Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
09/857044-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraffen voor poging doodslag op openbare weg

De rechtbank Den Haag heeft drie mannen uit Den Haag, Breda en Pijnacker veroordeeld tot gevangenisstraffen van drie en vier jaar voor, onder meer, poging doodslag. De mannen hebben in november 2016 fors geweld gebruikt tegen het slachtoffer door hem in zijn hoofd te steken met een mes, te slaan met een balk en te schoppen. Het slachtoffer heeft hierdoor meerdere steek- en snijverwondingen opgelopen.

Geen bewijs voor voorbedachte raad

De man uit Breda had het kleinste aandeel in het geheel, hij heeft het slachtoffer een paar keer geschopt. Hij wordt ook veroordeeld voor het bezit van MDMA en een gaspistool. De man uit Pijnacker heeft het slachtoffer met de balk geslagen, dit geldt als strafverzwarend en verder wordt hij ook veroordeeld voor de handel in geneesmiddelen in 2017. De man uit Den Haag heeft het slachtoffer gestoken met een mes, dit geldt als strafverzwarend. Verder wordt deze man veroordeeld voor bezit van 98 pillen Kamagra. Omdat bewijs ontbreekt voor voorbedachte raad, veroordeelt de rechtbank de mannen voor poging doodslag, en niet voor moord.

Straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank als strafverzwarend meegewogen dat het feit door drie personen is gepleegd op de openbare weg, waarbij meerdere onschuldige omstanders getuige zijn geweest van het geweld. Als strafverminderend weegt de rechtbank mee dat het bij een poging is gebleven en dat het feit in 2016 is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857044-17

Datum uitspraak: 23 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres verdachte]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 20 juli 2017, 28 september 2017, 30 november 2017, 6 februari 2018, 26 april 2018, 19 juli 2018 (alle pro forma), en 10 december 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.A. Buntsma naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 10 december 2020 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 november 2016 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachte rade en al dan niet, na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer] meermalen, met een of meer mes(sen) in de nek en/of op/in het hoofd en/of in de arm, in elk geval in het lichaam, te steken en/of

- die [slachtoffer] meermalen, met een balk, in elk geval een hard voorwerp, tegen/op het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of

- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of schoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 november 2016 tot en met 11 april 2017 te 's-Gravenhage en/of Wateringen, gemeente Westland en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk in voorraad heeft gehad, een of meer geneesmiddel(len) waarvoor geen handelsvergunning geldt en/of gold, te weten meerdere verpakkingen en/of (513) pillen en/of hoeveelheden Kamagra;

3.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 7 november 2016 tot en met 11 april 2017 te 's-Gravenhage en/of Wateringen, gemeente Westland en/of Pijnacker en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te koop heeft/hebben aangeboden en/of ter hand gesteld, in elk geval in voorraad heeft/hebben gehad, (UR)geneesmiddelen te weten een of meer verpakkingen en/of injectienaalden en/of pillen/tabletten van een middel waaronder:

- Temazepam en/of

- Tramadol en/of

- Oxazepam en/of

- Diazepam en/of

- Zolpidem en/of

- Flurazepam en/of

- Dormicum

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) geen apotheker in de zin van de geneesmiddelenwet was/waren en geen huisarts in het bezit van de vereiste

vergunning op grond van de geneesmiddelenwet was/waren en (niet) was/waren

aangewezen via een ministeriële regeling als bedoeld in de Geneesmiddelenwet

als aangewezen persoon of instantie in de in die regeling bedoelde omstandigheden,

4.

hij op of omstreeks 11 april 2017 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad 38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 11 april 2017 te Breda een vuurwapen van categorie III, te weten een gaspistool voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 7 november 2016 omstreeks 12.10 uur heeft voor het pand gelegen aan de [adres 2] te Ridderkerk op straat een geweldsincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt.2 De politie is hierop een onderzoek gestart en heeft de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] in beeld gebracht. Vast staat dat deze drie personen op 7 november 2016 aanwezig waren op de [adres 2] en dat zij geweld hebben gebruikt tegen [slachtoffer] , wat in zoverre is verklaard door [medeverdachte 2]3 en [verdachte] .4

