Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13541

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
8147350 RL EXPL 19-25455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak bestaat geen discussie over de aansprakelijkheid van de verzekeraar jegens de netbeheerder. Wel voert de verzekeraar verweer tegen een aantal in rekening gebrachte (vaste) bedragen. Dit verweer is verworpen. De verzekeraar heeft namelijk geen inhoudelijk en concreet verweer gevoerd en de genoemde bedragen komen de kantonrechter niet bovenmatig of onjuist voor. Ook het bedrag voor de vaststelling van de aansprakelijkheid en schade is toegewezen. Datzelfde geldt voor de proceskosten omdat de dagvaarding voldoet aan de wettelijk gestelde vereisten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

RvV/CD

Zaak-/rolnummer: 8147350 RL EXPL 19-25455

25 november 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTLAND INFRA NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland,

eiseres,

gemachtigde: mr. F.J. van Velsen,

tegen

de naamloze vennootschap

Nationale Nederlandsen Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D. Bemelmans.

Partijen worden hierna aangeduid als “WIN” en “NN”.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 1 oktober 2019;

- de conclusie van antwoord;

- de akte overlegging producties van 25 april 2020 van de zijde van WIN;

- de in het geding gebrachte producties.

1.2.

In deze zaak heeft op 7 oktober 2020 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [betrokkene 1] is verschenen namens WIN, bijgestaan door mr. F.I.S.A.L. van Velsen. [betrokkene 2] is verschenen namens NN, bijgestaan door mr. D. Bemelmans. WIN heeft tijdens de mondelinge behandeling een korte notitie overgelegd. Van het overige dat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Deze aantekeningen bevinden zich in het procesdossier.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

WIN is netbeheerder in de zin van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998.

2.2.

Op 25 maart 2019 is door [naam vof] schade toegebracht aan een laagspanningskast van WIN. [naam vof] was op dit moment voor deze schade verzekerd bij NN.

2.3.

WIN heeft NN op 4 april 2019 per e-mail aansprakelijk gesteld voor de door [naam vof] veroorzaakte schade.

2.4.

Op 19 juli 2019 heeft WIN per e-mail een schadeopstelling verzonden. Op de schadeopstelling is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

omschrijving (…) bedrag

eigen personeel (…)

€ 416,50

materialen (…)

€ 2.018,14

kosten derden (…)

€ 422,18

diversen (…)

€ 420,00

vaste posten

storingsorganisatie: inkoop & logistiek, consignatie (…) € 2.000,00

storingsafhandeling-gebonden kosten € 950,00

directe schade € 6.222,82

vaststelling aansprakelijkheid en schade € 700,00

totaal € 6.926,82

(…)”

Gelijktijdig heeft WIN aan NN verzocht om het bedrag € 6.926,82 binnen 30 dagen aan haar te betalen.

2.5.

Namens NN is daarna aan WIN te kennen gegeven dat er een schade-expert is ingeschakeld om de schadeclaim te beoordelen.

2.6.

Op 12 september 2019 heeft Ron Snellen namens de door NN ingeschakelde schade-expert een e-mail verzonden aan WIN. In die e-mail is WIN gevraagd om een nadere onderbouwing te geven van de vaste kosten van € 2.000,-, € 950,- en € 700,-.

2.7.

WIN heeft diezelfde dag in een e-mail een toelichting gegeven op de verschillende kostenposten die zij in rekening heeft gebracht bij NN.

3 Vordering, grondslag en verweer

3.1.

WIN vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, NN te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 6.990,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.226,82 vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele betaling, met veroordeling van NN in de kosten van deze procedure.

3.2.

WIN legt aan deze vordering - samengevat - ten grondslag dat (de verzekerde van) NN onrechtmatig heeft gehandeld, door bij en voorafgaande aan haar werkzaamheden onvoldoende maatregelen te nemen om schade aan eigendommen van derden te voorkomen. NN dient om die reden de schade te vergoeden die WIN als gevolg van de beschadiging aan de laagspanningskast heeft geleden. Deze schade bedraagt € 6.226,82 aan herstelkosten. Daarnaast vordert WIN € 700,- aan kosten voor de vaststelling van schade, aansprakelijkheid en verhaal en een bedrag van € 64,14 aan wettelijke rente over het schadebedrag.

