Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
NL20.15642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, geen rechtmatig verblijf, voldoende gronden, zicht op uitzetting ontbreekt niet, terecht geen lichter middel, voldoende oog voor medische en psychische situatie van eiser, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15642

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Djavakhadze.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Georgische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1973] .

De bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser alle bewaringsgronden betwist. Verweerder handhaaft de lichte grond onder 4e niet, maar handhaaft wel de overige gronden. Verweerder kan bij de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volstaan met een toelichting waaruit de feitelijk juistheid van die grond blijkt.3 De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke juistheid van de zware grond onder 3a voldoende is toegelicht in de maatregel. Eiser stelt dat hij met een geldig paspoort is ingereisd, maar hij heeft deze stelling niet met bewijsstukken onderbouwd. Dat eiser zich na binnenkomst in Nederland heeft gemeld en asiel heeft aangevraagd, doet ook niet af aan de feitelijk juistheid van deze grond. Daarnaast is ook de zware grond onder 3c terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Uit het dossier blijkt dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 30 januari 2019 is afgewezen. Dit besluit wordt tevens aangemerkt als terugkeerbesluit. Op dat moment was aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van een beslissing op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw. Vervolgens is aan eiser op 20 maart 2019 uitstel van vertrek verleend in verband met zijn opname in een psychiatrische instelling. Twee weken na de einddatum van de opname is het uitstel van vertrek van rechtswege geëindigd. Eisers opname in de psychiatrische instelling is op 4 april 2019 geëindigd. Het terugkeerbesluit was op dat moment onverminderd van kracht en eiser heeft tot op heden niet voldaan aan zijn vertrekplicht. De bewaringsgronden onder 3a en 3c zijn samen voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze twee gronden kunnen de maatregel dus al dragen. De overige gronden van de bewaring behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Zicht op uitzetting

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser heeft in de periode van november 2019 tot mei 2020 ook in bewaring gezeten, maar het is toen niet gelukt om eiser uit te zetten naar Georgië. Verweerder heeft onvoldoende toegelicht waarom het vertrek van eiser nu wel mogelijk is.

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er momenteel vluchten gaan naar Georgië en dat de afdeling Boekingen op 20 augustus 2020 is gevraagd om een vlucht voor eiser te boeken. Daarnaast rust er nog steeds een vertrekplicht op eiser. Het is van belang dat eiser voldoet aan zijn plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. Van actieve medewerking is naar het oordeel van de rechtbank eerder geen sprake geweest. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Lichter middel

6. Tot slot voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiser. Gelet op zijn fysieke en psychische gesteldheid is de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend.

7. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 Dat heeft verweerder in deze zaak gedaan en verweerder hoefde geen lichter middel toe te passen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder voldoende oog heeft gehad voor de medische situatie van eiser. In de maatregel van bewaring is hier namelijk uitvoerig op ingegaan. Daarnaast is ook in het detentiecentrum afdoende zorg aanwezig. Uit de verklaringen van eiser ter zitting blijkt ook dat hij die zorg krijgt. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij is bezocht door een arts en extra medicijnen krijgt voor zijn hoge bloeddruk. Verder heeft eiser ook niet met stukken onderbouwd dat hij op dit moment detentieongeschikt is. Tot slot hebben de vertrekgesprekken, de opgelegde meldplicht en de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw niet geleid tot het zelfstandig vertrek van eiser. Een lichter middel is dus al eerder toegepast door verweerder. Gelet daarop mocht verweerder eiser nu in bewaring stellen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4 Onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

26 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.