[slachtoffer] heeft door het geweld letsel opgelopen en is van 7 november 2016 tot en met 9 november 2016 opgenomen geweest in het ziekenhuis. Hij had meerdere snijverwondingen in beide handen, op zijn onderarm rechts een snijverwonding van tien centimeter met een uitpuilende spier, in zijn achterhoofd links een steekverwonding van vier centimeter en een steekverwonding in zijn achterhoofd links, achter zijn oor. Ook had [slachtoffer] een forse zwelling van de linkerwang, aan het achterhoofd en aan zijn onderarm. De motoriek en sensibiliteit van zijn gezicht was verstoord. Op 9 november 2016 zijn de verwondingen aan zijn handen, onderarm en achter zijn oor operatief gesloten. Op 9 december 2016 heeft [slachtoffer] nog last van hoofdpijn, concentratiestoornissen en gevoelsstoornissen van de vingertoppen aan zijn rechterhand. Van het letsel aan het hoofd en gelaat van [slachtoffer] bevinden zich eveneens foto’s in het dossier.5

Bovenstaande feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. De feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor beantwoording van de bewijsvraag.

Voornoemde gebeurtenis is aan de verdachten tenlastegelegd als impliciet primair poging moord en impliciet subsidiair als poging doodslag. De rechtbank ziet zich in deze zaak aldus gesteld voor de vraag op welke wijze [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] een rol hebben gespeeld in het geweldsincident met [slachtoffer] en wat deze gedraging strafrechtelijk gezien oplevert.

[verdachte] wordt verder, onder feit 2, verweten in vereniging 513 pillen Kamagra voorhanden te hebben gehad, onder feit 3, verweten zich in vereniging schuldig te hebben gemaakt aan – kort gezegd – de handel in geneesmiddelen, onder feit 4 het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en onder feit 5 het voorhanden hebben van een gasdrukpistool. Van deze feiten dient de rechtbank te beoordelen of zij door [verdachte] zijn gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 impliciet primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten en tot bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, op gronden zoals in zijn pleitnota vervat, op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen voor de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft ten aanzien van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten gesteld dat deze wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Op specifieke bewijsverweren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Verklaring [slachtoffer]

heeft verklaard dat hij aankwam bij de [adres 2] en daar sprak met [verdachte] . Op een gegeven moment kwam [medeverdachte 2] op hem afrennen en begon direct met een houten balk op hem in te slaan. De balk was ongeveer 1,50 meter lang. [medeverdachte 2] had de balk met twee handen vast en sloeg als eerste tegen de borst van [slachtoffer] . [slachtoffer] werd daarna met een mes in zijn hoofd gestoken door [medeverdachte 1] . Door de worsteling en door de klappen die hij kreeg is [slachtoffer] ten val geraakt. Toen hij op de grond lag bleef [medeverdachte 2] met de balk op hem inslaan en heeft hem daarbij geraakt op zijn hoofd, armen, benen en romp. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] meerdere keren gestoken, in zijn hoofd en onderarm. [verdachte] heeft [slachtoffer] meerdere keren geslagen en geschopt op het lichaam en op het hoofd. Op enig moment vond [slachtoffer] een moment om weg te kunnen rennen, waarna [verdachte] hem kort achtervolgde.6

Camerabeelden

Op de terechtzitting zijn de camerabeelden, gemaakt vanuit de omliggende bedrijfspanden aan de [adres 2] , bekeken. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer] aankomt bij de [adres 2] en het pand binnengaat. 39 Seconden later is te zien dat [slachtoffer] het pand uitrent, achtervolgd door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , die een grote stok vastheeft. [slachtoffer] wordt door [medeverdachte 1] naar de grond gewerkt en wordt door hem vastgehouden. Op dat moment begint [medeverdachte 2] met de stok op [slachtoffer] in te slaan, terwijl [verdachte] hem een aantal keer schopt. Verder is te zien dat [medeverdachte 1] op een gegeven moment over [slachtoffer] heen gebogen staat en bewegingen met zijn rechterhand maakt in de richting van [slachtoffer] . Wanneer [slachtoffer] wegrent wordt hij achtervolgd door [verdachte] . Op de achtergrond is op dat moment te zien dat [medeverdachte 1] een op een mes gelijkend voorwerp in zijn hand heeft.7

