Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13227

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
19_6952
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser slaagt niet in de op hem rustende bewijslast dat een onbetaald gebleven vordering op X. in het jaar 2014 mag worden afgewaardeerd. Hij maakt niet aannemelijk dat deze vordering op de balans is verantwoord. Indien de vordering in enigerlei vorm toch op de balans is verantwoord, bestaat geen reden voor afwaardering in het jaar 2014. Op grond van goed koopmansgebruik had de vordering moeten worden afgewaardeerd op het moment dat voorzienbaar was dat deze niet volledig zou worden betaald. Dat moment ligt in 2010 toen eiser ervan op de hoogte is gesteld dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen op X. van toepassing was. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 9-6-2021
V-N Vandaag 2021/1399
FutD 2021-1839 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/2155 met annotatie van S. Oosterbaan
V-N 2021/35.2.3
FutD 2021-1839
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/6952

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Bij de aanslag IB/PVV is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2019 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag.

Met instemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft tot oktober 2007 tezamen met zijn echtgenote de vennootschap onder firma Administratie- en Belastingadviesbureau [eiser] VOF (de VOF) geëxploiteerd. Het winstaandeel van eiser in de VOF bedraagt 81,30%.

2. De VOF heeft werkzaamheden verricht voor vennootschappen en een klussenbedrijf van [A] ( [A] ) Ter zake van deze werkzaamheden zijn voor € 22.438 facturen uitgereikt die onbetaald zijn gebleven.

3. In zijn aangifte voor het jaar 2007 heeft eiser op de ondernemingsbalans van de VOF per einde boekjaar onder meer een bedrag van € 14.279 aan vorderingen op handelsdebiteuren opgenomen. Tevens is een voorziening gevormd van € 45.936.

4. Bij vonnis van 24 maart 2010 heeft rechtbank Middelburg [A] onder meer veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen van in totaal € 22.438 vermeerderd met wettelijke handelsrente.

5. Met dagtekening 2 september 2010 heeft deurwaarderskantoor Agin Timmermans een brief aan de advocaat van eiser gestuurd waarin is opgenomen:

“Tot onze spijt moeten wij u berichten dat bij vonnis van 24 augustus 2010 door de Rechtbank te Middelburg de WSNP van toepassing is verklaard voor de wederpartij met benoeming van mr. (…) te Goes tot bewindvoerder.

Wij zullen het dossier sluiten en binnenkort met u afrekenen, opdat u zelf de vordering bij de bewindvoerder kunt indienen.”

6. Met dagtekening 5 oktober 2010 heeft het deurwaarderskantoor een eindafrekening gestuurd. Volgens deze afrekening bedraagt de hoofdsom € 25.725,39 en bedraagt de totale vordering op [A] inclusief kosten € 35.367,23. Daarop is een bedrag van € 1.860,91 voldaan.

7. In december 2011 heeft eiser ter zake van de onbetaald gebleven facturen creditnota’s voor in totaal € 20.972,64 opgemaakt. Op de nota’s is opgenomen dat de creditering van de facturen het gevolg is van oninbaarheid door definitieve toepassing van schuldsanering bij de debiteur.

8. Met dagtekening 31 januari 2014 heeft de bewindvoerder WSNP aan eiser een brief gestuurd waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:

“Bij vonnis van 28 augustus 2013 is de wettelijke schuldsaneringsregeling van [ [A] ], (…), beëindigd met een schone lei.

In het kader van de slotuitdeling ligt vanaf 3 februari 2014 de slotuitdelingslijst gedurende 10 dagen ter kosteloze inzage bij de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Middelburg.

Aan de preferente schuldeisers vindt een uitkering plaats van 28% en aan de concurrente schuldeisers 14%. Aan u komt toe een bedrag van € 4.838,66. Na de periode van 10 dagen zal de slotuitdelingslijst verbindend worden en zal aan u een uitbetaling worden verricht. (…).

Het restant van uw vordering is van rechtswege omgezet in een natuurlijke verbintenis die niet rechtens invorderbaar is. Ik adviseer u het restant van uw vordering als oninbaar af te boeken.”

9. Op 17 november 2015 heeft eiser aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 581 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 578.

