Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13267

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3926
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag omzetbelasting. Aftrek voorbelasting. Eiseres heeft een villa met een bijgebouw laten bouwen. Het pand is opgeleverd op 7 december 2013. Op 14 december 2013 is het pand middels een feestelijke lunch met zakenrelaties in gebruik genomen. Met ingang van 9 januari 2014 staan de DGA van eiseres en zijn echtgenote ingeschreven op het adres van het pand. Eiseres heeft alle omzetbelasting ter zake van het ontwerp, de bouw en de inrichting van het pand en het bijgebouw, de aanleg van de tuin, de tuinmeubelen en de verhuiskosten in aftrek gebracht. Verweerder heeft de aftrek gecorrigeerd. De rechtbank oordeelt dat de aftrek terecht is gecorrigeerd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het pand van meet af aan was bestemd om geheel te worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres. Dat het pand in gebruik is genomen door middel van een lunch met zakenrelaties waarbij een aantal zakenrelaties in het pand heeft overnacht, maakt ook niet dat bij de eerste ingebruikneming het pand alsnog geheel voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres is gebruikt.

De rechtbank stelt het zakelijke gebruik van het pand in goede justitie vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-01-2021
V-N Vandaag 2021/45
FutD 2021-0081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/3926, SGR 19/3888 en SGR 19/3889

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2020 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.W.M. van de Leur),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012, 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, alsmede bij beschikkingen betaalverzuimboetes van tien percent van de nageheven belasting.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 mei 2019 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen verminderd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020.

Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. De activiteiten van eiseres bestaan uit advisering ten aanzien van de exploitatie van olie- en gasbronnen. Eiseres had in de periode waarop de naheffingsaanslagen zien drie werknemers parttime in loondienst, te weten de directeur-grootaandeelhouder (dga), zijn echtgenote en hun zoon. Eiseres is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet).

2. In 2010 heeft eiseres een stuk bouwgrond gekocht in [plaats] (het perceel). Deze grond is in het bestemmingsplan Villawijken 2010 van de gemeente Wassenaar aangewezen voor de bestemming Wonen-1. Deze bestemming wordt in artikel 17, eerste lid, van het bestemmingsplan als volgt omschreven:

“De voor “Wonen-1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. eengezinswoningen;

  2. werkruimtes voor een aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat werkruimtes alleen in het hoofdgebouw en aanbouwen zijn toegestaan, de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en dat de vloeroppervlakte ten behoeve van het aan huis verbonden beroep maximaal 30% van de woning bedraagt tot een maximum van 40m2;

  3. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

  4. garageboxen;

  5. water.

Ten dienste van de bestemming zijn tuinen, erven en andere bouwwerken toegestaan.”

3. Op 13 september 2010 heeft eiseres een offerte van een architectenbureau ondertekend. In deze offerte wordt de te bouwen onroerende zaak aangeduid als vrijstaande woning en ook als vrijstaande villa.

4. In een e-mailbericht van 27 januari 2011 van de dga aan het architectenbureau staat:

“Overigens, naar de tekening kijkend, kan je in de toekomst consistent op alle documenten / tekeningen etc. de titel: Kantoor / Praktijk villa of anders Woonhuis met kantoorruimte vermelden (wat de meest gebruikelijke is), en [eiseres] als opdrachtgever vermelden? We moeten geen aanleiding geven tot een andere interpretatie.”

[kavelnummer] . Op 9 februari 2012 is de omgevingsvergunning aangevraagd bij de gemeente Wassenaar waarin de te bouwen onroerende zaak wordt aangeduid als bedrijfswoning. In de aanvraag wordt het project als volgt omschreven:

“Het oprichten van een woning ter plaatse van kavel [kavelnummer] uitbreidingsplan [wijk] te [plaats] .”.

In de toelichting op de module ‘bouwen’ wordt de onroerende zaak aangeduid als bedrijfswoning. In diezelfde module is aangekruist dat het bouwwerk zal worden gebruikt als woning en dat de aanvrager van de vergunning de bewoner van het pand zal zijn.

