Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13108

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
09/842183-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van verkrachting van en ontucht met een minderjarige (de bij de verdachte inwonende dochter van zijn partner), mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De rechtbank splitst feit 1 op de dagvaarding in feit 1a primair/subsidiair en 1b primair/subsidiair. Vrijspraak voor verkrachting zoals ten laste gelegd onder 1b primair en 2. Overwegingen omtrent verjaring, splitsing van de tenlastelegging en dwang door andere feitelijkheden. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 4 jaar. Daarnaast dient de verdachte het slachtoffer een schadevergoeding te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842183-19

Datum uitspraak: 21 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1956 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. J. Gravesteijn naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 10 november 2007 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en/of

- met een waterijsje over de borsten en/of vagina en/of het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin

- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht als stiefvader/verzorger van die [naam aangeefster] en/of (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie van die [naam aangeefster] ten opzichte van verdachte en/of

- die [naam aangeefster] op gebiedende wijze heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en/of haar kleren uit moest trekken en/of op bed moest gaan liggen en/of dat zij voornoemde seksuele handelingen uit moest voeren

en/of (aldus) voor die [naam aangeefster] een (intimiderende/onderdrukkende) situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet aan voornoemde handelingen kon onttrekken;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 10 november 2005 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) met [naam aangeefster] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en/of

- met een waterijsje over de borsten en/of vagina en/of het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

en/of

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 november 2005 tot en met 10 november 2007 te Zoetermeer, althans in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg/waakzaamheid toevertrouwde [naam aangeefster] , geboren op [geboortedag] 1989, bestaande die ontucht hierin dat hij (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] heeft gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] heeft gebracht en/of zich heeft laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] heeft gelikt

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 november 2007 tot en met 1 juni 2018 te Zoetermeer, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] heeft gelikt

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin

- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht als stiefvader/verzorger van die [naam aangeefster] en/of de financiele afhankelijkheid van die [naam aangeefster] ten opzichte van verdachte en/of (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie van die [naam aangeefster] ten opzichte van verdachte en/of

- die [naam aangeefster] op gebiedende wijze heeft gezegd dat zij voornoemde seksuele handelingen uit moest voeren en/of

- dat verdachte tijdens de minderjarigheid van die [naam aangeefster] haar stelselmatig/langdurend heeft verkracht, althans ontucht met haar heeft gepleegd

en/of (aldus) voor die [naam aangeefster] een (intimiderende/onderdrukkende) situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet aan voornoemde handelingen kon onttrekken.

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, nu dit feit is verjaard.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaring is gestuit door de verschillende acties van de kant van het Openbaar Ministerie. Nadat de verdachte is aangehouden, is hij in het bijzijn van zijn raadsman verhoord. Uiteindelijk is hem per brief van 21 oktober 2019 het voornemen van de officier van justitie tot vervolging over te gaan meegedeeld. Vervolgens is er in overleg met de raadsman een zitting gepland op

31 december 2019. De dagvaarding is op 6 december 2019 in persoon betekend. Op grond hiervan en ook gelet op het feit dat de verdachte de hem verweten gedragingen bij zijn aanhouding heeft bekend, moet het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat vervolging was ingesteld en dat deze ook doorgang zou vinden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van het onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit was aangeefster [naam aangeefster] , geboren op [geboortedag] 1989, minderjarig. Ingevolge artikel 70 (oud), eerste lid, sub 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) in verbinding met artikel 71 (oud), onder 3 Sr. vervalt het recht tot strafvordering van dit feit door verjaring in twaalf jaren, te rekenen vanaf 12 november 2007, de dag na de dag waarop [naam aangeefster] achttien jaar is geworden. Dit betekent dat de verjaringstermijn voor dit feit was verstreken op 12 november 2019. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie eerst na ommekomst van die termijn, op 6 december 2019, een eerste formele daad van vervolging heeft verricht door het uitbrengen van de dagvaarding. De voordien uitgebrachte brief met het voornemen om te zullen gaan vervolgen kan immers niet als zodanig worden gekwalificeerd. De slotsom is dat het onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit is verjaard, zodat het recht tot strafvervolging is vervallen. De rechtbank verklaart de officier van justitie ter zake van dit feit daarom niet-ontvankelijk in de vervolging.

