Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13624

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
NL20.13763
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring vervolgberoep

Samenvatting:

Met onderhavig beroep kan niet bewerkstelligd worden dat de rechtbank nogmaals oordeelt over het vorige beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. Uitspraak 34 dagen na indienen beroep levert geen schending op van art. 5, lid 4, EVRM. Onverminderd zicht op uitzetting naar Nigeria, ondanks Corona-crises. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan uitzetting. Belangenafweging in het nadeel van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13763

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 februari 2020 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 20 juli 2020. De behandeling ter zitting is toen geschorst, omdat de gemachtigde van eiseres een wrakingsverzoek heeft ingediend. Dit verzoek is afgewezen. De behandeling van het beroep is vervolgens hervat op

10 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen K.C. Okorie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres stelt dat zij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [1992] .

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel

96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Kan de rechtbank oordelen over een gestelde schending van de procesorde in de vorige procedure?

3. De rechtbank, deze zittingsplaats, heeft de maatregel van bewaring voor het laatst getoetst bij uitspraak van 22 mei 2020.1 Eiseres voert aan dat de rechtbank haar toen een oneerlijke procedure heeft gegeven. De rechtbank heeft haar immers niet de gelegenheid geboden om te reageren op stukken die verweerder nader had ingediend. In plaats daarvan heeft de rechtbank het onderzoek op 15 mei 2020 gesloten. Eiseres meent dat de rechtbank aldus in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. Om die reden stelt zij dat de maatregel van bewaring met ingang van 15 mei 2020 onrechtmatig is.

4. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres met het indienen van een vervolgberoep niet bewerkstelligen dat de rechtbank in het kader van de onderhavige procedure zich uitlaat over haar eerdere uitspraak van 22 mei 2020. Er is geen rechtsregel die de rechtbank hiertoe een mogelijkheid verschaft, ook niet artikel 5 en/of 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die uitspraak van 22 mei 2020 heeft de rechtbank immers gedaan in het kader van de vorige beroepsprocedure die eiseres tegen de voortduring van de maatregel van bewaring aanhangig had gemaakt. Tegen die uitspraak stond het rechtsmiddel van hoger beroep open. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat eiseres die rechtsmiddel ook heeft aangewend, maar dat haar hoger beroep onlangs ongegrond is verklaard door de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (ABRvS).2 Daarmee staat de uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2020 in rechte vast. Hieraan doet niet af dat de ABRvS bij haar uitspraak toepassing heeft gegeven aan artikel 91, tweede lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt dus niet.

5. Uit genoemde uitspraak van 22 mei 2020 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Die sluiting was op 15 mei 2020. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds 15 mei 2020 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

Heeft de rechtbank zo spoedig mogelijk uitspraak gedaan?

6. Eiseres stelt dat er sinds het moment waarop zij het onderhavige beroep heeft ingediend veel tijd is verstreken. Volgens eiseres komt de rechtbank zodanig laat tot een uitspraak, dat er geen sprake meer is van een situatie waarin de rechtbank zo spoedig mogelijk over de rechtmatigheid van haar vrijheidsbeneming heeft beslist.3 Eiseres stelt dat al om die reden haar beroep gegrond moet worden verklaard en dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven.

7. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van eiseres is ingediend op 8 juli 2020. De zitting is aangevangen op 20 juli 2020. Dit is binnen de termijn van veertien dagen die door artikel 94, vierde lid, van de Vw is gesteld. De rechtbank heeft het onderzoek op

1. NL20.10314

2 Ten tijde van deze uitspraak was de bedoelde uitspraak van de ABRvS nog niet gepubliceerd.

3 Als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM.

10 augustus 2020 gesloten. Heden heeft de rechtbank haar uitspraak bekend gemaakt. Dat is binnen de termijn van zeven dagen die door artikel 94, vijfde lid, van de Vw is gesteld. Van een overschrijding van de nationaalrechtelijke termijnen is dus geen sprake.

8. Dit neemt evenwel niet weg dat de rechtbank pas na 34 dagen sinds het indienen van het beroepschrift tot een uitspraak is gekomen. Dit gegeven leidt op zichzelf beschouwd niet tot het oordeel dat de rechtbank niet zo spoedig mogelijk over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming van eiseres heeft beslist. Bij de beoordeling van de vraag of van een dergelijke situatie sprake is, dient de rechtbank namelijk de omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de rechtbank het onderzoek op 20 juli 2020 heeft moeten schorsen als gevolg van het wrakingsverzoek van eiseres. Dit verzoek is door de wrakingskamer op 31 juli 2020 behandeld en op die dag heeft de wrakingskamer ook direct uitspraak gedaan. De behandeling van het beroepschrift is vervolgens op 10 augustus 2020 hervat. In dit tijdsverloop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de schorsing van het onderzoek in de periode van 20 juli 2020 tot en met 10 augustus 2020 langer heeft geduurd dan nodig was. Eiseres heeft ook geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank sneller tot een uitspraak had moeten komen. Door vandaag uitspraak te doen, is de rechtbank van oordeel dat zij niet heeft gehandeld in strijd met artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Deze beroepsgrond faalt daarom.

