Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13314

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
09/171581-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuur ter beschikking gesteld voor tabletteerplaats MDMA. Medeplichtigheid aan bewerken MDMA. Schimmige onderverhuurconstructie, contante betaling, verdachte soms aanwezig tegelijk met andere verdachten en regelen en betalen stroomvoorziening. Voorwaardelijk opzet op gronddelict. Maximale werkstraf en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-171581-20

Datum uitspraak: 24 december 2020

Tegenspraak

(Vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.L.M. de l’Isle, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. P. Lootsma, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 16 juni 2020 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of XTC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 16 juni 2020 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, een (grote) hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in de periode van omstreeks 1 oktober 2019 tot en met 16 juni 2020 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) de door hem, verdachte, gehuurde schuur ter beschikking te stellen om als tabletteerplaats te dienen voor het vervaardigen en/of bewerken van MDMA.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de verdachte van de hem tenlastegelegde feiten integraal moet worden vrijgesproken, omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft de raadsman – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is er onvoldoende bewijs om tot medeplegen of plegen te komen. Op basis van het dossier kan geen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) worden vastgesteld. Er is geen link tussen de verdachte en de medeverdachten, ook niet na uitgebreid onderzoek naar de telefoon van de verdachte. Uit het dossier blijkt ook niet dat op andere wijze contact is geweest met de medeverdachten. Ook de historische zendmastgegevens waaruit blijkt dat de telefoon van de verdachte regelmatig zou hebben aangestraald op twee masten in de buurt van het lab zijn geen aanwijzing, nu het lab in de buurt van de A12 staat en verdachte daar dagelijks in verband met zijn werk rijdt,

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat het onderverhuren van een schuur geen strafbare medeplichtigheid oplevert. Het enkel ter beschikking stellen van een schuur door die schuur onder te verhuren is onvoldoende om te komen tot het opzet op het grondfeit, ook in voorwaardelijke zin. Er kan niet worden gesteld dat iemand bij het onderverhuren van een schuur bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat in die schuur een drugslab wordt geëxploiteerd. Een schuur heeft immers vele doeleinden.

3.3.

Vrijspraak

Voor de bewuste en nauwe samenwerking bij het bewerken van MDMA – of bij enige andere ten laste gelegde handeling – is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Er zijn weliswaar aanknopingspunten dat de verdachte vaker bij de schuur is geweest dan hij zelf heeft verklaard en dat hij wellicht meer betrokkenheid bij de schuur heeft gehad dan enkel het huren en onderverhuren hiervan en het verzorgen van de stroomvoorziening, maar dit is op zichzelf onvoldoende om het medeplegen bewezen te kunnen verklaren.

Dat hij verklaart [medeverdachte 1] – die op 16 juni 2020 uit het tabletteerlab komt met blauw poeder op gezicht, shirt, handschoenen en schoenen – niet te kennen, terwijl in zijn telefoon in WhatsApp wel “ [medeverdachte 1] [telefoonnummer] …]” staat opgeslagen (p. 423) en dat nummer geregistreerd staat op naam staat van vader [medeverdachte 1] en op het adres waar ook [medeverdachte 1] woont (p. 400), maakt zijn verklaringen niets met het tabletteerlab te maken te hebben niet geloofwaardiger. Dat hij ter zitting verklaarde niet te weten wie de [medeverdachte 1] uit zijn telefoon is, maar wel zeker te weten dat dat niet medeverdachte [medeverdachte 1] is, draagt evenmin bij aan die geloofwaardigheid. Bewijs voor het medeplegen is het echter onvoldoende.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020173233, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/ Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 620).

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 juni 2020, voor zover inhoudende (p. 199):

Op dinsdag 16 juni 2020 omstreeks 11:00 uur was ik, [verbalisant 1] , samen met collega [verbalisant 2] gekleed in uniform en belast met de surveillance. Wij gingen ter plaatse bij een locatie gelegen aan de [adres 2] te Nootdorp.