Forensisch onderzoek

Op de straat voor het pand aan de [adres 2] is door de politie een zwart lederen foedraal aangetroffen.8 Het foedraal is door The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI) onderzocht. Het DNA-profiel afkomstig van de bemonstering van het foedraal is vergeleken met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . Om een uitspraak te kunnen doen over het mogelijke donorschap van [medeverdachte 1] is de likelihood-ratio methode toegepast. Het TMFI heeft daarover geconcludeerd dat het extreem veel waarschijnlijker is wanneer de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van [medeverdachte 1] en een onbekende persoon juist is, dan wanneer de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van twee onbekende personen juist is.9

In de bedrijfshal van het pand aan de [adres 2] is door de politie een stapel houten balken aangetroffen, Op één van de balken was een bloedvlek zichtbaar.10 Het TMFI heeft geconcludeerd dat het DNA-profiel verkregen uit de bloedvlek matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] .11

Verklaring [medeverdachte 2]

heeft zich bij zijn verhoren door de politie op zijn zwijgrecht beroepen. In een brief aan de rechtbank heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij [slachtoffer] een paar keer met een houten balk op zijn schouder en bovenlichaam heeft geslagen.12

Verklaring [medeverdachte 1]

heeft zich bij alle gelegenheden op zijn zwijgrecht beroepen.

Verklaring [verdachte]

heeft verklaard dat hij op de [adres 2] aanwezig was om te verhuizen. Terwijl hij in een vrachtwagen bezig was kwam [slachtoffer] aan. [slachtoffer] vroeg aan hem waar die spullen heen gingen, waarop [verdachte] antwoordde dat hij dat niet wist. Toen liep [slachtoffer] richting de garagedeur. [verdachte] stond met zijn rug naar de opening van het pand, toen hij opeens een hoop kabaal hoorde. Hij is vervolgens uit de vrachtwagen gesprongen en zag toen dat ‘ze’ aan het vechten waren. [verdachte] heeft verklaard dat hij toen [slachtoffer] twee schoppen heeft gegeven tegen zijn rechterschouder en arm. Toen [slachtoffer] wegrende is [verdachte] een stukje achter hem aan gerend. [verdachte] heeft ook verklaard dat [medeverdachte 2] degene is die [slachtoffer] met de balk heeft geslagen.13

Het oordeel van de rechtbank

Rol [medeverdachte 2]

heeft verklaard [slachtoffer] tegen het bovenlichaam en de schouder te hebben geslagen. [slachtoffer] heeft echter verklaard ook op het hoofd geraakt te zijn met de balk. De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de medische gegevens, waaruit blijkt dat [slachtoffer] een forse zwelling had aan de linkerwang en een forse zwelling had op het achterhoofd. Ook is op de balk bloed aangetroffen van [slachtoffer] . De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 2] degene is geweest die [slachtoffer] meermalen met een houten balk heeft geslagen, tegen het lichaam en tegen het hoofd.

Rol [medeverdachte 1]

Vast staat dat [slachtoffer] meermalen is gestoken met een mes, gelet op de verschillende steekverwondingen aan zijn onderarm en hoofd. Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] een op een mes gelijkend voorwerp in zijn hand heeft en met zijn rechterhand bewegingen maakt in de richting van [slachtoffer] . Verder is op de straat voor het pand aan de [adres 2] een foedraal gevonden waar DNA-materiaal van [medeverdachte 1] op is aangetroffen. [slachtoffer] heeft verklaard met een mes gestoken te zijn door [medeverdachte 1] . Gelet op deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] degene is geweest die [slachtoffer] meermalen heeft gestoken met een mes in het hoofd en de arm.

Rol [verdachte]

heeft bekend [slachtoffer] twee schoppen te hebben gegeven tegen zijn rechterschouder en zijn arm. Hoewel [slachtoffer] heeft verklaard dat hij geslagen is en meerdere malen geschopt is tegen het hoofd, is dit niet op de camerabeelden – een objectief bewijsmiddel – te zien. Nu zich ook overigens geen bewijsmiddelen in het dossier bevinden die de verklaring van [slachtoffer] op dit punt ondersteunen zal de rechtbank [verdachte] aldus partieel vrijspreken van slaan en/of schoppen tegen het hoofd. Wel acht de rechtbank bewezen dat hij [slachtoffer] meermalen tegen het lichaam heeft geschopt.

Medeplegen?