6. De vergunningaanvraag van 9 februari 2012 is ingetrokken en op 10 februari 2012 is een nieuwe aanvraag van een omgevingsvergunning ingediend waarin de te bouwen onroerende zaak wordt aangeduid als nieuwbouwvilla. Het project wordt in de aanvraag nu als volgt omschreven:

“een nieuw op te richten woning in het uitbreidingsplan [wijk] te [plaats] , kavel [kavelnummer] .”

Verder zijn de gegevens ingevuld conform het eerdere aanvraagformulier.

7. Bij brief van 15 maart 2012 heeft de gemeente Wassenaar het architectenbureau verzocht om nadere informatie voor de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning. In die brief wordt onder meer, naar aanleiding van de vermelding “bedrijfswoning” op de bouwtekening, meegedeeld dat een bedrijfswoning op deze locatie in strijd is met het bestemmingsplan. Als het de bedoeling is om een werkruimte voor een aan huis verbonden beroep te creëren, wordt het architectenbureau verzocht daarover informatie te verstrekken.

Daarop heeft het architectenbureau bij brief van 10 april 2012 als volgt gereageerd:

“Klopt, de woning is geen dienstwoning. De aanvraag richt zich dan ook tot een vrijstaande villa (zoals is aangegeven on het aanvraagformulier). Op een aantal tekening staat echter wel de tekst ‘bedrijfswoning’ op de onderhoek vermeld.. Iets wat wij zullen wijzigen op de onderhoeken. De tekeningen zijn opnieuw als bijlage toegevoegd op OLO.”.

8. De gemeente Wassenaar heeft op 20 juni 2012 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe woning. Op 2 augustus 2012 is verder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bijgebouw.

9. Tot de stukken van het geding behoren onder meer twee e-mailberichten van

21 mei 2011 van de dga aan het architectenbureau met foto’s van het nog onbebouwde perceel. In deze e-mailberichten duidt de dga de nog te bouwen onroerende zaak aan als “ons huis”.

10. Op de bouwtekeningen van het architectenbureau wordt de te bouwen onroerende zaak met verschillende benamingen aangeduid, te weten: vrijstaande woning, bedrijfswoning, nieuwbouwwoning en kantoorvilla.

11. Op de bouwtekeningen en op facturen van de bouwmaatschappij wordt het bouwproject aangeduid als woning.

12. Ook op de tekeningen van de interieurontwerper van 7 december 2011 en

9 februari 2012 wordt de onroerende zaak aangeduid als woonhuis.

13. Bij e-mailbericht van 3 april 2012 heeft de dga een scan van de tekening van de begane grond en het souterrain aan het architectenbureau gestuurd waarin hij uitdrukkelijk aangeeft welke benamingen moeten worden gehanteerd voor de diverse ruimtes. Op de begane grond zijn dat: ontvangstruimte, woonkamer/keuken, en bibliotheek. Voor het souterrain: tweemaal gastenverblijf, gastenbadkamer/toilet en archiefruimte/berging. Verder is het woord “woonhuis” vervangen door “kantoorvilla”.

14. In mei 2012 heeft eiseres een tijdelijke huurovereenkomst gesloten voor een gestoffeerde woning (de tijdelijke woning) ten behoeve van de dga en zijn echtgenote. De huurovereenkomst gaat in op 15 juni 2012 en heeft een looptijd van dertien maanden met mogelijkheid tot verlenging met maximaal vijf maanden. De huurovereenkomst eindigt derhalve uiterlijk op 15 december 2013. Daarnaast is opslagruimte gehuurd bij een verhuisbedrijf.