(…)

Ik liep naar de schuur en toen ik aan de voorkant stond zag ik dat de deur open was. Ik zag dat de deur niet volledig in het slot zat. Waardoor de deur op een kier stond. Ik benaderde de deur en toen ik er vlakbij stond rook ik een chemische geur. Ik opende de deur en zag binnen een ruimte van ongeveer drie meter breed en twee-en-halve meter diep. In die ruimte zag ik een vacuümmachine staan, die ik als zodanig herkende omdat ik soortgelijke apparaten heb gebruikt tijdens mijn bijbanen in de horeca. Ik weet dat dit veelal gebruikt wordt om stoffen of goederen luchtdicht en zonder lucht in de verpakking te verpakken. (…) Op de vloer zag ik een laagje blauw poeder liggen. Verder zag ik in de ruimte een bak met daarin meer van dat blauwe poeder, twee airco's, een witte zak met opdruk mg en afzuigstangen. De opdruk mg deed mij denken aan magnesium, daar mg de scheikundige afkorting is van magnesium. Ook zag ik een vuilniszak op de grond liggen. Toen ik eraan voelde rook ik een penetrante lucht die ik op mijn tong voelde branden en kon proeven. Ik nam een monster van het blauwe poeder in de bak en ben vervolgens weggegaan om het poeder te testen op het politiebureau.

(…)

Ik testte samen met [verbalisant 2] de poeder door middel van verschillende tests voor aantonen van aanwezigheid van verdovende middelen. (…)

Ik zag dat de uitslag van de test positief was op XTC. Hierna deed ik een Crystal meth/XTC specifieke test. Ik zag dat de test wederom positief testte op XTC.

(…)

Bij de schuur aangekomen hoorde ik twee stemmen praten vanuit de schuur en ik hoorde muziek vanuit de schuur. (…) Hierna klopte ik op de deur van het schuurtje en riep luidkeels: "Politie, kom naar buiten met je handen omhoog!". Ik zag de blindering van één van de ruitjes van de schuur verschuiven en een gezicht van een jonge man met donkerblond haar tevoorschijn komen. Deze man bleek later [medeverdachte 2] . Ik keek de man kort in zijn gelaat waarna de man de blindering weer terug plaatste en uit mijn zicht verdween. Hierop heb ik nogmaals luidkeels geroepen: "Naar buiten komen met je handen omhoog". Ik hoorde rommelende geluiden uit het schuurtje komen gedurende ongeveer een minuut. Na deze geschatte minuut zag ik de deur van de schuur openzwaaien. Ik zag twee mannen wegrennen van mij weg. Ik zag dat de man die richting [verbalisant 2] rende, naar later bleek [medeverdachte 1] , een donkere joggingbroek aanhad en een zwart T-shirt droeg. Ik rende achter [medeverdachte 1] aan en greep hem om zijn bovenlijf waarna wij samen ten val kwamen. Ik fixeerde de verdachte samen met [verbalisant 2] . (…) [verbalisant 3] bleef bij de verdachte en ik liep richting de schuur om te kijken of er meer verdachten in de schuur waren. Binnen zag ik een zestal blauwe bakken staan met daarin verschillende substanties. Ik zag dat een deel ervan blauw poeder was en een deel ervan was een bruine kristalachtige substantie die mij deed denken aan basterdsuiker. Achterin de schuur stond de binnendeur open en in die deuropening zag ik een machine met een soort horizontale trechter. In die machine zag ik blauw poeder. In de gehele schuur zag ik een blauwe stofdamp hangen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van de groep Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO), opgemaakt op 18 juni 2020, voor zover inhoudende (p. 321-325):

Door de brandweer werd aangegeven dat men het vermoeden had dat in het schuurtje een drugslaboratorium was gevestigd en dat men vanuit veiligheidsoverwegingen er voor had gekozen om de brand ongecontroleerd te laten uitbranden. Ter plaatse zag ik dat in de restanten van het schuurtje onder andere een tweetal tabletteermachines staan. De vermoedde dat in het schuurtje een tabletteerplaats aanwezig was geweest.

In het laboratorium werden onder andere aan getroffen:

SIN-code

Omschrijving

AAMH0617NL

Restanten van een aantal half verbrandde 25 kg zakken welke restanten wit poeder bevatten. Een zak bemonsterd.