De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezenverklaard indien komt vast te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de bijdrage van ieder van de verdachten intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, het volgende vast. Nadat [slachtoffer] aankwam bij de [adres 2] heeft hij kort gesproken met [verdachte] en is hij vervolgens het pand binnen gegaan. Daar is hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tegengekomen en zijn zij de aanval op [slachtoffer] gestart. Deze aanval heeft zich voortgezet buiten op straat, waarbij [verdachte] zich bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gevoegd heeft. Gedurende deze aanval is [slachtoffer] door [medeverdachte 1] naar de grond gebracht en is vervolgens door [medeverdachte 1] vastgehouden. Op het moment dat [slachtoffer] op de grond lag werd hij door [medeverdachte 2] geslagen met een houten balk, door [medeverdachte 1] gestoken met een mes en door [verdachte] geschopt. Op enig moment heeft [slachtoffer] kunnen ontsnappen, waarna [verdachte] hem kort achtervolgd heeft.

Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat er bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en derhalve van medeplegen. De rechtbank overweegt hiertoe dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] alle drie geweldshandelingen hebben verricht en een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer] – ook terwijl hij op de grond lag. Het was voor ieder van hen duidelijk wat de anderen deden en geen van hen heeft zich gedistantieerd van het geweld, waarbij [verdachte] ook nog een achtervolging heeft ingezet toen [slachtoffer] wist te ontkomen.

Opzet?

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachten, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn geweest dan dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg, de dood van [slachtoffer] , hebben aanvaard. Daarmee hebben de verdachten voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer] .

Voorbedachte raad?

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] , met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , met voorbedachte raad heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat hij van dit onderdeel in de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend het impliciet subsidiair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag kan worden bewezen.

Feit 2 en feit 3

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 en 3 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Feit 4 en 5

De rechtbank zal voor deze feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

ten aanzien van feit 4:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 10 december 2020;

- een proces-verbaal van bevindingen, p. 564 zaaksdossier Renegade;

- een geschrift, zijnde een deskundigenrapport NFI, zaaknummer [(--)] (aanvraag 002), d.d. 10 oktober 2017, opgesteld door A.G.A. Sprong NFI-deskundige forensische drugsanalyse, p. 909, zaaksdossier Renegade;

- een geschrift, zijnde een deskundigenrapport NFI, zaaknummer [(--)] (aanvraag 001), d.d. 10 oktober 2017, opgesteld door A.G.A. Sprong NFI-deskundige forensische drugsanalyse, p. 910, zaaksdossier Renegade.

ten aanzien van feit 5:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 10 december 2020;

- een proces-verbaal van Team Forensische Opsporing, p. 403-405, zaaksdossier Renegade;

- een proces-verbaal van bevindingen, p. 559-560, zaaksdossier Renegade.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

op 7 november 2016 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, door met dat opzet

- die [slachtoffer] meermalen, met een mes in het hoofd en in de arm, te steken en

- die [slachtoffer] meermalen, met een balk, tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan en

- die [slachtoffer] meermalen tegen het lichaam te schoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 11 april 2017 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad 35 gram, MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

op 11 april 2017 te Breda een vuurwapen van categorie III, te weten een gaspistool voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en negen maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, eventueel aan te vullen met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven. De verdachte heeft het slachtoffer in die geweldsuitbarsting meerdere malen geschopt, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ook fors geweld uitoefenden op het slachtoffer en daarbij gebruik maakten van een slag- en steekwapen. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf, want het slachtoffer had als gevolg hiervan om het leven kunnen komen. Door het slachtoffer te schoppen terwijl hij op de grond lag, heeft de verdachte niet alleen een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt, maar hem ook gevoelens van schrik en angst aangejaagd. Uit de slachtofferverklaring blijkt voorts dat het feit gedurende geruime tijd gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft voor het slachtoffer.

De verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en het voorhanden hebben van een gaspistool. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Het onbevoegd voorhanden hebben van een gaspistool brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte d.d. 10 november 2020. Hieruit is gebleken dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit eenmaal is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang heeft genomen op 11 april 2017, de dag waarop de verdachte in verzekering werd gesteld. Het eindprocesverbaal is gereedgekomen op 28 augustus 2019. In aanmerking nemende de aard en ernst van de verdenkingen tegen de verdachte, de betrokkenheid van meerdere verdachten, het formuleren van onderzoekswensen door de verdediging, het vervolgens horen van meerdere getuigen bij de rechter-commissaris, en de tijdens het onderzoek door de meeste verdachten ingenomen proceshouding, komt de rechtbank tot het oordeel dat het tijdverloop tot 28 augustus 2019 niet als onredelijk kan worden gekwalificeerd.