Bij de beoordeling van de bewijsvraag zal de rechtbank zich dan ook slechts richten op het resterende deel van de tenlastelegging.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De verdachte wordt dan nog verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [naam aangeefster] , de bij hem inwonende dochter van zijn partner, hetgeen subsidiair ten laste is gelegd als het plegen van ontuchtige handelingen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen, met [naam aangeefster] , die destijds wel de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet de leeftijd van zestien jaar had bereikt (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [naam aangeefster] , vanaf het moment dat zij meerderjarig was tot aan haar 28e levensjaar (feit 2).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Op specifieke standpunten van de officier van justitie zal - voor zover van belang - bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota - vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Op specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal - voor zover van belang - bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Aangezien de feiten 1 en 2 nauw met elkaar samenhangen, zal de rechtbank de verklaringen en de daaruit voortvloeiende bewijsmiddelen die voor deze feiten van belang zijn, tezamen bespreken.

De verklaring van [naam aangeefster]

, geboren op [geboortedag] 1989, heeft op 21 augustus 2018 aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte.2 Zij heeft bij de politie het volgende verklaard.

Het misbruik is begonnen toen zij veertien jaar was. Haar moeder kreeg een relatie met de verdachte toen zij zeven was en zij zijn toen samen bij de verdachte in [woonplaats] gaan wonen.3 [naam aangeefster] zag de verdachte als haar stiefvader, haar tweede papa. De eerste keer dat er seksueel misbruik plaatsvond was toen de verdachte haar mee nam naar zijn werkplaats in [plaatsnaam] . Toen alle collega’s daar weg waren, moest zij hem pijpen. De verdachte dirigeerde haar, hij deed zijn broek naar beneden en zei dat zij aan zijn penis moest sabbelen. [naam aangeefster] heeft verklaard dat zij niet wist wat haar overkwam.4 Zij zijn vervolgens de auto in gegaan en de verdachte heeft ijsjes gehaald. Het was een hele warme dag. [naam aangeefster] heeft verklaard dat de verdachte nog een stop moest maken bij de woning van een collega, [naam] , om daar onder meer de planten water te geven en de post weg te halen. In de slaapkamer van het zoontje van [naam] moest zij zich uitkleden en op het bed gaan liggen. Dat heeft zij ook gedaan. De verdachte heeft toen snel zijn kleding uitgetrokken, een ijsje uitgepakt en is daarmee over haar hele lichaam - haar borsten, tepels en vagina - gegaan. [naam aangeefster] heeft voorts verklaard dat hij haar vagina likte, waarna hij zich ineens op haar wierp en haar heel hard penetreerde. Zij heeft verklaard dat dit veel pijn deed en echt niet fijn voelde.5 Ze hebben later niet meer gesproken over deze eerste keer, maar hij heeft haar lichamelijk niet meer met rust gelaten en ging door met haar seksueel te benaderen. Vanaf dat moment kwam hij haar bijna iedere dag opzoeken in haar kamer, waar hij dan dicht naast haar ging zitten om haar te vingeren. [naam aangeefster] heeft verklaard dat het misbruik tot haar 28e levensjaar heeft geduurd. Het gebeurde in haar slaapkamer, op de studeerkamer, in vakantiehuisjes en de badkamer.6 Zij hadden gemiddeld drie keer per week geslachtsgemeenschap. Het beffen gebeurde minder vaak, dat was zo’n één of twee keer in de maand. Het pijpen gebeurde één of twee keer in de week. De verdachte kon haar daartoe dwingen, door een bepaalde intonatie in zijn stem. De verdachte zei haar dan dat hij wilde dat ze dat bij hem zou doen.7

De verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij denkt dat het eerste seksuele contact inderdaad op de werkplaats heeft plaatsgevonden. [naam aangeefster] heeft hem daar gepijpt.8 Hij heeft haar niet gedwongen, in zijn beleving waren ze overeengekomen dat zij dat zou doen. Dit is in juli, in de zomervakantie van 2004 geweest.9 De verdachte heeft voorts verklaard dat hij denkt dat ze toen naar het huis van een collega zijn gegaan, die op vakantie was, en dat hij daar toen heeft geopperd om met ijs over haar lichaam te strelen. Hij heeft verklaard dat hij haar die ervaring wilde laten meemaken. De verdachte heeft vervolgens in een slaap- of logeerkamer van die woning met een ijsje over haar erogene zones gestreeld.10 De verdachte kan zich niet herinneren dat hij toen ook haar vagina heeft gelikt en haar daarna heeft gepenetreerd. De eerste keer penetratie heeft volgens de verdachte pas later in het jaar, in november of december 2004, plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat de relatie tussen hem en [naam aangeefster] 14 jaar heeft geduurd.11 Hij is vanaf het moment dat hij geen normale verhouding meer had met zijn toenmalige partner, in 2004, verliefd geweest op [naam aangeefster] .

De seksuele contacten zijn ontstaan doordat [naam aangeefster] in de nacht altijd naar hem toe kwam en bestonden hoofdzakelijk uit vingeren en aftrekken. Daarnaast was er ook sprake van beffen en geslachtsgemeenschap. Pijpen kwam minder voor. De verdachte heeft verklaard dat het verschilde hoe frequent seksueel contact hij met [naam aangeefster] had. Soms was het dagen achter elkaar, dan was het een paar dagen niet en dan weer wel.12

De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij met zijn penis en vingers in de vagina van [naam aangeefster] is geweest, dat hij met zijn penis in de mond van [naam aangeefster] is gegaan, dat hij haar vagina heeft gelikt en dat hij met een waterijsje over haar borst, lichaam en vagina heeft gestreeld.13 Dit idee ontstond toen ze op een warme dag ijs aan het eten waren en een film bespraken waarin [naam aangeefster] had gezien dat iemand met ijsblokjes over tepels wreef, aldus de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij hierop heeft gevraagd of zij zou willen dat hij dat bij haar zou proberen, waarop ze ‘ja’ zei. Hij heeft verder verklaard dat het seksuele contact is begonnen toen [naam aangeefster] 14 jaar oud was, dat het 14 jaar lang heeft geduurd en dat het zo is gegroeid.14

Tussenconclusie over de handelingen en de periode feit 1

De rechtbank stelt op grond van voorgaande bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte heeft de ten laste gelegde seksuele handelingen erkend, met dien verstande dat hij heeft verklaard dat er nimmer sprake is geweest van enige dwang van zijn kant. De verklaring van [naam aangeefster] wordt voor een zeer groot gedeelte ondersteund door de verklaringen van de verdachte die hij tegenover de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd. Hoewel de verdachte niet precies weet wanneer er voor de eerste keer seks heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [naam aangeefster] op dit punt, te meer nu de verdachte op hoofdlijnen gelijkluidend over deze gebeurtenissen heeft verklaard. [naam aangeefster] heeft verklaard dat zij de verdachte voor de eerste keer heeft gepijpt op de werkplaats in [plaatsnaam] en dat zij daarna, op diezelfde warme dag, voor het eerst geslachtsgemeenschap hebben gehad in de woning van de collega van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat de gebeurtenis op de werkplaats in juli, in de zomervakantie van 2004 is geweest. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze twee gebeurtenissen op een en dezelfde dag in de zomer van 2004 hebben plaatsgevonden. Verder blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen dat de seksuele handelingen na de gebeurtenissen in de zomer van 2004 zijn voortgezet voor een periode van 14 jaar.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de handelingen van de verdachte gekwalificeerd kunnen worden.

Feit 1 verkrachting?

Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen, dient te worden vastgesteld dat de verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat geen sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid. De vraag resteert dan of sprake is geweest van “andere feitelijkheden” waardoor de verdachte [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.

