Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13545

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
NL20.15808
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Zwitserland, niet intentie asiel aanvragen, Eurodac, ongegrond (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:13547)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15808

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft 1 september 2020 via geluid- en videoverbinding (skype) plaatsgevonden. Op deze zitting is ook de zaak NL20.15809 behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.

  2. Eiser voert aan dat hij niet terug wil naar Zwitserland, omdat hij nooit de bedoeling had om daar heen te gaan en ook nooit asiel heeft willen aanvragen. Volgens eiser zijn de vingerafdrukken die door hem zijn afgegeven onterecht gekoppeld aan een asielaanvraag.

Aangezien hij niet ondubbelzinnig een asielaanvraag kenbaar heeft gemaakt, ontbreekt zijn asielaanvraag in Zwitserland en dit staat aan overdracht aan Zwitserland in de weg.

3. De rechtbank overweegt dat uit het resultaat van het onderzoek in het Eurodac- systeem blijkt dat eiser in Zwitserland wel een asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank verwijst hierbij naar artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) 407/2002, waarin is aangegeven dat gegeven van asielzoekers worden aangeduid met een ''1'', zoals ook in het resultaat van het onderzoek naar eisers vingerafdrukken staat vermeld. Uit lijst A van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 volgt dat een treffer in Eurodac geldt als bewijs van de indiening van een asielverzoek. Artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening bepaalt dat een vreemdeling bewijs kan leveren van het tegendeel. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft alleen gesteld dat hij niet asiel aan wilde vragen in Zwitserland en dat zijn vingerafdrukken onterecht zijn gekoppeld aan een asielaanvraag, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van de juistheid van het resultaat van het onderzoek in het Eurodac-systeem en het claimakkoord van Zwitserland. Dit staat dan ook niet aan overdracht aan Zwitserland in de weg.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

07 september 2020

Documentcode: DSR12609503

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.