het al dan niet (onverkort) voortzetten van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, genomen in de gratieprocedure. Bij de beoordeling omtrent het verlenen van gratie (al dan niet in voorwaardelijke vorm) moeten de in art. 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria in aanmerking worden genomen. Tevens dient daarbij de rechtspraak van het EHRM die betrekking heeft op de verenigbaarheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf met art. 3 EVRM, in acht te worden genomen. Daarom komt het bij de toepassing van de maatstaf van art. 2, aanhef en onder b, Gratiewet – die inhoudt of met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend – aan op de vraag of gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria, verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Ook op dit punt komt een zeer groot gewicht toe aan het advies van het gerecht dat de levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd. In het geval dat de minister voor de beslissing omtrent gratieverlening bepaalde feiten en omstandigheden (mogelijk) van belang acht die niet in het advies van het gerecht zijn betrokken, heeft de minister de mogelijkheid het gerecht in de gelegenheid te stellen een aanvullend advies te verstrekken voordat de beslissing omtrent gratieverlening wordt genomen.

3.5.5

Indien een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, dienen de redenen voor deze beslissing door de minister te worden opgegeven. (…) Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. In dat geval dienen tevens de redenen voor het afwijken van dat advies te worden opgegeven.

3.5.6

De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. De veroordeelde kan echter – zowel in geval van ambtshalve beoordeling als in geval van een afgewezen gratieverzoek – met betrekking tot die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en – voor zover dat het geval is – voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing niet kunnen dragen. De beoordeling door de burgerlijke rechter richt zich erop, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5.4 is overwogen, of de motivering van de beslissing omtrent gratieverlening ervan blijk geeft dat de in art. 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria en de eisen die art. 3 EVRM stelt, genoegzaam zijn betrokken bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening.

Indien de burgerlijke rechter tot het oordeel komt dat de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie onrechtmatig is omdat de opgegeven redenen deze beslissing niet kunnen dragen, kan de burgerlijke rechter de Staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bij het nemen van die nieuwe beslissing zal acht dienen te worden geslagen op de overwegingen die de burgerlijke rechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat, indien de nieuwe beslissing wederom strekt tot afwijzing van het gratieverzoek, die afwijzing niet uitsluitend mag worden gebaseerd op dezelfde redenen als waarop de bestreden gratiebeslissing berust.

3.5.7

Opmerking verdient nog het volgende. Met het hiervoor besproken, in 2017 in werking getreden stelsel van herbeoordeling, wordt beoogd de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met art. 3 EVRM te laten plaatsvinden. In dit stelsel vindt de (periodieke) herbeoordeling van de straf niet plaats door de rechter, maar worden de beslissingen omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten en gratieverlening genomen door de minister. De burgerlijke rechter kan daarbij de motivering van negatieve beslissingen omtrent de verlening van gratie beoordelen. Indien wordt geoordeeld dat de opgegeven redenen de beslissing niet kunnen dragen, is het aan de minister – en niet aan de burgerlijke rechter – om opnieuw te beslissen op het gratieverzoek. De motivering van die nieuwe beslissing kan wederom ter beoordeling aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

(…)

3.6.2

Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat bij het nemen van een beslissing op een gratieverzoek een zeer groot gewicht toekomt aan het advies van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd. Noch uit de hiervoor in 3.5.3 weergegeven parlementaire geschiedenis, noch uit de Gratiewet of enige andere rechtsregel volgt echter dat, zoals het hof heeft geoordeeld, alleen dan van het advies van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, mag worden afgeweken indien het gaat om (nieuwe) feiten en omstandigheden waarmee het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd in zijn advies over het gratieverzoek geen rekening heeft gehouden. Het oordeel van het hof berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting, zodat de hiervoor in 3.6.1 weergegeven klacht slaagt. De omstandigheid dat de beslissing op het gratieverzoek blijk geeft van een andere weging van feiten en omstandigheden die in het advies van het gerecht zijn betrokken, laat onverlet dat het hof had moeten beoordelen of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de negatieve beslissing omtrent gratieverlening niet kunnen dragen.”

2.5.

De vraag of de redenen die in de afwijzing van het vierde gratieverzoek van 20 december 2019 zijn opgegeven voor het niet verlenen van gratie en voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de negatieve beslissing omtrent gratieverlening kunnen dragen, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontkennend worden beantwoord.

2.6.