AAMH0598NL

Ter hoogte van de staande tabletteermachine lagen de restanten

van een witte emmer met daarin een laag vochtige drab. Nadat

deze drab was verwijderd werden diverse blauwe tabletten

zichtbaar. Een tablet micro chemisch getest: bevat 3,4-

methyleendioxymetamfetamine (MDMA).

AAMH0601NL

Ovale metalen vulmond behorende bij een tabletteermachine,

rondloper. Deze vuilmond bevatte nog restanten goudkleurige drab. Deze is bemonsterd.

AAMH0602NL

Ter hoogte van de staande tabletteermachine lagen de restanten

van een ovale witte emmer met daarin restanten blauw poeder. Deze is bemonsterd.

AAMH0616NL

n dezelfde ruimte waar de staande tabletteermachine stond lagen de restanten van een ovale witte emmer met daarin blauw drab. Deze is bemonsterd.

AAMG9747NL

Tabletteermachine van Chinese makelij, rondloper, voorzien van 12 boven- en onderstempels alsmede 12 matrijzen. Van twee van de bovenstempels zijn met behulp van een slijpschijf de stempelkoppen verwijderd.

AADT0471NL

Kunststof haspel welke in een plastic zak was verpakt en welke

met grijs tape was dichtgebonden. Deze haspel verbond twee

elektrakabels welke tussen het schuurtje en de woning liepen.

AADT0470NL

Elektradoos welke zich langs het pad tussen de woning en het

schuurtje bevond. Deze elektradoos was gebruikt om een

verbinding te maken met een bestaande in de tuin aanwezige

stroomvoorziening en een grijze elektrakabel welke naar het

schuurtje liep.

AADT0469NL

Metalen slot, veiliggesteld in de brandresten. Dit slot werd middenin de brandresten van het schuurtje aangetroffen en behoorde vermoedelijk in een tussendeur. In het slot zat een sleutel welke was voorzien van een ring waaraan nog 2 sleutels zaten.

Restanten van een metalen crusher (vermaler), Chinese makelij. Wordt gebruikt om MDMA te vermalen.

Restanten van een metalen crusher.

Tabletteermachine van Chinese makelij, rondloper, voorzien van een turret met plaats voor 12 boven- en onderstempels alsmede 12 matrijzen. Deze tabletteermachine lag in delen uit elkaar en lag op z’n kant.

Restanten van een actief koolfilter met luchtafzuiger.

Restanten van een airco unit.

Restanten van een elektrisch kacheltje.

2 x metalen zeef.

Metalen mengkom met restanten van de elektromotor.

Ronde metalen vulmond behorende bij een Chinese

tabletteermachine, rondloper.

Groot aantal stempels en matrijzen, allen zwaar vervuild met

brandresten. Bevatte diverse logo’s waaronder Tesla.

Restanten van een groot aantal verschillende kleurstoffen

waaronder fluorescerend geel, oranje, rood, blauw, paars, groen,

goud.


In het schuurtje op het perceel [adres 2] te Nootdorp is getabletteerd waarbij met behulp van blauw tabletteerpoeder middels een tabletteermachine met grote capaciteit, blauwe MDMA-tabletten zijn geslagen. (…) Na de aankomst van de politie zijn twee manspersonen gevlucht welke besmet waren (volgens opgave) met blauw poeder. Direct daarna ontstond brand in het schuurtje.

3. Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op 16 juni 2020 op de locatie [adres 2] te Nootdorp) op 2 september 2020 opgemaakt door ing. [naam 1] , voor zover inhoudende (p. 439-443):

De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in onderstaand tabel:

Kenmerk

Omschrijving

Resultaat

AAMH0598NL

blauw poeder en beschadigde gleuftabletten, volgens opgave bemonstering van "Ter hoogte van de staande tabletteermachine lagen de restanten van een witte emmer met daarin een laag vochtige drab. Nadat deze drab was verwijderd werden diverse blauwe tabletten

zichtbaar. Een tablet micro chemisch getest: bevat 3,4-methyleendioxymetamfetamine (MDMA)"

bevat MDMA

AAMH0601NL

goudkleurige substantie, volgens opgave "Ovale metalen vulmond behorende bij een tabletteermachine, rondloper. Deze vuilmond bevatte nog restanten goudkleurige drab. Deze is bemonsterd."