15. Uit een factuur van het verhuisbedrijf van 31 januari 2014 blijkt dat er op 3, 6, 10, 16 en 17 december 2013 in opdracht van eiseres verhuiswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op dezelfde datum is door het verhuisbedrijf een factuur uitgereikt aan de dga en zijn echtgenote. Uit deze factuur blijkt dat er op 6 januari 2014 een laatste verhuistransport heeft plaatsgevonden van de tijdelijke woning naar de nieuw gebouwde villa. Volgens deze factuur betreft het de verhuizing van verpakt kleingoed. Op de werkopdracht van 10, 16 en 17 december 2013 en 6 januari 2014 is in totaal 111 uur verantwoord, waarvan 13 uur op 6 januari 2014.

16. De onroerende zaak (het pand) is opgeleverd op 7 december 2013. Op 14 december 2013 heeft eiseres daar een feestelijke lunch georganiseerd met zakenrelaties. Drie buitenlandse zakenrelaties hebben daarna in het pand overnacht.

17. Met ingang van 9 januari 2014 staan de dga en zijn echtgenote in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van het pand. Op 1 juli 2014 hebben eiseres en de dga met terugwerkende kracht tot 7 januari 2014 een overeenkomst tot privégebruik van (delen van) het pand gesloten. In de overeenkomst is opgenomen dat de keuken, de hal, het toilet op de begane grond, de bijkeuken, de berging en de gehele eerste verdieping voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt. De dga en zijn echtgenote zijn voor het privégebruik een vergoeding aan eiseres verschuldigd van € 3.000 per maand.

18. Eiseres heeft alle omzetbelasting die betrekking heeft op het ontwerp, de bouw en de inrichting van het pand en het bijgebouw, de aanleg van de tuin, de aanschaf van de tuinmeubelen en de verhuiskosten (de voorbelasting) op haar aangiften in aftrek gebracht. In totaal gaat het hierbij om een bedrag van € 241.531 waarvan € 56.971 betrekking heeft op 2012, € 162.048 op 2013 en € 22.512 op 2014.

19. In een e-mailbericht van 25 juli 2015 heeft de dga aan het architectenbureau, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“(…)

Overigens is het huis meer dan schitterend en zijn we daar heel erg blij mee. Voor de fiscale afhandeling en een ruling van de belastinginspecteur wil ik je nog gaarne vragen om 2 copieën van de laatste tekening van het huis te sturen. Het betreft de bekende tekening van jullie maar met aangepaste namen voor de verschillende kamers zodat de zakelijke bestemming van een huis gedeelte duidelijk werd. (Ontvangstruimte/archief/ etc etc).

(…)”

20. Bij brief van 26 oktober 2015 heeft de dga verweerder verzocht om een standpuntbepaling over de gevolgen van de met betrekking tot het pand gevolgde handelwijze. In die brief is onder meer het volgende vermeld:

“Bij de ingebruikneming op 7 december 2013 is het woon- annex praktijkhuis niet meteen ook deels voor privédoeleinden gebruikt. Ook het als woongedeelte bedoelde deel is in eerste instantie voor bedrijfsdoeleinden gebruikt, namelijk voor de huisvesting van voornamelijk buitenlandse relaties. Ik heb begrepen dat dit meebrengt dat dit wel meebrengt dat de voorbelasting in eerste instantie geheel aftrekbaar is maar dat in de latere jaren (ik heb namelijk pas op 7 januari 2014 met mijn echtgenote mijn intrek in het woongedeelte genomen) aanleiding bestaat om de toegepaste aftrek gedeeltelijk te corrigeren.

(…)

De voorbelasting die dan toerekenbaar is aan alle kosten (…) wordt gecorrigeerd op basis van het gebruik dat van het gebouw wordt gemaakt (…).

De binnenmaten van het pand en bijgebouw zijn opgenomen met als resultaat:

-Bedrijfsruimte: 257.2 m2 61%

-Privéruimte 166.1 m2 39%

(…)

Dit betekent dat voor het jaar 2014 nog een correctie is toe te passen. Ik becijfer deze als volgt:
€ 243.145 x 0,39 x 0,10 = € 9.482.

Indien u met deze berekening kunt instemmen verzoek ik u [eiseres] een naheffingsaanslag van
€ 9.482 op te leggen over het jaar 2014.”