Van door feitelijkheden dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam kan sprake zijn, indien de verdachte opzettelijk een zodanige (psychische) druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie of bedreigende situatie heeft gebracht, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. De verdachte heeft [naam aangeefster] , toen zij nog slechts een 14 jarig kind was, meegenomen naar zijn werk, om haar vervolgens, direct daarna, mee te nemen naar het huis van een collega. Aldaar hebben - achtereenvolgens - de eerste seksuele contacten tussen [naam aangeefster] en de verdachte plaatsgevonden. Op beide plaatsen waren op dat moment geen andere personen aanwezig; de collega’s van de verdachte hadden het kantoor reeds verlaten en de collega van wie de woning was, was op vakantie. Aldus heeft de verdachte er voor gezorgd dat [naam aangeefster] in een geïsoleerde situatie terecht kwam. Deze handelingen vonden plaats tegen de achtergrond van de familierelatie tussen [naam aangeefster] en de verdachte. De verdachte is - feitelijk gezien - haar ruim dertig jaar oudere stiefvader en [naam aangeefster] beschouwde hem als haar tweede vader. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte zowel geestelijk als fysiek overwicht had op [naam aangeefster] . Hiervan heeft de verdachte misbruik gemaakt. Door binnen die familierelatie en afhankelijkheidsrelatie in een door de verdachte gecreëerde geïsoleerde situatie eerdergenoemde handelingen te verrichten - op gebiedende wijze - heeft hij voor [naam aangeefster] een zodanig bedreigende sfeer doen ontstaan dat het voor haar zo moeilijk was om zich aan de seksuele handelingen van de verdachte te onttrekken, dat kan worden gesproken van dwang. Dat door de verdachte en diens raadsman wordt gesteld dat het initiatief niet van cliënt, maar van [naam aangeefster] is uitgegaan acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede gelet op het feit dat de verdachte nu juist heeft verklaard dat hij degene was die voorstelde met het ijsje over het lichaam van [naam aangeefster] te strelen. Hieruit volgt dan ook dat voor deze concrete gebeurtenissen in de zomer van 2004 sprake is geweest van dwang als bedoeld in artikel 242 Sr.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt echter onvoldoende dat de verdachte [naam aangeefster] gedurende de resterende ten laste gelegde periode eveneens steeds op gebiedende wijze heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en/of haar kleren moest uittrekken en/of op bed moest gaan liggen en/of de in de tenlastelegging genoemde seksuele handelingen moest uitvoeren. Weliswaar heeft [naam aangeefster] ten overstaan van de politie verklaard dat de verdachte haar tot deze seksuele handelingen kon dwingen en deze dwang dan uit een bepaalde intonatie bleek, maar naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een onvoldoende concrete feitelijkheid om dwang te kunnen aannemen. Het enkele feit dat tussen de verdachte en [naam aangeefster] sprake was van een uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, terwijl andere concrete feitelijkheden niet uit het dossier blijken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende, mede gelet op de zelfstandige strafbaarstellingen in de artikelen 245 en 249 Sr., om te spreken van een andere feitelijkheid die een dwang in de zin van artikel 242 Sr. oplevert.

4.5

Splitsing van de tenlastelegging

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding het feitencomplex zoals dat onder 1 ten laste is gelegd - primair verkrachting in de periode van 1 juli 2004 tot en met 10 november 2007 en subsidiair het seksueel binnendringen bij iemand beneden zestien jaar in de periode van 1 juli 2004 tot en met 10 november 2005 - te splitsen in de feiten 1a en 1b.

De rechtbank legt aan voornoemde splitsing het volgende ten grondslag. De handelingen die door de opsteller van de tenlastelegging onder het primair ten laste gelegde zijn beschreven, betreffen de handelingen die - zoals hierboven uitvoerig beschreven - slechts zien op de eerste twee seksuele contacten tussen aangeefster en de verdachte. Deze contacten hebben plaatsgevonden in de zomer van 2004. De wijze waarop alle handelingen nu ten laste zijn gelegd brengt mee dat enkel de twee verkrachtingen in de zomer van 2004 tot een bewezenverklaring zouden leiden, terwijl overduidelijk is dat er over een hele lange periode seksuele handelingen zijn verricht die de verdachte heeft bekend en waarvan hij ook de strafwaardigheid in ziet. Daarbij komt dat de officier van justitie ook de bedoeling heeft gehad die hele periode strafrechtelijk aan hem toe te schrijven.