Aanwijzing voor een lage concentratie MDMA.

AAMH0602NL

blauw samengeklonterd poeder, volgens opgave "Ter hoogte van de staande tabletteermachine lagen de restanten van een ovale witte emmer met daarin restanten blauw poeder. Deze bemonsterd."

bevat MDMA

AAMH0616INL

monster bruin poeder en brokjes, volgens opgave "In dezelfde ruimte waar de staande tabletteermachine stond lagen de restanten van een ovale witte emmer met daarin blauw drab. Deze is bemonsterd."

bevat MDMA

AAMG9747NL

bruin poeder op twee metalen stempelkoppen in een gripzakje, volgens opgave "Tabletteermachine van Chinese makelij, rondloper, voorzien van 12 boven- en

onderstempels alsmede 12 matrijzen. Van twee van de bovenstempels zijn met behulp van een stijpschijf de stempelkoppen verwijderd."

bevat MDMA

4. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] opgemaakt op 16 juni 2020, voor zover inhoudende (p. 309-314):

V: Aan wie verhuurd u de schuur die bij de woning ligt?
A: Aan [verdachte] . Een oude buurjongen. [verdachte] .

V: Sinds wanneer huurt hij de schuur?
A: Ik denk vanaf oktober 2019 ongeveer.

5. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] opgemaakt op 23 juni 2020, voor zover inhoudende (p. 286-288):

Wie is [verdachte] ?
De jongen die achter de schuur huurt.

Huurde hij dat van [naam 3] of van jou?
Van [naam 3] . Stroom betaalde hij aan mij. Dat was € 50 per maand. Eerst betaalde hij dat contant maar later op rekening.

Wat is zijn rekeningnummer?
[rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] .

Hoe vaak kwam [verdachte] hier?
Soms een paar keer per week en dan een tijd niet. Als [verdachte] er niet was, waren die jongens er met die rode auto.

6. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] opgemaakt op 2 juni 2020, voor zover inhoudende (p. 194-197):

De politie wilde dat ik een poortje of een deur opendeed, omdat die op slot was. Maar ik kon dat niet doen, omdat ik geen sleutel heb. Alleen de andere twee konden

dat doen, omdat die de sleutel wel hebben. De politie dacht dat ik met de andere twee was, daarom hebben zij me meegenomen. Ik ken ze niet bij naam. Alleen hebben ik wel gehoord dat zij die ruimte van de Nederlander hebben gekocht of gehuurd. Ik kan verder niets over hun vertellen, behalve dan dat zij de huurders zijn van die ruimte. En als zij daar af en toe naartoe komen, parkeren zij de auto voor het poortje.

Hoe lang komen zij daar al?

Af en toe doordeweeks, maar meestal in het weekend.

Maar sinds wanneer is dat dan?

In oktober 2019, toen ik voor het eerst naar Nederland kwam, zei mijn collega dat die mensen daar al kwamen en dat de elektriciteit niet uitgeschakeld mocht worden. Er liep een kabel vanuit het huis naar buiten en zij mochten het niet uitschakelen.

Mijn collega zei dat zij die instructie hebben gekregen van de huisbaas.

Met welke auto kwamen die jongens?

Met een rode Seat Leon.

7. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , opgemaakt op 23 juni 2020, voor zover inhoudende (p. 286-288):

Hoe vaak waren die jongens er?
Twee à drie keer per week. Zij kwamen met die rode auto en [verdachte] kwam alleen, met een Volkswagen Transporter. [verdachte] was altijd hier als die rode auto er was.

8. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 373) voor zover inhoudende :

Hoe werd die schuur afgesloten?

Met een sleutel. Er zat een slot op. Diegene die dat huurde van mij. Die heeft dat slot erin gezet.

9. het proces-verbaal in de wettelijke opgemaakt door de rechter-commissaris, inzake het verhoor van verdachte van 2 juli 2020, voor zover inhoudende:

Als ik van dat soort dingen af zou weten, dan zou ik toch geen geld overmaken aan iemand voor stroom?

10. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 december 2020;

Ik ben op het perceel aan de [adres 2] in Nootdorp geweest. Ik heb het schuurtje op dat perceel van [naam 3] gehuurd en uiteindelijk doorverhuurd. Ik was een keer spullen aan het inladen toen ik werd benaderd. Hij vroeg mij of hij de schuur kon huren. Verder kende ik die [naam 4] niet. Ik heb hem destijds vaker gezien. [naam 4] zou eens in de drie maanden betalen. De betaling ging cash. [naam 4] gooide het in mijn brievenbus. Ik betaalde het geld vervolgens weer aan [getuige 1] . Ik weet niet wat er zou gebeuren als [naam 4] niet zou betalen.

3.5

Bewijsoverwegingen

Op 16 juni 2020 treft de politie op het perceel [adres 2] te Nootdorp in een schuur die achter de woning staat een verdovende middelen laboratorium aan. Deze schuur is ingericht ten behoeve van de productie van harddrugs. Het LFO en het NFI hebben onderzoek gedaan en stellen aan de hand van de aangetroffen voorwerpen en chemicaliën vast dat deze passen bij de vervaardiging van MDMA-tabletten. Omdat de schuur na de aanhouding van de medeverdachten volledig is uitgebrand, kan het LFO over de hoeveelheid geproduceerde MDMA-tabletten geen uitspraak doen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat in het – uitgebrande– aangetroffen drugslaboratorium eerder productie van MDMA-tabletten heeft plaatsgevonden. In de bemonsteringen van het laboratorium worden door het NFI (sporen van) MDMA aangetroffen. Ook zijn er getuigen die verklaren over het af-en aanrijden van de verdachte en de medeverdachten naar de schuur.

De verdachte is huurder van de schuur aan de [adres 2] . De verdachte heeft verklaard dat hij niets met het drugslab van doen heeft en dat hij de op het perceel aanwezige schuur heeft verhuurd.

Medeplichtigheid

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de behulpzaamheid zelf – in deze zaak het beschikbaar stellen van de schuur – maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (het gronddelict), in deze zaak de vervaardiging van MDMA-tabletten.

Hoewel de rechtbank de indruk heeft dat verdachte niet het achterste van zijn tong heeft laten zien aangaande wat hij nu wel en niet heeft geweten over hetgeen in de verhuurde schuur gebeurde, ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor de stelling dat verdachte daadwerkelijk op de hoogte is geweest dat in de schuur MDMA-tabletten werden vervaardigd.

Opzet op het gronddelict – de be-/verwerking van MDMA – is evenwel ook aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gronddelict zou plaatsvinden of plaatsvond. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op dat gronddelict heeft aanvaard, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Zoals overwogen staat is te bewijzen dat verdachte het schuurtje huurde en dat daarin MDMA werd bewerkt/verwerkt. Reeds zijn eigen verklaring ter zitting en zijn verklaring dat de onderhuurder er een nieuw slot opzette houden het bewijs van het opzet op het ter beschikking stellen van het schuurtje.

Verdachte zou, naar zijn laatste verklaring, de schuur verhuurd hebben aan ene [naam 4] . Bij de politie beroept hij zich eerst nog op zijn zwijgrecht als hem naar de huurder wordt gevraagd en even later verklaart hij dat hij ‘niets van die jongen weet’ (p. 371) Bij de rechter-commissaris komt echter de naam [naam 4] naar voren. Die zou in Nootdorp wonen. Verdachte heeft echter geen (onder)huurcontract opgemaakt. Anders dan de naam [naam 4] kan de verdachte geen contactgegevens van deze huurder overleggen. Of hij daadwerkelijk aan ene [naam 4] heeft onderverhuurd blijft dan ook onduidelijk. Wat wel blijkt dat in het schuurtje dat hij ter beschikking stelde medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden aangetroffen. Hoewel hij heeft verklaard in overleg met [getuige 1] te hebben onderverhuurd (p. 371) ondersteunt diens verklaring de lezing van verdachte evenmin. De schimmigheid van de onderverhuurconstructie en de wederpartij draagt bij aan het bewijs van voorwaardelijk opzet op het gronddelict.

