Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
AWB 20/3929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Ongedocumenteerde vreemdeling; verblijft al in LVV; E wil weten of LVV-formulier gelijkgesteld wordt met besluit; louter principieel belang; geen procesbelang; beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3929

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Op 12 december 2019 heeft verweerder een formulier aan eiser uitgereikt over de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV). Op 17 december 2019 is hij toegelaten tot de LVV. Bij besluit van 16 april 2020 (het bestreden besluit) is eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Op 11 mei 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2020. Vanwege de maatregelen getroffen tegen het coronavirus heeft de zitting plaatsgevonden via een Skype-verbinding. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek op de zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Motivering

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft in beroep gesteld dat het hem vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning niet is toegestaan in Nederland te werken of een uitkering te ontvangen en dat hij niet over middelen van bestaan beschikt. De rechtbank acht dit aannemelijk en is daarom van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.

2. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, ziet zij zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft.

3. Eiser is een vreemdeling zonder verblijfsrecht in Nederland. Hij verblijft momenteel op de LVV-locatie [adres] en wordt begeleid bij de voorbereiding van een herhaalde asielaanvraag door het [naam] ( [naam] ). De gemachtigde van eiser heeft op de zitting beaamd dat eiser thans opvang geniet.

4. Op de zitting heeft eiser als procesbelang aangevoerd dat hij wil weten of het LVV-formulier waartegen hij bezwaar heeft gemaakt een besluit is in de zin van de Awb. Hij ontvangt hier wisselende informatie over.

5. De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak procesbelang aanwezig is wanneer het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

6. Het aangevoerde procesbelang ziet enkel op de vraag of het formulier voldoet aan het besluitbegrip van de Awb. Vaststaat dat eiser al feitelijk opvang geniet op een LVV-locatie. Daarom valt niet in te zien wat voor feitelijke betekenis de beantwoording van deze rechtsvraag heeft voor eiser. De rechtbank ziet enkel een principieel belang. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep.

7. Het beroep is niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. G.J. Tingen mr. A.K. Mireku

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: GJT

D:

VK

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.