Is er zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn?

9. Eiseres voert aan dat verweerder tot op heden niet heeft kunnen aangeven hoe lang de huidige Corona-crisis het nog onmogelijkheid maakt om haar uit te zetten naar Nigeria.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Elke keer wanneer eiseres dit aan de orde stelt, dient verweerder te beoordelen en de rechtbank vervolgens te toetsen of het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn nog aanwezig is. Bij die beoordeling respectievelijk toets van die redelijke termijn dient telkens weer acht te worden geslagen op de feiten en omstandigheden die zich op dát moment voordoen. Dat verweerder en de rechtbank nu in retrospectief weten dat eiseres al vanaf het begin van de uitbraak van de Corona-crisis niet is uitgezet naar Nigeria, is daarbij niet van belang. Die omstandigheid is namelijk niet van invloed op de beoordeling respectievelijk de toets van de vraag of zij op dít moment (alsnog) binnen een redelijk termijn kan worden uitgezet naar Nigeria. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

11. Op de KLM rust een zogenoemde removel order om eiseres uit te zetten naar Nigeria. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er in verband met de Corona-crisis in ieder geval tot in oktober 2020 geen KLM-vluchten naar Lagos, Nigeria, beschikbaar zijn. Er is op dit moment evenwel geen sprake van een situatie waarin Nigeria zijn luchtruim heeft gesloten. Dit laat de reële mogelijkheid open dat de KLM in oktober alsnog een vlucht voor eiseres kan verzorgen. Dit maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank nog steeds sprake is van een tijdelijke belemmering om eiseres uit te zetten naar Nigeria. Deze tijdelijke situatie duurt niet dermate lang, dat de rechtbank nu tot het oordeel komt dat deze uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. Deze beroepsgrond faalt dan ook. Gelet op dit oordeel, laat de rechtbank verder onbesproken de discussie over de vraag of eiseres op enig moment vanuit Duitsland kan worden uitgezet door middel van een zogenoemde joint return operation.

12. Eiseres betwist voorts dat de Nigeriaanse autoriteiten een toezegging hebben gedaan dat ten behoeve van haar uitzetting naar Nigeria een laissez passer (lp) zal worden verstrekt. Eiseres wijst in dit verband op een telefoongesprek van 7 juli 2020 die haar gemachtigde heeft gevoerd met de heer [A] , medewerker van de Nigeriaanse ambassade in Den Haag. Van dit gesprek heeft de gemachtigde van eiseres een letterlijke schriftelijke weergave overgelegd. Uit deze weergave blijkt dat [A] aan de gemachtigde van eiseres heeft meegedeeld dat slechts de nationaliteit van eiseres bevestigd is. Blijkens de mededeling van [A] betekent dit evenwel niet dat daarmee tevens een toezegging is gedaan dat ten behoeve van eiseres ook een lp zal worden verstrekt. De bevestiging van de nationaliteit van eiseres betreft stap één. Het verstrekken van een lp ten behoeve van haar uitzetting naar Nigeria betreft stap twee. Aan die stap zijn de Nigeriaanse autoriteiten nog niet toegekomen, omdat men nog geen idee heeft wanneer er weer vluchten naar Nigeria kunnen zijn. Volgens eiseres is uit deze mededeling af te leiden dat het, anders dan verweerder doet voorkomen, allerminst zeker is dat die lp zal worden afgegeven. Om die reden is er volgens eiseres geen zicht op haar uitzetting naar Nigeria.

12. In reactie op de ingebrachte weergave van het telefoongesprek van de gemachtigde van eiseres met [A] heeft ook verweerder telefonisch contact opgenomen met de Nigeriaanse ambassade. Uit een telefoonnotitie van 17 juli 2020 van de regievoerder blijkt dat ene [B] , een medewerker van de Dienst Internationale Aangelegenheden, die ochtend had gesproken met de consul van Nigeria. Van dit gesprek heeft [B] omstreeks

10.15

uur verslag uitgebracht aan de regievoerder. Blijkens deze telefoonnotitie heeft de consul aan [B] meegedeeld dat er in principe altijd een lp wordt verstrekt na een nationaliteitsbevestiging, tenzij er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden.