Daarbij komt dat de huur van het schuurtje contant werd voldaan en dat het bedrag in de brievenbus werd gegooid. Uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris volgt dat verdachte weet dat men geen bankbetalingen en dus wel contante betaling doet als zaken het daglicht niet kunnen verdragen. De wijze van betaling is dus een ander deel van het bewijs dat verdachte het voorwaardelijk opzet op het gronddelict had.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting komt verder het volgende naar voren. Getuigen spreken over het af- en aanrijden van een rode Seat Leon en een Volkswagen Transporter. Zo is verklaard dat als de rode Seat er was ook altijd de Volkswagen Transporter – verdachte heeft ook een Volkswagen Transporter aanwezig was. Zijn aanwezigheid tegelijk met de medeverdachten onderbouwt het voorwaardelijke opzet verder.

Ook verklaart getuigen – [getuige 2] en [getuige 3] die zelf ook woonachtig waren op het perceel – dat de verdachte maandelijks € 50,- betaalde voor de stroom en dat de stroom nooit mocht worden uitgeschakeld. Daaruit volgt dat verdachte in elk geval wist dat voor wat er in het schuurtje gebeurde stroom nodig was, terwijl de activiteit zo belangrijk was dat een waarschuwing over het niet-uitschakelen van de stroom nodig was.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich ervan bewust is geweest dat wat in de schuur gebeurde het daglicht niet kon verdragen. Dit alles, zeker in onderlinge samenhang bezien, leidt dan ook tot het oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door hem verhuurde schuur harddrugs werden verwerkt, zodat bij hem het voor de medeplichtigheid aan het bewerken van een grote hoeveelheid MDMA vereiste opzet in voorwaardelijke zin aanwezig is geweest.

Voor de bewezenverklaarde periode zal de rechtbank aansluiten bij hetgeen getuigen hebben verklaard. De [getuige 1] heeft verklaard dat het perceel aan de [adres 2] te Nootdorp vanaf 1 oktober 2019 gehuurd wordt. Er liep een stroomkabel vanaf de woning naar de schuur. [getuige 3] heeft verklaard dat de elektriciteit vanaf oktober 2019 niet uitgeschakeld mocht worden.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 16 juni 2020 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp tezamen en in vereniging opzettelijk hebben bewerkt of verwerkt een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC),
bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 16 juni 2020 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de door hem, verdachte, gehuurde schuur ter beschikking te stellen om als tabletteerplaats te dienen voor het bewerken van MDMA.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een geldboete van € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging gaat primair uit van een integrale vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten een blanco strafblad, het feit dat hij ZZP-er is en dat zijn inkomsten nodig zijn voor het onderhouden van zijn gezin. Zonder zijn inkomsten kan het gezin niet rondkomen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft de schuur op het perceel aan de [adres 2] onderverhuurd. In deze schuur was een drugslaboratorium gevestigd dat is gebruikt om MDMA-tabletten te slaan. Door het verhuren van de schuur heeft verdachte hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd. De productie en bewerking van synthetische harddrugs dienen krachtig te worden bestreden. Het gebruik van harddrugs brengt immers ernstige gezondheidsrisico’s met zich. Bovendien gaat de productie van harddrugs met andere vormen van criminaliteit zoals het dumpen van chemisch afval in de natuur, witwassen van grote sommen geld, bedreigingen met misdrijven tegen het leven gericht en zelfs levensdelicten gepaard. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Daarmee heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan normbesef, hetgeen doet vrezen voor herhaling.

Voor het vervaardigen in deze orde van grootte zijn forse gevangenisstraffen het uitgangspunt. De rechtbank heeft oog voor het feit dat de verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Vanwege de ernst van het feit en een juiste normhandhaving is naar het oordeel van de rechtbank een forse taakstraf en een gevangenisstraf een passende sanctie in dezen. De rechtbank zal met de persoonlijke omstandigheden van verdachte rekening door geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar een taakstraf met de maximale duur op te leggen. Om de verdachte te weerhouden om in de toekomst strafbare feiten te plegen zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

De artikelen 14a, 14c, 22c en 22d zijn toegepast, zoals zij ten tijde deze uitspraak gelden, de overige artikelen zoals ze golden ten tijde van het bewezenverklaarde golden.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf van 6 (zes) MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. N.I.S. Wallet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K. Martir, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2020.