Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13351

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
AWB 20/3561
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

8:54 Awb - visum kort verblijf - Artikel 32 Visumcode - Corona - Koushkaki - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3561

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van in de zaak tussen

[naam], eiseres,

v-nummer: [#]

[gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld],

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

[gemachtigde mr. M. Demoed-Van Dongen].

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van

eiseres tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 6 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres

kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Filipijnse nationaliteit. Zij vraagt een visum voor kort verblijf bij haar partner [naam 2]. De aanvraag dateert van 29 oktober 2019.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen op de gronden genoemd in artikel 32, lid 1, onder a) ii en onder b) van de Visumcode.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard op grond van artikel 32, lid 1, onder a) vi van de Visumcode en artikel 2, lid 21 van de Schengengrenscode.2 Hieraan ligt ten grondslag dat eiseres niet in aanmerking komt voor een visum, omdat door de COVID-19-(corona)pandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie (EU) ter bescherming van de volksgezondheid.

3. Op grond van artikel 32, lid 1, onder a) vi van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid als omschreven in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode, of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name of hij om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staat in de nationale databanken van de lidstaten.

Op grond van artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode wordt onder ‘gevaar voor de volksgezondheid’ verstaan elke potentieel epidemische ziekte zoals gedefinieerd in de Internationale Gezondheidsregeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voor zover het gastland beschermende regelingen treft ten aanzien van de eigen onderdanen.

4. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862) volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten, over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet (gemotiveerd) betwist dat COVID-19 kan worden aangemerkt als een epidemische ziekte als bedoeld in bovenstaand artikellid uit de Schengengrenscode. Ook betwist eiseres niet dat Nederland, naast de entry ban, beschermende maatregelen heeft getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen. Eiseres kan, vanwege het doel van haar visumaanvraag ‘bezoek aan partner’, niet worden aangemerkt als reiziger met een essentiële functie of aan wiens aanwezigheid een wezenlijk belang wordt gehecht en aan wie daarom een visum verleend moet worden. Gelet op de aard van de pandemie – zijnde een epidemie op wereldwijde schaal –, het besmettingsgevaar, de op dat moment geldende maatregelen en de snelle verspreiding van het virus vormde eiseres als reiziger uit het buitenland op dat moment een mogelijke bedreiging van de volksgezondheid. Verweerder was daarom ten tijde van het bestreden besluit bevoegd om deze afwijzingsgrond te hanteren zonder te beoordelen of eiseres als individu een specifiek gevaar vormde.

5. Los van het feit dat verweerder binnen de wettelijk voorgeschreven termijn behoort te beslissen, bestond er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te wachten met het nemen van het bestreden besluit omdat het onduidelijk was of, wanneer en eventueel voor hoe lang de maatregelen, genomen vanwege de COVID-19 pandemie, verlengd zouden worden en voor welke landen de grenzen weer opengesteld zouden worden. De omstandigheid dat verweerder er ook voor had kunnen kiezen om de beslistermijn op te schorten zodat eiseres geen aanvullende kosten hoeft te maken doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De beroepsgronden slagen niet.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar terecht ongegrond verklaard.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L van der Kammen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 september 2020

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de raad van 13 juli 2009.

2 Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016.