[B] heeft aan de regievoerder verteld dat dit volgens de consul vooralsnog niet van toepassing is op eiseres. De consul wilde evenwel nog verifiëren bij [A] wat deze precies besproken had met de gemachtigde van eiseres. Mocht daar niets bijzonders uitkomen, dan blijft de situatie dat er een lp afgegeven wordt mocht verweerder daarom verzoeken. Blijkens een tweede telefoonnotitie van 17 juli 2020 heeft [B] omstreeks 13.00 uur opnieuw contact opgenomen met de regievoerder. [B] deelde de regievoerder mee dat de consul hem nogmaals telefonisch had bevestigd dat een nationaliteitsbevestiging een lp- toezegging betekent, zodra er vluchtgegevens bekend zijn. Volgens [B] heeft de consul hem meegedeeld dat er ten aanzien van eiseres geen bijzondere omstandigheden zijn die dit anders maken.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de telefoonnotities die zowel de gemachtigde van eiseres als verweerder hebben ingebracht. Dat neemt niet weg dat de rechtbank meer waarde hecht aan de informatie die de consul tot twee maal toe en ná overleg met [A] heeft verschaft aan [B] . Uit deze informatie blijkt dat de bevestiging van de nationaliteit van eiseres wel degelijk betekent dat de Nigeriaanse autoriteiten daarmee tevens de toezegging hebben gedaan dat ten behoeve van haar uitzetting naar Nigeria ook een lp zal worden verstrekt op het moment dat verweerder de vluchtgegevens bekend maakt. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de weergave van het gesprek dat de gemachtigde van eiseres met [A] heeft gevoerd op zich wel juist is. Echter, de mededeling die [A] toen heeft gedaan met betrekking tot de toezegging van de verstrekking van een lp was niet (geheel) correct. Uit die mededeling kan daarom niet worden afgeleid dat het nog onzeker is of de Nigeriaanse autoriteiten ten behoeve van de uitzetting van eiseres een lp zullen verstrekken. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

15. Eiseres voert voorts aan dat verweerder en de rechtbank in haar vorige procedures bij de beoordeling respectievelijk de toets van het zicht op uitzetting ten onrechte steeds betrokken hebben dat eiseres niet heeft meegewerkt aan haar uitzetting. De rechtbank gaat aan dit argument voorbij, omdat verweerder een dergelijke beoordeling in de onderhavige procedure niet heeft gemaakt.

Heeft verweerder voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiseres?

16. Volgens eiseres had het in de gegeven omstandigheden op de weg van verweerder gelegen om de lp-aanvraag ten behoeve van de uitzetting van eiseres vaker onder de aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten te brengen. Deze lp-aanvraag is immers van

3 februari 2020 en het is gebleken dat verweerder na 12 maart 2020 niet meer heeft gerappelleerd. Volgens eiseres is het enkele feit dat verweerder periodiek vertrekgesprekken met haar voert onvoldoende om te kunnen spreken van voldoende voortvarend handelen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is geweest om vaker te rappelleren in verband met de

lp-aanvraag. De Nigeriaanse autoriteiten hadden immers al de toezegging gedaan dat de lp ten behoeve van de uitzetting van eiseres zal worden afgegeven op het moment dat verweerder een concrete vluchtdatum kon aangeven. Wanneer verweerder in dit verband vaker had gerappelleerd, dan had dit dus niet toe geleid dat de lp eerder zal worden afgegeven. Ook deze beroepsgrond treft dus geen doel.

Heeft verweerder een juiste belangenafweging gemaakt?

18. Eiseres voert aan dat zij inmiddels vijf maanden van haar vrijheid is beroofd. Volgens haar heeft verweerder geen aanknopingspunten aangereikt voor de veronderstelling dat zij kan worden uitgezet vóór het verstrijken van de bewaringsduur van zes maanden. Een dergelijke langdurige maatregel van bewaring vindt eiseres onredelijk. Daarbij meent zij dat in ogenschouw moet worden genomen dat in de vorige procedure een oneerlijk proces heeft gehad en dat een concreet zicht op uitzetting niet aan de orde is.

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Hiertoe heeft verweerder mogen aanvoeren dat de belangen van verweerder bij de voortduring van de maatregel van bewaring in de eerste zes maanden in beginsel zwaarder wegen. Hierbij heeft verweerder laten meewegen dat eiseres niet heeft meegewerkt aan haar uitzetting. Zo heeft zij nagelaten om direct bij de aanvang van de maatregel van bewaring haar reisdocumenten over te leggen. Ook heeft zij niet al haar voornamen genoemd en heeft zij onjuiste informatie gegeven over haar geboortedatum. In hetgeen eiseres heeft gesteld, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om tot een andere afweging van de belangen te komen. Ook deze beroepsgrond faalt daarom.

Conclusie

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van verweerder om de maatregel van bewaring van eiseres voort te laten duren in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van H. Achrak, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

11 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.