Anders oordeelt de rechtbank ten aanzien van de tijd die is verstreken tussen het gereedkomen van het eindprocesverbaal op 28 augustus 2019 en de inhoudelijke behandeling op 10 december 2020. Op dit tijdverloop heeft de verdediging geen invloed gehad.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden en dat deze termijn met een periode van bijna 1,5 jaar is overschreden. De rechtbank zal bij de op te leggen straf daarmee, meer dan de officier van justitie, ten voordele van de verdachte rekening houden.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank gaat bij de straftoemeting voor een voltooide doodslag uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Als strafverzwarende factor weegt de rechtbank mee dat het feit in vereniging is gepleegd op de openbare weg, waar meerdere onschuldige personen getuige zijn geweest van het geweldsincident. Als straf verminderende factor weegt de rechtbank mee dat verdachte, anders dan zijn mededaders, een relatief gering aandeel heeft gehad in het toegebrachte letsel. Daarnaast weegt de rechtbank ten voordele van de verdachte zwaar mee dat het feit reeds in 2016 is gepleegd, dat het bij een poging is gebleven en de verdachte nadien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het strafbare handelen van verdachte bestraft dient te worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te noemen duur.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 50.240,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 240,- aan materiële schade en € 50.000,- aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de post materiële schade in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is en dat de post immateriële schade dient te worden gematigd. Ten aanzien van de matiging refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft gevorderd tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dat benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering een onevenredige belasting is van het strafproces gelet op onder meer de eerder bij de benadeelde partij bestaande PTSS-klachten, het eigen aandeel van de benadeelde partij in het conflict en het feit dat er nog geen zicht is op een medische eindtoestand bij de benadeelde partij.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 7.500,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 7.740,-, bestaande uit € 240,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 december 2020, te weten de datum van het indienen van de vordering. De rechtbank overweegt hiertoe dat er sinds het ontstaan van de schade inmiddels vier jaar zijn verstreken, terwijl dit niet volledig aan de verdachte valt te wijten en naar het oordeel van de rechtbank ook niet in zijn nadeel mag werken.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.740,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2020 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer] .

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (hierna: beslaglijst) onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Het onder 1 genummerde voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 5 bewezenverklaarde feit is begaan. De onder 2 en 3 genummerde voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, onder 2 en onder 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, onder 4 en onder 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] een bedrag van € 7.740,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.740,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2020 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 73 dagen;

verstaat dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst d.d. 4 juli 2018 met parketnummer 09/857044-17 onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen, te weten:

1. STK vuurwapen, kleur: zwart (valtro 8000fs, gasmiddel, wapennummer [(--)] );

2. 2 STK patroon (knal, 2 doosjes);

3. 1 STK boksartikel, kleur: zwart, beugel, boksbeugel).

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van As, voorzitter,

mr. D.C. Laagland, rechter,

mr. M.G.P. Glas, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Doornekamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2016362708, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd zaaksdossier Renegade p. 1 t/m 999 en zaaksdossier [(--)] p. 1 t/m 759).

2 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier Renegade, p. 1-4.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 13 april 2018.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , zaaksdossier Renegade, p. 589-597.

5 Een geschrift, zijnde medische gegevens van [slachtoffer] , zaaksdossier Renegade, opgesteld door Erasmus MC, p. 518-539.

6 Proces-verbaal van verhoor aangever, zaaksdossier Renegade, p. 913-930.

7 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier Renegade, p. 54-144.

8 Proces-verbaal forensische opsporing, zaaksdossier Renegade, p. 13-48.

9 Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport d.d. 23 mei 2017, ‘deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek’, zaaknummer [(--)] , opgemaakt door P.J. Herbergs, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, zaaksdossier Renegade, p. 784-794.

10 Proces-verbaal forensische opsporing, zaaksdossier Renegade, p. 13-48.

11 Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport d.d. 23 mei 2017, ‘deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek’, zaaknummer [(--)] , opgemaakt door P.J. Herbergs, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, zaaksdossier Renegade, p. 784-794.

12 Een geschrift, zijnde de handgeschreven brief aan de rechtbank van [medeverdachte 2] , ongenummerd en ongedateerd.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , zaaksdossier Renegade, p. 589-597.