Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13671

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
NL 20.20091
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak is gesteld dat de maatregel eerder kon worden opgeheven vanwege een belangenafweging, omdat er geen zicht op uitzetting naar Marokko is. De maatregel heeft ruim vijf maanden geduurd voordat die is opgeheven, terwijl voor eiser vijf maanden vóór de inbewaringstelling een laissez-passer is aangevraagd. Ten tijde van de zitting was de laissez-passer nog niet verstrekt. Eveneens is gesteld dat sprake is van vrijwillig vertrek en geen uitzetting als laissez-passers enkel worden verstrekt aan vreemdelingen die verklaren terug te willen keren. Ter zitting is aan verweerder gevraagd om de informatie omtrent het zicht op uitzetting naar Marokko, die is verschaft op de zitting van 14 oktober 2020 van deze rechtbank en zittingsplaats, te actualiseren. In dat verband is de zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over de stand van zaken ten aanzien van het zicht op uitzetting naar Marokko en eiser om daarop te reageren. Verweerder heeft nadere informatie verschaft en eiser heeft hierop gereageerd. Uit de brief van verweerder blijkt dat het in de uitspraak van 14 oktober 2020 genoemde overleg niet heeft geleid tot hervatting van de wegens het Coronavirus stopgezette groepsgewijze presentaties. Desondanks ontbreekt zicht op uitzetting niet. Presentaties op individuele basis zijn mogelijk als een vreemdeling aangeeft terug te willen keren. Voor een andere vreemdeling die wil terugkeren is een laissez-passer toegezegd. Hieruit volgt dat de Marokkaanse autoriteiten op individuele basis bereid zijn mee te werken aan de verstrekking van de voor uitzetting benodigde documenten, mits de vreemdeling aangeeft tot terugkeer bereid te zijn. De door eiser aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Tenslotte was verweerder niet gehouden de belangenafweging eerder in eisers voordeel uit te laten vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.20091


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [naam] ),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).


Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld en verzocht op schadevergoeding. Verweerder heeft op 30 november 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Partijen zijn telefonisch gehoord. Zij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Het onderzoek is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over de stand van zaken ten aanzien van het zicht op uitzetting naar Marokko en eiser om daarop te reageren. Verweerder heeft nadere informatie verschaft en eiser heeft hierop gereageerd. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij de rechtmatigheid van de maatregel en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment na het sluiten van het onderzoek in het voorgaande beroep en voorafgaande aan de opheffing van de maatregel onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.1

Eiser voert aan dat hij op 24 juni 2020 in bewaring is gesteld en dat de inbewaringstelling ruim vijf maanden heeft geduurd. Verweerder heeft al op 23 januari 2020 een laissez-passer (LP) aangevraagd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daar is meerdere malen op gerappelleerd, maar eiser is tot op heden niet gepresenteerd. Zelfs als eiser op korte termijn kan worden gepresenteerd, dan acht eiser de kans nihil dat een laissez-passer op korte termijn kan worden afgegeven, omdat de aanvraag na de presentatie moet worden goedgekeurd door de autoriteiten in Marokko.

Eiser voert verder aan dat geen sprake is van uitzetting als een laissez-passer alleen wordt afgegeven als een vreemdeling wil terugkeren. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko is en dat de voortzetting van de maatregel al voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was.

2.2

Verweerder heeft ter zitting over de actuele stand van zaken ten aanzien van Marokko verklaard dat vreemdelingen op individuele basis kunnen worden gepresenteerd als zij verklaren terug te willen keren. Inmiddels is voor een Marokkaanse vreemdeling die heeft verklaard terug te willen keren een laissez-passer toegezegd. Het is nadrukkelijk niet zo dat Marokko niet meewerkt aan gedwongen terugkeer. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd geen nadere gegevens kunnen verstrekken over de voortgang van het overleg met de Marokkaanse autoriteiten omtrent de hervatting van de gebruikelijke presentaties, zoals vermeld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 oktober 2020 (NL20.17234). Verweerder heeft toegezegd daarop alsnog bij brief te zullen ingaan. Voorts heeft verweerder verklaard dat ook sinds 14 oktober 2020 geen gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden.

2.3

In de brief van 11 december 2020 aan de rechtbank heeft verweerder het volgende vermeld:

“Zoals eerder aan uw rechtbank gemeld vinden er als gevolg van de coronamaatregelen geen groepsgewijze presentaties bij de Marokkaanse autoriteiten plaats. In oktober en november heeft de DT&V werkbezoeken gebracht aan de Marokkaanse consulaten in Nederland teneinde de hervatting van de groepsgewijze presentaties te bespreken. Dit heeft echter niet geleid tot hervatting van de groepsgewijze presentaties. Het is nog niet bekend op welke termijn wel weer groepsgewijze presentaties kunnen plaatsvinden.