21. De Belastingdienst heeft vervolgens een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Bij brief van 8 maart 2017 is het boekenonderzoek uitgebreid met het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012. Onderzocht is de juistheid van de in aftrek gebrachte voorbelasting betrekking hebbend op de ontwikkeling en de bouw van het pand en het bijgebouw. In dit kader hebben op 15 september 2016 en 27 februari 2017 waarnemingen ter plaatse plaatsgevonden. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport met dagtekening 31 oktober 2018. Op 16 november 2017 is het pand bezocht in het kader van een waardeonderzoek waarvan met dagtekening 28 november 2017 een afzonderlijk controlerapport is uitgebracht. Kopieën van deze controlerapporten behoren tot de stukken van het geding. De conclusie van het rapport van 31 oktober 2018 luidt, kort samengevat, dat eiseres de voorbelasting grotendeels ten onrechte in aftrek heeft gebracht.

22. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek zijn de onderhavige naheffingsaanslagen en verzuimboetes aan eiseres opgelegd waarbij de aftrek van voorbelasting met betrekking tot de bouw en de daarmee samenhangende kosten is gecorrigeerd. Voor het jaar 2013 is tevens een bedrag van € 6.942 nageheven in verband met onjuiste facturen van de hovenier.

23. De naheffingsaanslag voor het jaar 2012 is op 27 december 2017 in verband met dreigende verjaring ter behoud van rechten opgelegd. Bij beschikking van 23 november 2018 is deze aanslag naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport ambtshalve verminderd.

Geschil
24.In geschil is of eiseres terecht alle in rekening gebrachte voorbelasting ter zake van het ontwerp, de bouw en de inrichting van het pand en het bijgebouw, de aanleg van de tuin, de tuinmeubelen en de verhuiskosten (de realisatiekosten) in aftrek heeft gebracht. Indien slechts een deel van de voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt, is in geschil welk percentage dat betreft. Verder is in geschil of de verzuimboetes terecht aan eiseres zijn opgelegd. Niet in geschil is de correctie van € 6.942 die in het jaar 2013 is aangebracht in verband met onjuiste facturen van de hovenier.

25. Eiseres stelt dat het pand van meet af aan was bestemd om volledig te worden gebruikt voor haar bedrijfsactiviteiten en dat het pand op 14 december 2013 ook overeenkomstig die bestemming in gebruik is genomen. Pas in januari 2014 is besloten het woongedeelte van het pand tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan de dga en zijn echtgenote. Er dient daarom in dat jaar een herziening van de aftrek plaats te vinden. Eiseres stelt dat vanaf januari 2014 61% van het pand wordt gebruikt voor haar bedrijfsactiviteiten. Tot slot is eiseres van mening dat de verzuimboetes ten onrechte aan haar zijn opgelegd omdat zij een pleitbaar standpunt heeft.

26. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het pand van meet af aan was bestemd om geheel te worden gebruikt voor haar (belaste) bedrijfsactiviteiten. De voorbelasting is daarom ten onrechte geheel in aftrek gebracht. De lunch op
14 december 2013 maakt niet dat de voorbelasting alsnog geheel in het vierde kwartaal van 2013 in aftrek kan worden gebracht. Vanwege het eenmalige en kortstondige karakter kan deze feestelijke lunch niet worden aangemerkt als de eerste ingebruikneming van het pand en zo dit wel als de eerste ingebruikneming heeft te gelden, dan nog maakt dit niet dat het pand bij die eerste ingebruikneming geheel voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres werd gebruikt. Verweerder stelt dat het gebruik van het pand voor bedrijfsactiviteiten in redelijkheid is vastgesteld op 14% van het totale vloeroppervlak. Verder zijn de verzuimboetes terecht aan eiseres opgelegd. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake.

