Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
NL20.20455, NL20.20456, NL20.20722, NL20.20723, NL20.20724 en NL20.20725
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, moeder en minderjarig kind, omzettingen, gronden betwist, lichter middel, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.20455, NL20.20456, NL20.20722, NL20.20723, NL20.20724 en NL20.20725

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres], V-nummer: [v nummer] (eiseres)

mede namens haar minderjarige kind,

[eiser] , V-nummer: [v nummer] (eiser), (hierna gezamenlijk: eisers)

(gemachtigde: mr. A. Hanna), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluiten van 27 november 2020, 30 november 2020 en 2 december 2020 heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van respectievelijk artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 59b, eerste lid, en opnieuw artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 30 november 2020 de maatregel van bewaring van 27 november 2020 opgeheven en op 2 december 2020 de maatregel van bewaring van 30 november 2020 opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Emma's . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt dat zij en eiser de Nigeriaanse nationaliteit hebben en dat zij zijn geboren op respectievelijk [1997] en [2018] .

2. Omdat de maatregelen van bewaring van 27 november 2020 en 30 november 2020 zijn opgeheven, beperkt de beoordeling zich in de zaken met zaaknummers NL20.20455, NL20.20456, NL20.20722 en NL20.20723 tot de vraag of aan eisers schadevergoeding

moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregelen vorderde, omdat het risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken en eisers de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweken of belemmerden. In de maatregelen van bewaring van 30 november 2020 heeft verweerder ook overwogen dat bewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eisers:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerken aan het vaststellen van hun identiteit en nationaliteit;

3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden2 vermeld dat eisers:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;

4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

In de maatregelen van bewaring van 30 november 2020 heeft verweerder daarbij nog als lichte grond vermeld dat eisers:

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.

4. Eiseres voert ten aanzien van de zware grond onder 3a aan dat de reden dat ze geen paspoort had toen ze Nederland binnenkwam, was dat ze als alleenstaande minderjarige in Nigeria geen paspoort aan kon vragen. Verder voert eiseres aan dat, anders dan in de maatregelen staat, ze in november 2017 in Nederland is aangekomen en toen gelijk asiel heeft aangevraagd. Ten aanzien van de zware grond onder 3i voert eiseres aan dat het klopt dat ze heeft aangegeven dat ze niet terug wil naar Nigeria, maar dat dit is omdat ze vreest dat in Nigeria de medische zorg niet toegankelijk zal zijn voor haar zoon. Ten aanzien van de lichte grond onder 4a voert eiseres aan dat deze grond samenhangt met de zware grond 3a en dat deze grond om dezelfde redenen wordt betwist.

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregelen van bewaring onvoldoende te achten. Ten aanzien van de zware grond onder 3a heeft eiseres ter zitting erkend dat deze grond feitelijk juist is en dat zij niet met een geldig paspoort Nederland is ingereisd. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 20203, is de vaststelling van de feitelijke juistheid van deze zware grond voldoende om de grond aan eisers tegen te kunnen werpen. Verweerder heeft dan ook terecht de zware grond onder 3a aan de maatregelen van bewaring ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de zware grond onder 3i stelt de rechtbank vast dat eiseres ook hiervan ter zitting heeft erkend dat ze niet van plan is om terug te keren naar Nigeria. Ook deze grond is dus feitelijk juist. Dat eiseres niet terug wil keren naar Nigeria, omdat zij daar vreest voor de gezondheid van haar zoon, maakt niet dat deze grond niet kan worden tegengeworpen. Ook de zware grond onder 3i heeft verweerder daarom terecht aan de maatregelen van bewaring ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de lichte grond onder 3a overweegt de rechtbank ten slotte dat verweerder in de maatregel heeft gemotiveerd dat eiseres niet beschikt over een document in de zin van artikel 4.21 van het Vb en dat ze daarmee laat zien dat ze zich aan het toezicht onttrekt en de voorbereiding op haar terugkeer belemmert. Eiseres erkent dat zij niet over een dergelijk document beschikt, maar ze geeft aan dat ze dit wel probeert te bemachtigen ten behoeve van haar aanvraag in het kader van artikel 64 van de Vw. Hiermee laat zij naar het oordeel van de rechtbank echter zien dat zij niet van plan is om dit document te gebruiken om terug te keren naar Nigeria en blijkt nog steeds van een risico op onttrekking. Verweerder heeft dan ook terecht de lichte grond onder 4a aan de maatregelen van bewaring ten grondslag gelegd.

6. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden onder 3a en 3i en de lichte grond onder 4a – en de daarbij gegeven motivering – terecht aan eisers zijn tegengeworpen en dat deze gronden, in onderlinge samenhang bezien, de maatregelen van bewaring kunnen dragen. Wat eiseres over de overige gronden heeft aangevoerd, hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres voert verder aan dat verweerder met een lichter middel dan bewaring had moeten volstaan. Eiseres is namelijk wel van plan om een paspoort aan te vragen en vervolgens een artikel 64-procedure op te starten. Het is onverantwoord om haar terug te laten keren naar Nigeria vanwege de medische situatie van haar zoon.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag bij de keuze voor inbewaringstelling in plaats van een lichter middel niet volstaan met verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel van bewaring specifiek motiveren waarom de bewaring noodzakelijk wordt geacht. Daarbij moet verweerder ook ingaan op de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring de belangen van eisers voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk wordt geacht. Eisers hebben eerder een maatregel op grond van artikel 56 van de Vw opgelegd gekregen en dit heeft niet tot vertrek geleid. Verder heeft eiseres regelmatig

3 ECLI:NL:RVS:2020:829.

4 Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674, en van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309 en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.

in de met haar gevoerde vertrekgesprekken gemeld dat ze niet van plan is om te vertrekken naar Nigeria. De rechtbank volgt verweerder dat het gegeven dat eiseres een paspoort aan wil vragen ten behoeve van een artikel 64-procedure, bevestigt dat eiseres niet van plan is om zelfstandig naar Nigeria terug te keren. Verder heeft verweerder een verzwaarde belangenafweging gemaakt ten aanzien van eiser en overwogen dat het in zijn belang is dat hij bij zijn moeder blijft. Ook zijn medische omstandigheden zijn uitvoerig meegewogen. Daarbij hoeft het verblijf in de Gesloten Gezinsvoorziening ook niet onnodig lang te duren, omdat verweerder al een vlucht heeft gepland op 9 december 2020. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder mag wegen dan het belang van eisers en dat verweerder daarom geen lichter middel toe had hoeven passen. De beroepsgrond slaagt niet.

9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

11 december 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.