Dat op dit moment geen groepsgewijze presentaties bij de Marokkaanse autoriteiten kunnen plaatsvinden betekent echter niet dat geen zicht op uitzetting naar Marokko kan worden aangenomen. Daartoe is van belang dat vreemdelingen wel in individuele gevallen bij het Marokkaanse consulaat kunnen worden gepresenteerd indien de vreemdeling aangeeft dat hij wil terugkeren. De DT&V kan hiervoor een afspraak inplannen bij het consulaat. Dit is sinds het uitbreken van de coronacrisis altijd mogelijk geweest. In dergelijke gevallen kan door de Marokkaanse autoriteiten ook een vervangend reisdocument worden verstrekt. Daarnaast blijven de consulaten bereikbaar voor vreemdelingen die contact willen.

In dit verband wijst verweerder erop dat de DT&V onlangs een afspraak bij het consulaat heeft ingepland voor een vreemdeling die zelfstandig wenst terug te keren. Daarnaast is recent een vreemdeling die bereid is om terug te keren bij het consulaat gepresenteerd. Zijn LP-aanvraag is door de Marokkaanse autoriteiten in behandeling genomen. Voorts hebben de Marokkaanse autoriteiten onlangs de nationaliteit bevestigd van een Marokkaanse

vreemdeling die bereid is om terug te keren. Voor deze vreemdeling zal door

de Marokkaanse autoriteiten een LP worden afgegeven”.

2.4

Eiser heeft in zijn reactie op deze brief gesteld dat daaruit volgt dat de Marokkaanse autoriteiten alleen meewerken aan zelfstandig vertrek. Eiser verwijst naar jurisprudentie waaruit volgt dat in een dergelijk geval geen zicht op uitzetting kan worden aangenomen.

2.5

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de verstrekte gegevens volgt dat het in de uitspraak van 14 oktober 2020 genoemde overleg niet heeft geleid tot hervatting van de wegens het Coronavirus stopgezette groepsgewijze presentaties. Van enig vervolgoverleg blijkt niet. Voorts zijn sinds 14 oktober 2020 geen laissez-passers verstrekt. Evenmin hebben gedwongen uitzettingen plaatsgevonden.

2.6

Verweerder kan echter worden gevolgd in zijn standpunt dat zicht op uitzetting desondanks niet ontbreekt. Daarvoor is van belang dat individuele presentaties op initiatief van DT&V wel mogelijk zijn, indien de vreemdeling aangeeft dat hij wil terugkeren. En voorts dat in een recent geval voor een vreemdeling die bereid was terug te keren door de Marokkaanse autoriteiten een laissez-passer is toegezegd. Immers volgt hieruit dat de Marokkaanse autoriteiten op individuele basis bereid zijn mee te werken aan de verstrekking van de voor uitzetting benodigde documenten, mits de vreemdeling aangeeft tot terugkeer bereid te zijn. Van de vreemdeling kan gelet op zijn medewerkingsplicht een dergelijke bereidverklaring worden verlangd (vergelijk: ECLI:NL:RVS:2008:BF0502). Voorts is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hun geclausuleerde bereidheid niet gestand doen, of hun toezegging niet nakomen. Gelet hierop leidt de omstandigheid dat al geruime tijd feitelijk geen laissez-passers zijn vertrekt en geen gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden thans niet tot het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt.

2.7

Voorts is van belang dat verweerder ter zitting heeft benadrukt dat het niet zo is dat Marokko niet meewerkt aan gedwongen terugkeer, dat wil zeggen: vanwege verweerder en met de sterke arm. Anders dan eiser betoogt volgt uit de brief niet dat dat anders is. Dat verweerder slechts kan uitzetten indien de vreemdeling aan de Marokkaanse autoriteiten verklaart daaraan te willen meewerken, ontneemt aan de uitzetting niet het gedwongen karakter.

2.8

De door de verdediging aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 april 2012, zaaknummer 201201305/1/V3, is geen sprake van de situatie dat de buitenlandse autoriteiten alleen bereid zijn mee te werken aan zelfstandige terugkeer. Voorts is ook niet de situatie aan de orde zoals in de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:597, waarin de buitenlandse autoriteiten al geruime tijd feitelijk geen medewerking verlenen en concrete aanknopingspunten voor een verandering van die situatie ontbreken. De beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Eiser wijst er op dat op 30 november 2020 de maatregel van bewaring is opgeheven naar aanleiding van een belangenafweging. Eiser voert aan dat niet inzichtelijk is waarom de belangenafweging pas op 30 november 2020 tot een andere afweging heeft geleden en niet eerder. De belangenafweging is drie weken voor het verstrijken van de zes-maanden-termijn gemaakt. Eiser stelt dat de belangenafweging al eerder in zijn voordeel had moeten uitvallen.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet gehouden de belangenafweging eerder in eisers voordeel uit te laten vallen. Daarbij is naast de duur van de bewaring van belang dat geen bijzondere omstandigheden of persoonlijke belangen naar voren zijn gebracht, en voorts dat uit de stukken volgt dat eiser niet zijn actieve en volledige medewerking aan de uitzetting heeft verleend. Blijkens het laatste vertrekgesprek heeft eiser niet willen voldoen aan verweerders verzoek om bij de Marokkaanse autoriteiten op afgifte van een LP aan te dringen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Tanyildiz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.