Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13590

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
NL20.7891
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig - besluit genomen - geen gronden tegen besluit - beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7891

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: H.Q. van der Zaan).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Overwegingen

  1. De rechtbank overweegt dat het beroep is aangehouden vanwege de afgekondigde maatregelen rondom het coronavirus. Deze maatregelen beperkten verweerder in de mogelijkheden om eiser in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag te onderbouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep nog langer aan te houden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de maatregelen rondom het coronavirus inmiddels zijn versoepeld en verweerder voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn organisatie aan te passen aan de maatregelen die thans nog gelden. De rechtbank gaat daarom over tot een beoordeling van het beroep. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

  2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.

  3. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvraag van eiser. In zijn verweerschrift van 12 mei 2020 geeft verweerder dit ook aan. Verweerder stelt zich in zijn brief van 21 juli 2020 echter op het standpunt dat eiser geen belang meer heeft

bij het onderhavige beroep, omdat verweerder op 17 juli 2020 alsnog een besluit heeft genomen. Volgens verweerder moet het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard worden. De rechtbank volgt verweerder in deze stelling. Omdat verweerder op 17 juli 2020 alsnog een besluit op de asielaanvraag heeft genomen, heeft eiser immers bereikt wat hij met zijn beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen kon bereiken. Dat betekent dat het belang bij een uitspraak van de rechter, het zogenoemde procesbelang, niet langer bestaat en het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. In het besluit van 17 juli 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 verleend met ingang van 8 augustus 2019, geldig tot 8 augustus 2024. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder geen dwangsom aan eiser is verschuldigd. De rechtbank heeft eiser bij brief van 21 juli 2020 in de gelegenheid gesteld om te berichten of hij het eens is met dit besluit. Hierbij is vermeld dat als eiser het niet eens is met het besluit, hij de gelegenheid heeft om uiterlijk op 4 augustus 2020 uit te leggen waarom hij het hier niet mee eens is. Eiser heeft hier tot op heden niet op gereageerd.

6. Nu eiser geen gronden heeft ingediend tegen de door verweerder verleende vergunning of tegen het besluit van verweerder om geen dwangsom aan eiser toe te kennen, neemt de rechtbank aan dat het alsnog genomen besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank zal dit besluit daarom verder onbesproken laten.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

04 september 2020

Documentcode: DSR12618269

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.