3.3.

NN heeft verweer gevoerd tegen de vordering van WIN. Op dat verweer zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat vast dat NN aansprakelijk is voor de schade van WIN aan de laagspanningskast. Partijen twisten wel over de hoogte van het door WIN gestelde schadebedrag. Meer in het bijzonder bestaat discussie over de hoogte van de vaste posten (ad € 2.950,-) en de kosten voor de vaststelling aansprakelijkheid en schade (ad € 700,-) die WIN op 19 juli 2019 bij NN in rekening heeft gebracht.

4.2.

Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt de partij die zich beroept op de rechtgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van deze feiten of rechten. Dit betekent dat het aan WIN is om feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen dragen dat zij de gestelde schade heeft geleden en NN verplicht is om deze schade te vergoeden. Indien en voor zover NN die stellingen voldoende gemotiveerd weerspreekt, zal WIN haar stellingen ook moeten bewijzen. Dit laat onverlet dat de rechter op grond van artikel 6:97 BW bevoegd (en gehouden) is de schade te begroten en om de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Als uitgangspunt hierbij geldt dat de benadeelde (in dit geval is dat WIN) zoveel mogelijk dient te worden geplaatst in de situatie waarin deze zou hebben verkeerd indien de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust niet zou hebben plaatsgevonden.

4.3.

NN heeft tegen de hoogte van de bij haar in rekening gebrachte bedragen aan vaste posten en aan kosten voor de vaststelling van aansprakelijkheid en schade als meest verstrekkende verweer naar voren gebracht dat WIN heeft nagelaten haar schadevordering te specificeren en (aan de hand van bewijsstukken) te onderbouwen. NN stelt zich verder op het standpunt dat zij niet gehouden kan worden om bij te dragen aan (1) de kosten voor het in standhouden van een storingsdienst, (2) de consignatiekosten en (3) de storingsafhandeling-gebonden kosten. Volgens NN behoren deze kostenposten tot de normale bedrijfsvoering van een netbeheerder en had NN deze kosten ook gemaakt als er door haar verzekerde geen schade was veroorzaakt. Daarmee ontbreekt volgens NN het causale verband tussen de verweten gedraging en de gevorderde schade. Verder betwist NN de hoogte van het bij haar in rekening gebrachte schadebedrag (van € 2.950,-). In dit verband heeft NN aangevoerd dat WIN een foutieve berekening heeft gehanteerd. Ten aanzien van de door WIN gevorderde kosten voor de vaststelling van aansprakelijkheid en schade heeft NN als verweer aangevoerd dat deze kosten dienen te worden afgewezen omdat er geen schikkingsonderhandelingen hebben plaatsgevonden.

Het bedrag aan vaste posten (ad € 2.950,-)

4.4.

In reactie op het verweer van NN heeft WIN voorafgaand aan de zitting een akte ingebracht. Daarin heeft zij (in productie E2) een (uitgebreide) toelichting gegeven op de vraag waarom zij een totaalbedrag van € 2.000,- aan “inkoop & logistiek” en “consignatiekosten”, alsmede een bedrag van € 950,- aan storingsafhandeling-gebonden kosten in rekening heeft gebracht bij NN.

4.5.

