Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13320

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
NL20.16318
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:57 Awb - Dublin Duitsland - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.16318


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. R. Bom),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag

van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de

behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en gelijktijdig met het beroep een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft toestemming gegeven om de zaak buiten zitting af te doen. Eiser heeft,

nadat hij is gewezen op zijn recht ter zitting te worden gehoord, niet binnen de daartoe

gestelde termijn meegedeeld dat hij van dit recht gebruik wil maken. Vervolgens heeft de

rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet

bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 14 juli 2020 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland

volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.1 De Duitse autoriteiten zijn

op 28 augustus 2020 akkoord gegaan met terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.2 Volgens verweerder zijn er geen

belemmeringen voor een feitelijke overdracht van eiser aan Duitsland.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij heeft bezwaren geuit tegen het feit dat hij wordt overgedragen aan Duitsland, omdat hij daar stelt te zijn uitgeprocedeerd. Verder stelt eiser dat hem in Duitsland is verzocht om het land te verlaten. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat hij gelet op het coronavirus niet kan worden verwijderd uit Nederland, aangezien niet uit te sluiten valt dat hij zal worden verwijderd naar een gebied waar hij een gezondheidsrisico loopt.

4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van

uitgaan dat Duitsland haar verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen documenten overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Voor zover eiser stelt dat hij is uitgeprocedeerd in Duitsland en dat de Duitse autoriteiten hem zouden hebben verzocht om het land te verlaten, oordeelt de rechtbank dat de Duitse autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd hebben eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Er bestaat op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat Duitsland zich niet aan haar verdragsverplichtingen en internationale verplichtingen houdt. Mochten zich onverhoopt toch problemen voordoen na terugkeer in Duitsland, dan dient eiser zich daarover te beklagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Eiser heeft niet met objectieve informatie aannemelijk gemaakt dat hij hiertoe in Duitsland geen mogelijkheid heeft, noch dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.

5. De enkele stelling van eiser dat overdracht aan Duitsland niet kan plaatsvinden in verband met de gestelde gezondheidsrisico’s, gelet op het coronavirus, leiden niet tot een ander oordeel. Eiser heeft zijn stelling niet met nadere stukken onderbouwd en niet is gebleken dat eiser bij terugkeer in Duitsland een onaanvaardbaar gezondheidsrisico loopt. Eiser is verder van mening dat de verwijdering dient te worden opgeschort totdat de situatie genormaliseerd is. Voor zover thans al sprake is van een overdrachtsbeletsel als gevolg van de coronacrisis, doet dit niets af aan de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.3

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Verordening (EU) nr. 604/2013.

3 Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032.