Beoordeling van het geschil

Bestemming van het pand

27. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij de gehele voorbelasting terecht in aftrek heeft gebracht. Daartoe dient zij primair aannemelijk te maken dat het pand van meet af aan geheel was bestemd voor bedrijfsactiviteiten waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Uit de feiten blijkt dat de aanvraag van een omgevingsvergunning betrekking had op een vrijstaand huis en uitdrukkelijk niet op een bedrijfswoning. Het bouwen van een bedrijfswoning zou ook in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming. Op diverse tekeningen van het architectenbureau, de bouwmaatschappij en de interieurontwerper wordt gesproken over een woning/woonhuis. Ook in de communicatie tussen de dga en de architect spreekt de dga over “ons huis” en “het huis”. Het huurcontract van de tijdelijke woning liep tot uiterlijk 15 december 2013. Tegenover de Belastingdienst heeft de dga verklaard dat er niet is gezocht naar een nieuwe woning. Uit facturen van het verhuisbedrijf blijkt dat er op 6, 10, 16 en 17 december 2013 verhuiswerkzaamheden hebben plaatsgevonden van de tijdelijke woning en de opslaghal van het verhuisbedrijf naar het nieuwe adres. Weliswaar hebben er op 6 januari 2014 ook nog verhuiswerkzaamheden plaatsgevonden, maar dit betreft slechts verpakt kleingoed. De meubels of in ieder geval de meeste meubels van de dga en zijn echtgenote waren kennelijk al in december 2013 overgebracht naar het pand. Ook blijkt uit de feiten dat op verzoek van de dga de benamingen op de tekeningen van de architect zijn gewijzigd ten behoeve van de fiscale afhandeling van deze kwestie. Op de eerste verdieping zijn ook drie slaapkamers, twee badkamers en een achterzijkamer. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat bij de feestelijke ingebruikname op 14 december 2013 de zakenrelaties ook feitelijk op de eerste verdieping hebben overnacht, maar gesteld noch gebleken is dat ook de hele eerste verdieping van aanvang af was bestemd voor overnachtingen van zakenrelaties. Voor welke andere bedrijfsactiviteiten deze slaapkamers en badkamers dan zouden zijn bestemd, is ook niet duidelijk geworden. Uit al het voorgaande volgt dat het pand van meet af aan (mede) was bestemd voor gebruik als woning en daarmee niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat.

De eerste ingebruikneming van het pand

28. Met de lunch op 14 december 2013 is het pand voor het eerst in gebruik genomen. Anders dan verweerder stelt, maakt het enkele feit dat die lunch en de overnachting door de zakenrelaties een eenmalig en kortstondig karakter hebben niet dat er geen sprake is van een eerste ingebruikneming. Een situatie als aan de orde was in de door verweerder genoemde arresten1 doet zich hier niet voor. In die arresten was er sprake van het testen en het gereedmaken voor het gebruik van bedrijfsmiddelen. Gesteld noch gebleken is dat het pand op 14 december 2013 nog niet gereed was voor gebruik.

29. Eiseres stelt dat, zo al niet aannemelijk is gemaakt dat het pand van meet af aan volledig was bestemd om te worden gebruikt voor haar bedrijfsactiviteiten, dan in ieder geval met de feestelijke lunch en overnachting door enkele zakenrelaties het pand op

14 december 2013 alsnog geheel voor haar bedrijfsactiviteiten in gebruik is genomen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zoals hiervoor onder de feiten en onder 27 reeds is vermeld, blijkt uit facturen van het verhuisbedrijf dat de meubels van de dga en zijn echtgenote al geheel, althans grotendeels in december 2013 waren verhuisd naar het pand. Het pand was derhalve al in december 2013 ingericht om mede te worden gebruikt als woning. Verweerder heeft ook onweersproken gesteld dat uit foto’s die zijn genomen tijdens de feestelijke ingebruikneming blijkt dat de inrichting van de woning nadien niet wezenlijk is gewijzigd. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat er in januari 2014 nog een tweepersoonsbed is overgebracht naar het pand is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. De feestelijke ingebruikneming op 14 december 2013 maakt derhalve niet dat alsnog de gehele voorbelasting in het vierde kwartaal van 2013 in aftrek zou kunnen worden gebracht.