10. Met dagtekening 21 december 2016 heeft eiser verzocht om ambtshalve herziening van de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2011. Eiser verzoekt onder meer om de creditering van facturen (zie 7 hiervoor) in aanmerking te nemen. Met dagtekening 2 december 2017 heeft eiser, voor zover hier van belang, hierop de volgend toelichting gegeven:

Afwaardering vorderingen jaar 2011

Met betrekking tot de balanspost debiteuren in de jaarrekening 2007, bij het opmaken van de jaarrekening 2007 in de loop van 2008 is er een momentopname geweest ( 11 december 2008 ) waarbij er vastgesteld werd wat op dat moment ( 11 december 2008 ) aan debiteuren-bedragen inmiddels al in de loop van het jaar 2008 ontvangen was, dit was op de momentopname een bedrag van euro 14.279,00. Dit bedrag ad 14.279,00 is opgenomen als balanspost debiteuren in de jaarrekening 2007.

De overige debiteuren bedragen welke op 11 december 2008 dus nog niet ontvangen waren ( en waar bijvoorbeeld in latere jaren als 2011 creditnota’s voor gemaakt zijn na rechtszaken en gebleken oninbaarheid van deze debiteurenbedragen) zijn net als de materiele vaste activa, de voorraden en diverse andere balansonderdelen overgeboekt naar het ondernemingsvermogen per einde boekjaar 2007.

(…)”

11. Het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2011 is afgewezen voor zover het de creditering van de facturen aan [A] betreft, aangezien afwaardering volgens de Belastingdienst in 2010 had moeten plaatsvinden.

12. Voor het jaar 2013 heeft verweerder een afboeking van € 16.773 aan vorderingen op debiteuren geaccepteerd.

13. Op 12 februari 2018 heeft eiser een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend naar een verzamelinkomen van € 7.758 negatief. In de herzien aangifte is een bedrag van € 24.238 aan kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden opgenomen.

14. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.380 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.153. De opgevoerde kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden zijn niet in aanmerking genomen. De inrekening gebrachte belastingrente bedraagt € 114. De aanslag Zvw is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 0.

15. Op 5 december 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden waaraan namens verweerder is deelgenomen door [B] ( [B] ) en [C] ( [C] ). Door verweerder is een hoorverslag opgemaakt waarin, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“[Eiser] geeft een historisch overzicht en geeft aan dat de discussie is ontstaan met betrekking tot de debiteur [ [A] ]. Dit is een oude post die stamt uit de tijd van [de VOF].

(…)

In 2010 werd duidelijk dat [ [A] ] in de WSNP zou worden opgenomen. Dit gaf naar de mening van [eiser] veel onduidelijkheid en onzekerheid over het bedrag dat uiteindelijk door debiteur [ [A] ] zou worden betaald. Die onzekerheid was voor hem aanleiding om de vordering niet af te waarderen en het ontnam hem later de mogelijkheid om hier een voorziening voor te vormen. Op 31 januari 2014 komt brief van de curator binnen in welke brief duidelijkheid is gekomen omtrent het nog te incasseren bedrag van [ [A] ]. Op dat moment was volgens [eiser] pas mogelijk om hetgeen niet wordt ontvangen in mindering te brengen op het inkomen.

[Eiser] geeft aan dat er voor het jaar 2013 al een akkoord is gesloten met [de inspecteur die eerdere belastingjaren heeft behandeld; W.] omtrent enkele andere debiteuren. Daarnaast zou er voor het jaar 2011 ook een akkoord zijn met [W.] over de hoogte van de debiteurenclaim [ [A] ]. Deze kon echter niet afgeboekt worden of als voorziening worden opgenomen in 2011. (…) Naar de mening van [eiser] heeft [W.] voorgesteld om een voorziening te nemen in 2010. [ [C] ] geeft aan dat gezien de e-mail van [W.], dit geen voorstel is, maar een constatering dat de afboeking/voorziening niet in 2011 genomen mocht worden, maar dat deze in 2010 had moeten plaatsvinden.

Voor [eiser] blijft het hoofdpunt dat hij niet kan begrijpen waarom enkele debiteuren in 2013 (…), welke ook uit 2007 stammen, wel in aftrek zijn toegestaan en de vordering [op [A] ] niet.

