Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13550

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
NL20.21101
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

‘Bewaring o.g.v. 59a Vw. Grondslag betwist: vluchteling; Verdrag van Straatsburg vs. Dublinverordening. Toetsingskader bewaringsrechter: aanknopingspunten Dublin. Verder staandehouding, gronden, voortvarendheid en lichter middel betwist. Beroep ongegrond’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.21101


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft op 21 december 2020 het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om nadere stukken en standpunten in te dienen en heeft eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

De rechtbank heeft op 22 december 2020 stukken en standpunten van partijen ontvangen en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 50a van de Vw is staandegehouden en op grond van artikel 59a van de Vw als zogeheten Dublinclaimant in bewaring is gesteld. Eiser is in Denemarken als vluchteling aangemerkt en valt daarom niet onder de werking van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening), maar onder de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid voor vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239; hierna: het Verdrag van Straatsburg). De bewaringsgrondslag is dan ook onjuist.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

1.1.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat er aanknopingspunten zijn dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is.

Blijkens de Eurodac-gegevens heeft eiser, die de Syrische nationaliteit bezit, zich op 2 september 2014 in Denemarken gemeld en daar asiel aangevraagd. In 2015 is aan hem internationale bescherming verleend.

Eiser heeft weliswaar zelf verklaard dat zijn verblijfsvergunning in Denemarken is ingetrokken vanwege strafrechtelijke veroordelingen en dat aan hem een inreisverbod is opgelegd. Echter de Eurodac-gegevens vermelden niets over de intrekking van eisers vergunning of status.

Eiser is vervolgens naar Nederland gekomen en heeft hier op 3 april 2019 een verzoek om internationale bescherming ingediend.

Verweerder heeft op 10 mei 2019 een claimverzoek gedaan bij de Deense autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Denemarken is op

13 mei 2019 akkoord gegaan met de claim en acht zichzelf kennelijk verantwoordelijk voor eiser.

Verweerder heeft bij beschikking van 1 juli 2020 eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw en heeft een overdrachtsbesluit genomen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is ongegrond verklaard.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 10 november 2020 deze uitspraak bevestigd en eisers verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Eiser is inmiddels op 18 december 2020 overgedragen aan de Deense autoriteiten in het kader van de Dublinverordening.

1.2.

Het is niet aan de bewaringsrechter om te beoordelen of de Dublinverordening op eiser van toepassing is. Dit kan immers aan de orde worden gesteld in het kader van de procedure tegen het Dublin-overdrachtsbesluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk onder meer de uitspraak van 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280) staat het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vw er aan in de weg dat de rechtbank bij de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens de rechtmatigheid van een ander besluit kan toetsen. Het Dublin-overdrachtsbesluit van 1 juli 2020 is reeds beoordeeld in beroep en in hoger beroep door de Afdeling. Dit besluit is daarmee in rechte vast komen te staan.

1.3.

Uit de uitspraak van 28 juni 2018 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:2162) blijkt verder dat artikel 59a, eerste lid, van de Vw prevaleert wanneer een vreemdeling op meerdere grondslagen in bewaring kan worden gesteld.

Vanwege het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser staande kon houden op grond van artikel 50a van de Vw en hem als Dublinclaimant in bewaring kon stellen op grond van artikel 59a van de Vw.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat indien eiser het oneens is met de beslissing over zijn verblijfsvergunning of status, hij dit in Denemarken moet aanvechten.

2. Eiser voert als beroepsgrond aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.1.

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.2.

Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser bij zijn binnenkomst in Nederland niet in het bezit was van een paspoort of visum, zodat grond 3a aan hem kon worden tegengeworpen. Eisers niet geconcretiseerde stelling dat sprake is van overmacht volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor in 1.1. is genoemd, is eisers asielaanvraag in Nederland niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, zodat ook grond 3j aan eiser kon worden tegengeworpen. Deze zware gronden zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen.

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering.

Eiser wijst er op dat hij psychisch zwaar belast is en stelt dat verweerder de eerste poging om eiser over te dragen op 10 december 2020 ondeugdelijk aangepakt heeft.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1.

In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland.

Uit de stukken en de toelichting van verweerder blijkt dat op 10 december 2020 een vlucht/overdracht voor eiser naar Denemarken gepland stond. Omdat een deel van eisers (volgens het BMA-advies noodzakelijke) medicatie niet was meegegeven, moest deze vlucht geannuleerd worden. Verweerder heeft vervolgens direct een nieuwe vlucht aangevraagd. Omdat hij moet worden begeleid door (medische) escorts, was de eerstvolgende mogelijkheid op 18 december 2020. Hoewel het annuleren van de eerste vlucht, zeker gezien eisers medische/psychische omstandigheden, vervelend is voor eiser, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder daarmee ondeugdelijk of onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft zijn verantwoordelijkheid genomen voor eiser, door hem niet te laten vliegen zonder de benodigde medicatie.

Nu eiser op 3 december 2020 in bewaring is gesteld, stelt de rechtbank vast dat de overdracht van eiser, ondanks de eerdere annulering, op 18 december 2020, dus op een termijn van twee weken en één dag, aan Denemarken heeft plaatsgevonden.

4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is kwetsbaar/suïcidaal en zou vanwege zijn medische/psychische omstandigheden niet in bewaring moeten zijn gesteld.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit die gronden en de omstandigheden kan een risico op onttrekking worden afgeleid. Daarbij speelt ook mee dat eiser meermalen te kennen heeft gegeven dat hij niet wil terugkeren naar Denemarken.

Verweerder heeft het feit dat eiser meerdere pogingen tot suïcide heeft ondernomen in de maatregel overwogen. Eiser is onder de aandacht van de medische dienst. Ten aanzien van hem is een BMA-advies uitgebracht, waarmee verweerder rekening houdt/heeft gehouden bij zijn uitzetting. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij detentieongeschikt is. Ook zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden in het dossier.

5.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. van Driel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.