Verdeelsleutel

30. Partijen zijn het erover eens dat indien de voorbelasting slechts gedeeltelijk voor aftrek in aanmerking komt, de mate van het gebruik voor de bedrijfsactiviteiten dient te worden uitgedrukt in een percentage van het totale vloeroppervlak van het pand. Hierbij gaat eiseres uit van een vloeroppervlak van 423,3m2 waarvan 257,2 m2 zakelijk wordt gebruikt en verweerder van 411,4m2 waarvan 209,8m2 geheel of gedeeltelijk zakelijk wordt gebruikt. Eiseres komt aldus tot een aftrekpercentage van 61%, verweerder komt aldus tot een aftrekpercentage van 14%. Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd verklaard dat zij zijn uitgegaan van de bouwtekeningen. Een verklaring voor het verschil in vierkante meters is er niet. De rechtbank heeft daarom aan de hand van de laatste versie van de bouwtekeningen van 21 september 2012 het aantal vierkante meters vastgesteld op 402,2m2. De rechtbank zal uitgaan van dit aantal vierkante meters.

31. Partijen zijn het erover eens dat het bijgebouw en de bibliotheek geheel voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres worden gebruikt. Ook zijn partijen het erover eens dat de eerste verdieping van het pand geheel voor privégebruik van het personeel is. Wat betreft de overige ruimtes zijn partijen verdeeld.

Eiseres stelt dat het souterrain, de ontvangstruimte op de begane grond, de carport en de parkeerplaatsen geheel voor bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. De entree, toilet op de begane grond, keuken, bijkeuken, gangen op de begane grond, tuin en oprit worden haar inziens voor 50% gebruikt voor haar bedrijfsactiviteiten. Aldus komt eiseres per saldo tot een gebruik voor haar bedrijfsactiviteiten van 61% van het totale vloeroppervlak.

Verweerder stelt dat de entree, ontvangstkamer, keuken en toilet op de begane grond voor 10% voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres worden gebruikt en dat de overige ruimten op de begane grond louter voor privégebruik zijn. Voor het souterrain gaat verweerder eveneens uit van 10% gebruik voor de bedrijfsactiviteiten met uitzondering van de archiefruimte, berging en technische berging die volgens hem geheel voor privégebruik zijn. Bij het percentage van 10% heeft verweerder rekening gehouden met het feit dat de werknemers allemaal parttime in loondienst zijn bij eiseres en dat, naar de dga desgevraagd heeft verklaard, eiseres ongeveer twee maal per maand zakenrelaties ontvangt en dat er ongeveer drie à vier keer jaar zakenrelaties blijven overnachten. Aldus komt verweerder per saldo uit op een percentage van 14% van het totale vloeroppervlak dat wordt gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten.

32. Noch eiseres, noch verweerder is erin geslaagd het door hen bepleite percentage aannemelijk te maken. De rechtbank neemt daarbij onder meer in aanmerking dat niet aannemelijk is dat de bergruimte en de technische ruimte in het souterrain, de carport en de parkeerplaatsen alleen voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Aangenomen mag worden dat de bergruimte evengoed wordt gebruikt voor de opslag van privéspullen van de dga en zijn echtgenote. De technische ruimte met daarin onder meer de cv-ketel staat verder ten dienste van het gehele pand en wordt daarmee zowel voor privé- als bedrijfsdoeleinden gebruikt. Ook zullen de parkeerplaatsen en/of de carport evengoed worden gebruikt voor de auto’s van de dga en zijn echtgenote en niet-zakelijke visite. Verder is het door eiseres bepleite percentage van 50% voor de entree, toilet op de begane grond, keuken, bijkeuken, gangen op de begane grond, tuin en oprit erg hoog gelet op het feit dat er, ook volgens de overigens niet met feitelijke gegevens onderbouwde stelling van eiseres, slechts twee maal per maand zakenrelaties worden ontvangen en slechts drie à vier keer per jaar zakenrelaties blijven overnachten en de werknemers van eiseres bovendien allemaal parttime in loondienst zijn. Aan de andere kant is het door verweerder bepleite percentage van 10% voor de keuken en de ontvangstkamer op de begane grond aan de lage kant nu in beide ruimtes een bureau staat en daar dus kennelijk wordt gewerkt en er op de eerste verdieping nog een tweede woonkamer is die in ieder geval geheel voor privédoeleinden wordt gebruikt. Ook valt niet in te zien dat, zoals verweerder aanneemt, de berging, de archiefruimte en de technische ruimte geheel voor privédoeleinden worden gebruikt. Een archief wordt doorgaans juist zakelijk gebruikt. In de berging kunnen ook goederen voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres zijn opgeslagen en, zoals hiervoor al is opgemerkt, wordt de technische ruimte zowel voor privé- als bedrijfsdoeleinden gebruikt.