De rechtbank ziet aldus aanleiding het eerste ten laste gelegde feit voor wat betreft de ten laste gelegde periode te splitsen in 1a en 1b, welke feiten dan weer steeds uiteen zullen vallen in de (oorspronkelijk) primair en subsidiair aan de verdachte verweten gedragingen.

De rechtbank is van oordeel dat deze splitsing toelaatbaar is en dat zij met haar oordeel niet de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De beoordeling van de gesplitste tenlastelegging leidt immers niet tot een andere bewezenverklaring van andere strafbare feiten dan aanvankelijk onder 1 ten laste zijn gelegd.

Bij dit oordeel heeft zij eveneens betrokken dat de verdachte met deze splitsing niet in zijn belangen wordt geschaad. Ter terechtzitting is immers gebleken dat bij de verdachte (en zijn raadsman) geen onduidelijkheid heeft bestaan ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten.

Het onder 1 ten laste gelegde feit behelst na splitsing het volgende:

1a.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met

30 september 2004 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en/of

- met een waterijsje over de borsten en/of vagina en/of het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin

- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht als stiefvader/verzorger van die [naam aangeefster] en/of (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie van die [naam aangeefster] ten opzichte van verdachte en/of

- die [naam aangeefster] op gebiedende wijze heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en/of haar kleren uit moest trekken en/of op bed moest gaan liggen en/of dat zij voornoemde seksuele handelingen uit moest voeren

en/of (aldus) voor die [naam aangeefster] een (intimiderende/onderdrukkende) situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet aan voornoemde handelingen kon onttrekken;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met

30 september 2004 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) met [naam aangeefster] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en/of

- met een waterijsje over de borsten en/of vagina en/of het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

1b.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 10 november 2007 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en/of

- met een waterijsje over de borsten en/of vagina en/of het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin

- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht als stiefvader/verzorger van die [naam aangeefster] en/of (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie van die [naam aangeefster] ten opzichte van verdachte en/of

- die [naam aangeefster] op gebiedende wijze heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en/of haar kleren uit moest trekken en/of op bed moest gaan liggen en/of dat zij voornoemde seksuele handelingen uit moest voeren

en/of (aldus) voor die [naam aangeefster] een (intimiderende/onderdrukkende) situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet aan voornoemde handelingen kon onttrekken;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 10 november 2005 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) met [naam aangeefster] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en/of

- met een waterijsje over de borsten en/of vagina en/of het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

Verdere beoordeling van de gesplitste tenlastelegging

Feit 1a

Gelet op hetgeen onder 4.4. is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het onder 1a primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, omdat bij die concrete gebeurtenissen in de zomer van 2004 sprake is geweest van de voor verkrachting vereiste dwang.

Feit 1b

De onder 1b primair ten laste gelegde verkrachting acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, zoals hiervoor overwogen ontbreekt daarvoor de vereiste dwang in de zin van artikel 242 Sr., de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaringen van [naam aangeefster] en van de verdachte, wél wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard het thans onder 1b subsidiair tenlastegelegde namelijk dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 10 november 2005 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [naam aangeefster] , welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen.

