Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13625

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
NL20.14798
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring verlengingsbesluit

Gronden verlengingsbesluit en de motivering van die gronden zijn identiek aan de gronden en de motivering van het besluit tot het opleggen van de maatregel van bewaring. Aldus heeft verweerder in het verlengingsbesluit niet gemotiveerd of de gronden nog steeds van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.14798

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 februari 2020 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Bij besluit van 30 juli 2020 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd (het verlengingsbesluit).

Eiseres heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen K.C. Okorie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres stelt dat zij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [1992] .

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de

maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

3. Eiseres voert aan dat de gronden van het verlengingsbesluit en de motivering van die gronden identiek zijn aan de gronden en de motivering van het besluit tot het opleggen van de maatregel van bewaring van 3 februari 2020. Ten onrechte heeft verweerder nagelaten om te beoordelen of deze gronden en motivering ook nu nog van toepassing zijn, aldus eiseres.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verlengingsbesluit dezelfde zware en lichte gronden heeft aangekruist als in de maatregel van bewaring van 3 februari 2020. De vier aangekruiste zware gronden heeft verweerder in het verlengingsbesluit in het geheel niet van een motivering voorzien. De twee aangekruiste lichte gronden zijn voorzien van een identieke motivering als verweerder in het besluit van 3 februari 2020 heeft gebezigd. Aldus heeft verweerder in het verlengingsbesluit niet gemotiveerd of de aangekruiste gronden nog steeds van toepassing zijn. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting nog wel aangevoerd dat het niet gebleken is dat de aangekruiste gronden niet meer van toepassing zijn en dat de gronden nog steeds staven dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is het motiveringsgebrek in het verlengingsbesluit daarmee niet gerepareerd.

5. Uit hetgeen onder 4. is geoordeeld volgt al dat het beroep tegen het verlengingsbesluit gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het verlengingsbesluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

6. Dit leidt tot het oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf 31 juli 2020, de dag waarop het verlengingsbesluit is ingegaan, onrechtmatig is. De maatregel van bewaring dient daarom heden te worden opgeheven.

7. Aan eiseres wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw een schadevergoeding ten laste van de Staat toegekend over de periode van 31 juli 2020 tot vandaag. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor 12 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de bewaring. Voor elke dag kent de rechtbank een bedrag van € 80,- toe. Dat maakt dus dat eiseres in totaal een bedrag van € 960,- toekomt.

8. Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.050,- (1 punten voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het verlengingsbesluit gegrond;

  • -

    vernietigt het verlengingsbesluit;

  • -

    beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden, te weten 11 augustus 2020;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 960,-, te betalen door de griffier, en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van H. Achrak, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

11 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.