(…)

[ [B] ] geeft aan even terug te willen kijken naar het jaar 2007 met name naar het saldo van de debiteuren en de gevormde voorziening. [eiser] ontkent dat er in 2007 een voorziening is gevormd. [ [B] ] laat de jaarstukken 2007 zien waarin op de balans van de gestaakte onderneming een post aan debiteuren voorkomt van ca € 15.000 en een voorziening afloop van ca € 45.000. [eiser] snapt niet waarom we terug moeten naar het jaar 2007 aangezien de discussie loopt voor het jaar 2014. Tevens heeft hij zich niet voorbereid op een gesprek over 2007. [ [B] ] geeft aan dat het toch nodig is om over 2007 van gedachten te wisselen, doordat hij vraagtekens zet bij de stand van de debiteuren en de gevormde voorziening. Hij dacht ook dat [eiser] een aansluiting zou maken. Is die voorziening wellicht ook voor de debiteuren geweest? [eiser] geeft aan dat de voorziening in 2007 is gevormd voor te maken advocaatkosten en niet voor debiteuren. Daarnaast blijft hij erbij, na vragen van [ [B] ] en [ [C] ] hierover, dat hij in 2010 geen voorziening mocht treffen op basis van de wet. [eiser] geeft aan dat hij zich ook nooit heeft gerealiseerd dat het jaar waarin een voorziening wordt gevormd een rol zou spelen.

[ [B] ] geeft aan dat uit oogpunt van goed koopmansgebruik het vormen van een voorziening in eerdere jaren toch wel voor de hand had gelegen. Zeker ook gezien beroep van [eiser] (belastingadviseur). Verder is het de vraag wat er met de in 2007 opgenomen voorziening is gebeurd? Er zijn wel kosten geclaimd over de jaren 2011 tot en met 2013.”

16. Met dagtekening 18 december 2018 heeft eiser per mail laten weten tussen kerst en oud en nieuw of in de eerste week van januari 2019 een reactie te zullen geven op het hoorverslag.

17. Bij uitblijven van een reactie heeft verweerder eiser op 7 januari 2019 een termijn gesteld tot 14 januari 2019 om op het hoorverslag te reageren. Op verzoek van eiser is deze termijn verlengd tot 18 januari 2019.

18. Met dagtekening 17 januari 2019 heeft eiser op het hoorverslag gereageerd. In deze reactie is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Ik kan mij niet volledig vinden in het complete verslag en/of samenvatting van het hoorgesprek van 5 december 2018 wat door u is opgesteld en naar mij verzonden.

In bepaalde delen van het verslag en/of samenvatting van het hoorgesprek van 5 december 2018 wat door u is opgesteld kan ik mij echter wel vinden.

Deze bepaalde delen zal ik vermelden en aanvullen met mijn versie van het verslag en/of samenvatting van het hoorgesprek van 5 december 2018 en in zijn totaliteit per brief binnenkort naar u verzenden eventueel ter beoordeling door u.”

Verweerder heeft daarop een termijn gesteld tot 9 februari 2019.

19. Op 7 februari 2019 heeft eiser per e-mailbericht laten weten griep te hebben. Op 12 februari 2019 geeft hij aan “weer een beetje opgeknapt” te zijn en de aanvullende reactie nog diezelfde week te sturen. Op 17 februari 2019 laat eiser weten weer griep te hebben. Op 24 februari 2019 geeft hij aan “volledig hersteld” te zijn. Op 3 maart 2019 laat eiser weten vanaf 24 februari 2019 een bacterie onder de leden te hebben.

20. De bestreden uitspraak op bezwaar is met dagtekening 12 maart 2019 gedaan zonder dat eiser zijn reactie van 17 januari 2019 heeft aangevuld.

Geschil

21. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door eiser opgevoerde kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden terecht buiten aanmerking zijn gelaten. Voorts is in geschil of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door uitspraak op bezwaar te doen voordat eiser zijn reactie op het hoorverslag heeft aangevuld.

22. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag naar en te hoog bedrag is opgelegd. Volgens eiser zien de opgevoerde kosten op de afwaardering van de vordering op [A] en dient de afwaardering in 2014 plaats te vinden omdat de slotuitdelingslijst in dat jaar is gepubliceerd. Daarnaast heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door uitspraak op bezwaar te doen zonder dat eiser zijn reactie op het hoorverslag heeft aangevuld, aldus eiser.

23. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Daarnaast is volgens verweerder bij het doen van uitspraak op bezwaar niet onzorgvuldig gehandeld.

Beoordeling van het geschil

Aanslag Zvw

24. Eiser heeft in de motivering van zijn beroep geen gronden aangevoerd tegen de nihil aanslag Zvw. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen deze aanslag niet-ontvankelijk verklaren.

Aanslag IB/PVV

25. De rechtbank stelt vast dat op de fiscale eindbalans van de VOF een bedrag van € 14.279 aan vorderingen op handelsdebiteuren is opgenomen en dat tevens een voorziening is gevormd van € 45.936.

26. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat onbetaald gebleven vorderingen op [A] in 2014 ten laste van het resultaat kunnen worden afgewaardeerd. Daartoe is allereerst vereist dat deze vorderingen op de balans zijn verantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Uit het schrijven van eiser van 2 december 2017 volgt dat de post handelsdebiteuren op de eindbalans van de VOF ziet op debiteuren die gedurende 2008 alsnog hebben betaald. Voorts heeft verweerder voor het jaar 2013 een bedrag van € 16.773 aan afboekingen op debiteurenvorderingen geaccepteerd. Dit bedrag overstijgt het bedrag aan handelsdebiteuren op de eindbalans van de VOF. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat de vorderingen op [A] in 2014 nog op de balans stonden. De stelling van eiser dat onbetaald gebleven handelsvorderingen zijn “overgeboekt naar het ondernemingsvermogen” is –wat daar verder ook van zij– niet onderbouwd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de vorderingen op [A] op een andere wijze op de balans van de VOF zijn opgenomen. Nu het verloop van de vorderingen op [A] niet inzichtelijk is gemaakt, kunnen deze reeds daarom niet worden afgewaardeerd.

27. Ook indien de vorderingen op [A] in enigerlei vorm toch op de balans zijn verantwoord, bestaat er geen reden voor afwaardering in het jaar 2014. Anders dan eiser stelt is het moment waarop de slotuitdelingslijst is gepubliceerd geen uitgangspunt voor de resultaatbepaling in de inkomstenbelasting. Op grond van artikel 3.95 van de Wet IB 2001 dient het aan een bepaald jaar toe te rekenen resultaat uit overige werkzaamheden namelijk te worden bepaald volgens goed koopmansgebruik in de zin van artikel 3.25 van de Wet IB 2001. Dit betekent dat vorderingen worden gewaardeerd naar de omstandigheden zoals deze ten tijde van het opmaken van de fiscale balans bekend zijn. Dit brengt met zich mee dat eiser zijn vorderingen op [A] diende af te waarderen op het moment dat voorzienbaar was dat deze niet (volledig) zouden worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dat moment niet in 2014, maar in 2010 toen eiser ervan op de hoogte is gesteld dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen op [A] van toepassing werd.

28. Daarbij komt dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat indien de onbetaald gebleven vorderingen op [A] wél voor afwaardering in 2014 in aanmerking zouden komen, daartegenover staat dat ook de voorziening zoals opgenomen op de eindbalans van de VOF zou vrijvallen, hetgeen, gelet op de omvang van de voorziening, niet zou leiden tot verlaging van de opgelegde aanslag IB/PVV. De rechtbank sluit zich daarbij aan nu eiser de achtergrond van de voorziening niet heeft onderbouwd en ook het verloop van de voorziening op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat de voorziening is gevormd ten behoeve advocaatkosten is daartoe niet voldoende.

29. Voorafgaande aan de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder eiser meermaals in de gelegenheid gesteld om op het hoorverslag te reageren dan wel zijn reactie op het hoorverslag aan te vullen. Dat eiser zijn reactie uiteindelijk niet heeft aangevuld kan verweerder dan ook niet worden aangerekend. Van een onzorgvuldig genomen besluit is geen sprake.

30. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

31. Gelet op het voorgaande is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 niet te hoog vastgesteld en dient het beroep voor zover het ziet op de aanslag IB/PVV ongegrond te worden verklaart.

Proceskosten

32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de aanslag Zvw;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.