Uit het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd (hierna: het hof) volgt dat dit van oordeel is dat met de verdere tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Dit is in het advies ook uitvoerig gemotiveerd. Het hof heeft daarbij onder ogen gezien dat [eiser] als verdachte in zijn strafzaak veroordeeld is voor zeer ernstige misdrijven waarbij zes personen, waaronder een kind, om het leven zijn gekomen. Deze schokkende feiten hebben toenmaals grote beroering veroorzaakt in de maatschappij en een blijvende impact gehad op het leven van de slachtoffers/nabestaanden. Het hof neemt zonder meer aan dat het door deze feiten bij de slachtoffers/nabestaanden veroorzaakte onnoemelijke leed en verdriet nog immer bestaan en dat zij ook thans nog in meerdere of mindere mate negatief zullen staan tegenover het verlenen van gratie aan de verzoeker. Ook zullen, zo neemt het hof aan, over deze feiten naar hun aard in bredere zin in de samenleving, meer in het bijzonder in de gemeente [Gemeente], nog gevoelens van onbehagen bestaan. Het hof overweegt vervolgens dat en waarom de vergeldingsbehoefte die bij slachtoffers/nabestaanden van zulke ernstige misdrijven kan bestaan, en die niet noodzakelijkerwijze vermindert naarmate de tijd verstrijkt, niet doorslaggevend kan zijn voor de afweging in het kader van de gratiëring; dat als uitgangspunt heeft te gelden dat vergelding aan grenzen is gebonden en niet impliceert, en niet mag impliceren, een niet aan enige maat gebonden, feitelijk absolute uitsluiting uit de maatschappij van een dader, zoals ook de kern is van de jurisprudentie van het EHRM. De vraag of thans nog in overwegende mate (negatief) gewicht moet/mag worden toegekend aan het strafdoel van vergelding – de impact op slachtoffers/nabestaanden toen, nu en naar het hof aanneemt ook in de toekomst – wordt door het hof thans na verloop van ruim 35 jaren ontkennend beantwoord, zo volgt uit het in het vonnis van 6 februari 2020 onder 4.11 opgenomen citaat.

2.7.

De motivering van de Minister om toch geen gratie te verlenen en af te wijken van voormeld advies, kan die beslissing naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dragen. De Minister legt zich blijkens zijn beslissing expliciet neer bij (onder meer) voormeld advies: “Ondanks mijn eerdere opvattingen en de niet eensluidende adviezen daarover heeft de rechter in kort geding dusdanige kaders geschetst dat ik geen argumenten meer heb om te betogen dat niet aan artikel 2 onder B van de Gratiewet is voldaan. Ik leg mij daarom neer bij de meerderheid van de adviezen dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Ook het strafdoel van vergelding wordt dus niet meer gediend met de verdere tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, zo volgt hieruit. Desondanks acht de Minister de grote maatschappelijke verontwaardiging waartoe gratieverlening zal leiden en de omstandigheid dat uit het eerder uitgevoerde slachtofferonderzoek bekend is dat de nabestaanden het verlies van hun dierbaren nog lang niet verwerkt hebben en dat gratiëring bij hen op groot onbegrip zal stuiten doorslaggevend in een door hem te maken belangenafweging. Dat impliceert dat volgens de minister – anders dan het hof van oordeel is – het strafdoel van vergelding tóch wordt gediend met de verdere tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing. Dit valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met elkaar te rijmen.

2.8.

Daar komt bij dat het instrument van gratie er niet toe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. De motivering van de Minister geeft daar wel blijk van, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij blijkt echter niet althans onvoldoende uit de motivering van het bestaan van bijzondere omstandigheden die redengevend zijn om af te wijken van het advies van het hof dat in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening. Dat er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden geldt hier temeer nu afwijking van het advies in voor de veroordeelde ongunstige zin plaatsvindt.

2.9.

Dit alles leidt, gezien het door de Hoge Raad geschetste kader, tot de conclusie dat de minister opnieuw dient te beslissen op het vierde gratieverzoek. De primaire vordering sub d is gelet daarop toewijsbaar op de wijze zoals hierna vermeld, waarbij een redelijke termijn zal worden gehanteerd van (uiterlijk) vier weken na heden.

2.10.

De overige vorderingen zijn niet voor toewijzing vatbaar, gelet op het door de Hoge Raad geschetste kader en de veroordeling van de Staat om opnieuw te (doen) beslissen op het vierde gratieverzoek. Dit geldt i) voor de vorderingen tot het treffen van voorzieningen ten aanzien van het vijfde gratieverzoek, ii) voor de vordering die ertoe strekt om de beslissing op het vierde gratieverzoek te herroepen, iii) voor de vorderingen die ertoe strekken dat aan de Staat wordt voorgeschreven hoe hij dient te beslissen. De Minister zal bij het nemen van zijn nieuwe beslissing wel acht moeten slaan op de overwegingen in dit vonnis en indien de nieuwe beslissing wederom zou strekken tot afwijzing van het gratieverzoek, mag die afwijzing niet uitsluitend worden gebaseerd op dezelfde redenen als waarop de bestreden gratiebeslissing berust, zo volgt uit hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het hiervoor bedoelde arrest. Een grondslag voor toewijzing van de overigens in de subsidiaire vordering gevorderde bepalingen omtrent de wijze waarop de Staat voorafgaand aan zijn beslissing zal moeten handelen, is gesteld noch gebleken. Ook dat deel van het gevorderde zal dus worden afgewezen.

2.11.

Voor de toewijzing van dwangsommen bestaat geen grond, omdat de Staat rechterlijke uitspraken pleegt na te komen.

2.12.

De Staat zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te berekenen op de hierna vermelde forfaitaire wijze en ook overigens op de wijze zoals hierna vermeld. Voor een veroordeling van de Staat tot betaling van de werkelijke proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, temeer niet omdat de vorderingen van eiser ook deels zijn afgewezen. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

2.13.

[eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Van in het exploot opgenomen kosten voor verschotten is in dit geval geen sprake. Gelet op het voorgaande wordt de Staat slechts veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en tot vergoeding van het – hierna in het dictum vast te stellen – salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

veroordeelt de Staat om binnen vier weken na heden opnieuw te (doen) beslissen op het vierde gratieverzoek van [eiser];

3.2.

veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan [eiser] te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.063,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 83,-- aan griffierecht;

3.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Vetter op 30 december 2020.

ts