Ten aanzien van de kosten voor de inkoop en logistiek stelt WIN zich (meer in het bijzonder) op het standpunt dat zij genoodzaakt is om een storingsorganisatie in stand te houden. Het in standhouden van een storingsorganisatie brengt volgens WIN kosten met zich. Het gaat hierbij onder meer om de kosten voor het magazijn waarin het materiaal – dat 24/7 beschikbaar moet zijn – ligt opgeslagen en de kosten voor het personeel. WIN stelt daarbij dat zij voor de inkoop van materialen en de logistiek die daarmee gepaard gaat, een totaalbedrag van € 1.222.300,- per jaar aan kosten kwijt is. Van dit totale bedrag aan kosten kan volgens WIN een percentage van 30% worden toegerekend aan de afhandeling van storingen (30% maal € 1.222.300,- = € 366.690,-). Van het totaal aantal storingen wordt volgens WIN 20% veroorzaakt door een schadevoorval. Een evenredige toerekening van het totale bedrag aan de inkoop van materialen en de logistiek als gevolg van storingen, leidt daarmee tot een bedrag van (€ 366.690,- maal 20% =) € 73.338,- dat WIN stelt aan kosten kwijt te zijn voor de inkoop van materialen en de logistiek omdat er door derden schade wordt veroorzaakt. Om de kosten enigszins te dekken, wordt het laatstgenoemde bedrag door WIN ‘gestaffeld’ in rekening gebracht bij de schadeveroorzakers. WIN hanteert daarbij de volgende staffel:

Schadecategorie (bedrag van de directe schade)

Jaarlijkse hoeveelheid aan schades per schadecategorie

De gestaffelde kostenpost per schadecategorie

Totale bedrag per schadecategorie

< € 500,-

4

€ 150,-

€ 600,-

€ 500,- / € 1.000,-

43

€ 275,-

€ 11.825,-

€ 1.000,- / € 2.000,-

30

€ 475,-

€ 14.250,-

€ 2.000,- / € 3.000,-

9

€ 700,-

€ 6.300,-

€ 3.000,- / € 4.500,-

11

€ 1.000,-

€ 11.000,-

€ 4.500,- / € 6.000,-

3

€ 1.400,-

€ 4.200,-

€ 6.000,- / € 8.000,-

3

€ 1.800,-

€ 5.400,-

€ 8.000,- / € 10.000,-

2

€ 2.300,-

€ 4.600,-

> € 10.000,-

3

€ 3.250,-

€ 9.750,-

TOTAAL

108

€ 67.925,-

4.6.

De staffel die WIN hanteert, betekent – kort gezegd – dat hoe hoger het bedrag is dat door een derde aan schade is veroorzaakt, hoe hoger het bedrag is dat de schadeveroorzaker dient bij te dragen aan de noodzakelijke kostenpost van WIN voor de inkoop van materialen en de logistiek die daarmee gepaard gaat. Omdat in deze procedure voor een bedrag van € 3.276,82 aan schade is veroorzaakt, valt NN in de vijfde schadecategorie van de hiervoor weergegeven tabel. WIN heeft daarom een bedrag van € 1.000,- aan kosten voor de inkoop en logistiek in rekening gebracht bij NN.

4.7.

Naast het materiaal dat te allen tijde beschikbaar moet zijn, moeten er volgens WIN 24 uur per dag en 7 dagen per week mensen klaar staan om de storingen te verhelpen. Het gaat daarbij volgens WIN niet alleen om haar eigen personeel, maar ook om personeel van derden. Voor slechts het ‘klaar staan’ van de mensen, is WIN genoodzaakt om kosten te maken.

4.8.

WIN stelt daarbij dat zij voor de noodzakelijke consignatiediensten van haar eigen personeel en die van derden voor een totaalbedrag van € 287.200,- aan extra (loon)kosten kwijt is. Evenals bij het totale bedrag aan kosten voor de inkoop van het materiaal en de logistiek, wordt 20% van het aantal storingen veroorzaakt door een schadevoorval. WIN stelt daarom dat zij voor bedrag van (€ 287.200,- maal 20% =) € 57.440,- aan consignatiekosten kwijt is omdat er door derden schade wordt veroorzaakt.

4.9.