33. Nu geen van de partijen het door hen bepleite percentage aannemelijk heeft gemaakt, stelt de rechtbank het gebruik van het pand voor de bedrijfsactiviteiten van eiseres, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 32 is overwogen, in goede justitie vast op 20% van het totale vloeroppervlak. Dat betekent dat de correctie van de voorbelasting betrekking hebbend op de realisatiekosten moet worden verminderd tot 80% van de ter zake afgetrokken voorbelasting. De naheffingsaanslagen moeten daarom worden verminderd tot:

2012: € 45.576 (80% van € 56.971)

2013: € 131.026 (80% van € 155.106 (€ 162.048 minus € 6.942) plus € 6.942 (onjuiste facturen hovenier))

2014: € 18.009 (80% van € 22.512)

Verzuimboetes

34. Aan eiseres zijn op de voet van artikel 67c, eerste en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke boeten Belastingdienst 1998 betaalverzuimboetes opgelegd van 10% van de nageheven belasting.

Eiseres stelt dat de boetes ten onrechte aan haar zijn opgelegd, omdat zij een pleitbaar standpunt heeft. Gelet op de hiervoor vermelde feiten en wat de rechtbank hiervoor onder
27 heeft overwogen, kon eiseres zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat het pand van meet af aan geheel was bestemd voor haar (belaste) bedrijfsactiviteiten. Van een pleitbaar standpunt is daarom geen sprake. De boetes zijn terecht aan eiseres opgelegd. De boetes zijn na bezwaar door verweerder verminderd wegens verzachtende omstandigheden. Afgezien van hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om de boetes verder te matigen.

35. Op 14 december 2017 en 16 januari 2018 is het conceptrapport van het boekenonderzoek met eiseres besproken. De rechtbank gaat ervan uit dat in het conceptrapport de boetes reeds zijn aangekondigd. Aangenomen mag worden dat het conceptrapport kort voor de eerste bespreking aan eiseres zal zijn uitgereikt. Vaststaat dat er sindsdien meer dan twee jaar zijn verstreken. Ervan uitgaande dat het conceptrapport begin december 2017 aan eiseres is uitgereikt, stelt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM vast op één jaar. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes ambtshalve te verminderen met tien percent, derhalve tot bedragen van € 3.600 (2012), € 3.600 (2013) en € 1.800 (2014).

Belastingrente

36. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de beschikkingen belastingrente. Ook overigens is niet gebleken dat de rente in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is berekend. Wel dienen de rentebeschikkingen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslagen.

Slotsom

37. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

38. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaken en een factor 1 wegens samenhang).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag over 2012 tot € 45.576;

- vermindert de naheffingsaanslag over 2013 tot € 131.026;

- vermindert de naheffingsaanslag over 2014 tot € 18.009;

- vermindert de beschikkingen belastingrente overeenkomstig de verminderingen
van de naheffingsaanslagen;

- vermindert de verzuimboetes tot bedragen van € 3.600 (2012), € 3.600 (2013) en

€ 1.800 (2014);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op
bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.572;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 HR 10 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BF7176) en HR 4 december 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG4109)