Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
NL20.15699
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Slovenië, artikel 17, coronavirus, ongegrond (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:13481)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15699

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Ceylan), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft op 1 september 2020 via beeld- en geluidverbinding plaatsgevonden. Op deze zitting is ook de zaak NL20.15700 behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.

  2. Eiser voert aan dat ten opzichte van Slovenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Hij heeft in Slovenië een onmenselijke behandeling ondergaan in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het is niet uitgesloten dat dit

nogmaals zal gebeuren. Hij heeft geen bescherming hiertegen gekregen van de Sloveense autoriteiten. Daarnaast vallen asielzoekers erg op vanwege de homogene bevolkingssamenstelling en de bevolking is bovendien strenger en minder vriendelijk voor asielzoekers. Eiser beroept zich verder op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2018 en het rapport van [naam organisatie] van 1 april 2019. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser verwijst in dit verband ook naar het reisadvies van het ministerie van Buitenlandse zaken voor Slovenië. Hieruit volgt dat in Slovenië reisbeperkingen gelden voor eiser, dat hij verplicht in quarantaine moet en dat alleen noodzakelijke reizen moeten worden uitgevoerd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het vertrek van eiser naar Slovenië noodzakelijk is, terwijl het besmettingsgevaar verkleind kan worden door de asielaanvraag aan zich te trekken. Daarbij had verweerder om proceseconomische redenen het asielverzoek aan zich moeten trekken. Uit beleid van verweerder blijkt dat verweerder dit kan doen in het geval van een veilig land van herkomst. Algerije is een veilig land van herkomst en volgens de Dienst Terugkeer en Vertrek is zowel gedwongen als zelfstandige terugkeer naar Algerije mogelijk binnen aan afzienbare tijd na afhandeling van het verzoek conform artikel 3.109ca van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Het bestreden besluit moet daarom vernietigd worden vanwege de onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijk motivering en vanwege strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 17 van de Dublinverordening.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft dit nog weer bevestigd in haar uitspraak van 9 september 20191. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders ligt.

4. Uit de informatie die eiser heeft overgelegd blijkt niet dat sprake is van systematische tekortkomingen in het Sloveense asiel- en opvangsysteem. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2018 is in hoger beroep door de ABRvS in de uitspraak van 9 september 2019 vernietigd. Verder heeft de ABRvS bij uitspraak van 24 oktober 20192 de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 26 september 20193 bevestigd. In deze uitspraak is onder meer geoordeeld dat uit het rapport van [naam organisatie] weliswaar blijkt dat de Sloveense autoriteiten een aantal personen die asiel wilden aanvragen in Slovenië aan de grens hebben geweigerd en zonder procedure hebben teruggestuurd naar Kroatië, maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat in Slovenië sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen.

5. Ook uit het persoonlijk relaas van eiser blijkt niet dat sprake is van systematische tekortkomingen. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in Slovenië slecht en onmenselijk is behandeld en dat hij niet is beschermd door de Sloveense autoriteiten. Ook dat de bevolking onvriendelijk zou zijn tegen asielzoekers heeft eiser verder niet aannemelijk gemaakt. Daarbij ligt het op de weg van eiser om bij voorkomende problemen te klagen bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of dat klagen zinloos is.

1 ECLI:NL:RVS:2019:2992.

2 201907362/1/V3.

3 ECLI:NL:RBROT:2019:7594.

6. Verweerder heeft in de omstandigheden van eiser in redelijkheid geen aanleiding hoeven ziet om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. Deze omstandigheden zijn niet zo individueel of bijzonder dat verweerder een uitzondering had moeten maken. De omstandigheden omtrent het coronavirus maken niet dat verweerder anders had moeten beslissen. De ABRvS heeft in de uitspraak van 8 april 20204 geoordeeld dat de omstandigheid dat niet kan worden overgedragen vanwege de gevolgen van het coronavirus een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit doet niet af aan de verantwoordelijkheid van Slovenië voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Verweerder heeft verder op de zitting aangegeven dat het bij de overdrachten gaat om maatwerk en dat in overleg met het verantwoordelijke land zal worden bekeken of de overdracht op een bepaald moment mogelijk en verantwoord is. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet op voorhand duidelijk is of binnen de daarvoor geldende termijn geen overdracht kan plaatsvinden dan wel dat dit om redenen van (volks)gezondheid niet verantwoord is.

7. De rechtbank overweegt verder dat uit paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt dat verweerder op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening een asielverzoek in ieder geval in behandeling neemt wanneer er naar het oordeel van de IND proceseconomische redenen zijn, met name wanneer de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst en na afhandeling van het verzoek in de procedure conform artikel 3.109ca van het Vb binnen afzienbare tijd terugkeer naar het land van herkomst gewaarborgd is. Het is aan verweerder om te beoordelen of deze proceseconomische redenen zich voordoen. Verweerder betoogt dat hiervan in dit geval geen sprake is, omdat eiser uit Algerije komt. De enkele omstandigheid dat Algerije een veilig land van herkomst is, heeft verweerder niet voldoende bevonden om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken. Reeds omdat een gewaarborgde terugkeer onderdeel uitmaakt van deze beoordeling, heeft verweerder tot deze beslissing mogen komen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

4 ECLI:NL:RVS:2020:1032.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

07 september 2020

Documentcode: DSR12610447

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.