Verder is WIN hierbij genoodzaakt om schadeopnemers in te schakelen om de toedracht van de schade te onderzoeken. Dit brengt extra kosten met zich omdat ook de schadeopnemers 24 uur per dag en 7 dagen per week klaar moeten staan. Het bedrag aan kosten dat WIN hiervoor per jaar kwijt is, bedraagt volgens WIN € 17.400,-.

4.10.

Daarmee bedraagt het totale bedrag aan consignatiekosten (€ 57.440,- plus € 17.400,- =) € 74.840,- dat WIN naar eigen zeggen kwijt is omdat er door derden schade wordt veroorzaakt. Op exact dezelfde wijze als de kosten voor de inkoop en logistiek, wordt dit (totale) bedrag gestaffeld in rekening gebracht bij de schadeveroorzakers. Naast een bedrag van € 1.000,- aan kosten voor inkoop en logistiek, heeft WIN daarom een bedrag van € 1.000,- in rekening gebracht aan consignatiekosten bij NN.

4.11.

Verder meent WIN dat zij genoodzaakt is om kosten te maken voor het afhandelen van de storingen die veroorzaakt worden door derden. Het gaat daarbij volgens WIN om (1) reparatiegebonden kosten (zoals de kosten voor het innemen van een storingsmelding en het samenstellen van een storingsteam), (2) kosten voor het registreren en administreren van de storingen in het reguleringsdomein en om (3) kosten voor het bijwerken van het netwerkadministratie. Het totale bedrag voor deze drie kostenposten bedraagt volgens WIN € 319.000,- per jaar. WIN rekent, net als de hiervoor besproken kosten, een percentage van 20% van dit bedrag toe aan de storingen die veroorzaakt worden door derden. WIN stelt dat zij daarom een bedrag van (€ 319.000,- maal 20% =) € 63.505,- aan storingsafhandeling-gebonden kosten dient te maken omdat derden schade veroorzaken. Dit bedrag wordt eveneens gestaffeld in rekening gebracht bij de schadeveroorzakers. Hierbij hanteert WIN de volgende staffel:

Schadecategorie (bedrag van de directe schade)

Jaarlijkse hoeveelheid aan schades per schadecategorie

De gestaffelde kostenpost per schadecategorie

Totale bedrag per schadecategorie

< € 500,-

4

€ 135,-

€ 540,-

€ 500,- / € 1.000,-

43

€ 255,-

€ 10.965,-

€ 1.000,- / € 2.000,-

30

€ 450,-

€ 13.500,-

€ 2.000,- / € 3.000,-

9

€ 675,-

€ 6.075,-

€ 3.000,- / € 4.500,-

11

€ 950,-

€ 10.450,-

€ 4.500,- / € 6.000,-

3

€ 1.325,-

€ 3.975,-

€ 6.000,- / € 8.000,-

3

€ 1.650,-

€ 4.950,-

€ 8.000,- / € 10.000,-

2

€ 2.100,-

€ 4.200,-

> € 10.000,-

3

€ 2.950,-

€ 8.850,-

TOTAAL

108

€ 63.505,-

4.12.

Omdat de schade, zoals reeds is overwogen, € 3.276,82 bedraagt, heeft WIN een bedrag van € 950,- aan storingsafhandeling-gebonden kosten in rekening gebracht bij NN.

4.13.

Gelet op deze uitvoerige toelichting van WIN had het op de weg van NN – als relatief grote verzekeraar – gelegen om inhoudelijk en concreet verweer te voeren tegen de hoogte van de door WIN genoemde bedragen. Dat heeft NN niet gedaan. Zij betwist slechts de hoogte van de genoemde bedragen omdat de toelichting door WIN zelf, althans door haar juristen, is opgesteld. NN heeft evenwel nagelaten om van haar kant (bijvoorbeeld) een tegenbegroting in te dienen waaruit afgeleid kan worden wat in de gegeven omstandigheden en naar objectieve maatstaven volgens NN dan wel redelijke kosten zijn die een netbeheerder maakt als er schade wordt veroorzaakt door een derde. Dat een objectieve onderbouwing – zoals een verklaring van een onafhankelijke accountant – van de door WIN genoemde kostenposten ontbreekt, betekent bovendien niet dat de genoemde bedragen onjuist zijn. Daarbij is van belang dat, zoals WIN terecht meent, leidingschade zich (naar zijn aard) leent voor een abstracte schadebegroting. Dat geldt ook voor de hier aan de orde zijnde kostenposten (zie in dit verband: Gerechtshof Den Haag 9 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:699, rov. 2.20.-2.21. (Glazen Maas / Hak). Dit betekent, anders dan bij een concrete schadeberekening, dat WIN geen objectief verifieerbare feiten en omstandigheden – zoals bijvoorbeeld facturen, bankafschriften, personeelslijsten, salarisstroken of een accountantsverklaring – hoeft te stellen waaruit concreet afgeleid kan worden dat WIN daadwerkelijk het door haar bij NN in rekening gebrachte bedrag aan schade heeft geleden. Nu NN van haar kant heeft nagelaten om inhoudelijk en concreet verweer te voeren en de door WIN genoemde bedragen de kantonrechter niet bovenmatig of onjuist voorkomen, zal uitgegaan worden van de juistheid van de door WIN genoemde bedragen.

4.14.

Het verweer van NN dat de kosten tot de normale bedrijfskosten van WIN behoren en dat daarmee het causale verband ontbreekt, zal daarnaast worden verworpen. Het staat namelijk niet ter discussie dat leidingschades veelvuldig voorkomen en dat op WIN (als netbeheerder) mede de taak rust om leidingen (zo snel mogelijk) te repareren nadat een derde schade heeft veroorzaakt. De desbetreffende normale bedrijfskosten worden dus ook mede gemaakt met het oog op het noodzakelijk herstel van leidingschade die veroorzaakt wordt door derden. WIN heeft hierbij als onweersproken gesteld dat 20% van de storingen wordt veroorzaakt door derden. Het bedrag aan kosten brengt WIN, zoals hiervoor is weergegeven, gestaffeld in rekening bij de veroorzaker van de leidingschade; hoe hoger het bedrag aan schade dat door een derde is veroorzaakt aan een leiding, hoe meer een schadeveroorzaker dient bij te dragen aan de kostenposten. Onder deze omstandigheden is het redelijk (1) de aan de materiaalvoorraad toe te rekenen kosten voor inkoop en logistiek, alsmede (2) de kosten van de 24-uurs storingsdienst (de consignatiekosten én de storingsafhandeling-gebonden kosten), aan de schades door derden toe te rekenen overeenkomstig het aandeel van deze schades in de totale schade door storingen (zie in dit verband wederom: Gerechtshof Den Haag 9 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:699, rov. 2.22. (Glazen Maas / Hak). Omdat de instandhouding van een storingsdienst mede met het oog op leidingschades veroorzaakt door derden gerechtvaardigd is, is het niet van belang of de betreffende kosten ook zouden zijn gemaakt indien geen sprake zou zijn geweest van schades door derden (HR 23 september 1988, NJ 1989/743 (Kalimijnen)).

4.15.

Een en ander leidt tot de conclusie dat het door WIN gevorderde bedrag van € 2.950,- aan “vaste kosten” zal worden toegewezen.

Het bedrag voor de vaststelling aansprakelijkheid en schade (ad € 700,-)

4.16.

Uit de door WIN overgelegde e-mails volgt dat partijen in de preprocessuele fase hebben gecorrespondeerd. WIN heeft daarbij getracht om NN buiten rechte tot betaling te bewegen. Het staat vast dat NN dat, ondanks de pogingen van WIN en zelfs nadat WIN een toelichting heeft gegeven op de verschillende kostenposten die zij in rekening heeft gebracht bij NN, niet, althans niet volledig, heeft gedaan. De kosten die de gemachtigde van WIN heeft moeten maken om NN tot betaling te bewegen, worden aangemerkt als schade en komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 BW (zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het AMEV/Staat-arrest van 16 oktober 1998; NJ 1999/196). Het bedrag voor de vaststelling van aansprakelijkheid en schade van in totaal € 700,-, die overigens in lijn liggen met het toepasselijk tarief zoals opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en dus redelijk worden geacht, zullen dan ook, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

De wettelijke rente

4.17.

Nu NN geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de wettelijke rente, zal de wettelijke rente, als onweersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

De proceskosten

4.18.

NN heeft ook verweer gevoerd tegen de toewijzing van de proceskosten. Volgens NN heeft WIN een dagvaarding uitgebracht die niet, althans onvoldoende, is toegespitst op deze zaak. Volgens NN heeft WIN ook de op haar rustende waarheidsplicht, substantiëringsplicht en bewijsaandrachtplicht geschonden.

4.19.

Volgens de hoofdregel van artikel 237 lid 1 Rv wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij. Volgens ditzelfde wetsartikel kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. In dit geval zijn de kosten (voor het uitbrengen van de dagvaarding en het bijwonen van de zitting) niet nodeloos veroorzaakt. In de preprocessuele fase is tussen partijen gecorrespondeerd. Uit de door WIN overgelegde e-mails volgt dat zij, na vragen van NN, althans van de door haar ingeschakelde schade-expert, een toelichting heeft gegeven op de verschillende kostenposten die zij in rekening heeft gebracht bij NN. Dit heeft er evenwel niet toe geleid dat NN het totale bedrag aan schade heeft betaald, terwijl zij daartoe wel verplicht was (zoals hiervoor is overwogen). NN is ook niet tot betaling overgegaan nadat WIN (voorafgaand aan en tijdens de zitting) een (uitgebreide) toelichting heeft gegeven op de herkomst van de in rekening gebrachte bedragen. Dat WIN heeft besloten om NN in rechte te betrekken en NN te dagvaarden, is daarom niet onredelijk.

4.20.

De kantonrechter verwerpt ook het verweer dat de dagvaarding niet, althans onvoldoende is toegespitst op deze zaak.

4.21.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d. Rv dient een dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van het derde lid van dit wetsartikel dient de dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor te vermelden. Verder dient de dagvaarding de bewijsmiddelen te vermelden waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis. Op grond van artikel 21 Rv dient een eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

4.22.

Anders dan NN meent, is de kantonrechter van oordeel dat aan de hiervoor genoemde vereisten is voldaan. Zo vermeldt de dagvaarding onder meer dat (1) de verzekerde van NN (2) op 25 maart 2019 (3) met een vrachtwagen (4) schade heeft toegebracht aan een laagspanningskast van WIN. In de dagvaarding wordt ook uiteengezet (5) wat volgens WIN de hoogte van de schade is en (6) waarom WIN meent dat NN gehouden is om die schade aan WIN te vergoeden. Ook bevat de dagvaarding (7) het verweer van NN (dat gericht is tegen de hoogte van diverse vaste posten in de schadeopstelling) en (8) de toelichting die WIN per e-mail aan NN heeft gegeven op de verschillende kostenposten die zij in rekening heeft gebracht bij NN. Daarmee is de dagvaarding weliswaar kort, maar bevat zij naar het oordeel van de kantonrechter al het noodzakelijke – de eis en de gronden daarvan – dat volgens artikel 111 en 21 Rv vereist is. Het moet daarom voor NN voldoende duidelijk zijn waarom zij in rechte is betrokken en tegen welke stellingen zij verweer diende te voeren (hetgeen zij overigens ook heeft gedaan).

4.23.

Het verweer van NN op dit punt zal dan ook worden verworpen. NN zal daarom worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt NN om tegen kwijting aan WIN te betalen een bedrag van € 6.990,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.226,82 vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele betaling;

- veroordeelt NN in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van WIN vastgesteld op € 1.172,40 waarvan € 600,- als het aan de gemachtigde van WIN toekomende salaris;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D.E. Alink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2020.