Feit 2

De rechtbank stelt allereerst vast dat de onder 2 ten laste gelegde verkrachting, die ziet op de periode vanaf de meerderjarigheid van [naam aangeefster] , in feite een voortzetting betreft van de onder feit 1b primair verweten gedraging. Hoewel in de tenlastelegging voor feit 2 als extra feitelijkheid is opgenomen dat de verdachte [naam aangeefster] tijdens haar minderjarigheid stelselmatig heeft verkracht, althans ontucht met haar heeft gepleegd en de rechtbank zich er terdege van bewust is dat dit een omstandigheid betreft die kan hebben doorgewerkt op [naam aangeefster] , kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat daarmee telkens, gedurende vele jaren en talloze keren, sprake was van het door een feitelijkheid dwingen. Ook ten aanzien van dit feit concludeert de rechtbank daarom dat het dossier onvoldoende concrete feiten en omstandigheden bevat om de voor een bewezenverklaring van verkrachting vereiste dwang aan te nemen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.6

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1a.

hij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 september 2004 te Zoetermeer en

’s-Gravenhage door andere feitelijkheiden [naam aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en heen en weer bewogen en

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt en

- met een waterijsje over de borsten en vagina en het lichaam van die [naam aangeefster] gestreeld

en bestaande die andere feitelijkheiden (telkens) hierin

- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht als verzorger van die [naam aangeefster] en/of (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie van die [naam aangeefster] ten opzichte van verdachte en

- die [naam aangeefster] op gebiedende wijze heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en haar kleren uit moest trekken en op bed moest gaan liggen en dat zij voornoemde seksuele handelingen uit moest voeren

en (aldus) voor die [naam aangeefster] een intimiderende situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet aan voornoemde handelingen kon onttrekken;

1b.

hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 10 november 2005 te Zoetermeer althans in Nederland, telkens met [naam aangeefster] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis en/of vingers in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de mond van die [naam aangeefster] gebracht en/of zich laten pijpen door die [naam aangeefster] en/of

- de vagina van die [naam aangeefster] gelikt.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een contactverbod met [naam aangeefster] gevorderd.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat tegen de verdachte een bevel tot gevangenneming zal worden verleend.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden, aan de verdachte op te leggen. De raadsman heeft in dat verband ook gewezen op een vonnis van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:12079), waarin de verdachte ter zake van ontucht met zijn stiefzoon, zoon en dochter gedurende een lange periode werd veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. De raadsman heeft daarnaast opgemerkt dat de vordering tot gevangenneming van de officier van justitie wonderlijk is, gelet op het feit dat de verdachte na diens inverzekeringstelling is heengezonden.

De raadsman heeft zich verzet tegen de vordering gevangenneming.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee verkrachtingen en aan ontucht met de minderjarige [naam aangeefster] . Het seksuele misbruik is begonnen toen [naam aangeefster] veertien jaar was. Zij beschouwde de verdachte als haar stiefvader en woonde al vanaf haar zevende jaar bij hem in huis.

Zowel [naam aangeefster] als de verdachte beschrijven dat zij, als gevolg van de psychische problematiek van haar moeder en haar psychische afwezigheid in het gezin, dichter naar elkaar groeiden. [naam aangeefster] nam al op jonge leeftijd de huishoudelijke en zorgtaken van haar moeder over. De verdachte heeft beschreven dat hij haar is gaan zien als de vervanger van haar moeder en dat hij verliefd op haar werd. Hij zag haar als een vriendin of zijn vrouw.

Na de eerste twee verkrachtingen heeft het misbruik zich grotendeels afgespeeld in het ouderlijk huis van [naam aangeefster] . Zij beschrijft dat de verdachte haar na die dag lichamelijk niet meer met rust liet. Bijna iedere dag, vanaf dat moment, kwam hij haar opzoeken in haar kamer. Het was voor haar nooit fijn en ze wilde het nooit. Ze voelde zich gedwongen in een positie waar zij niet uit kon komen. Zij was bang dat hij zich aan haar zusjes zou vergrijpen en voelde dat zij hen beschermde door hem zijn seksuele lusten op haar te laten botvieren. De verdachte heeft telkens verschillende seksuele handelingen bij haar verricht en haar bewogen om seksuele handelingen bij hem te verrichten. Er is veelvuldig sprake geweest van seksueel binnendringen. Daarbij heeft de verdachte alleen aan de bevrediging van zijn eigen seksuele lustgevoelens gedacht en zich niets aangetrokken van de kwetsbare en ongelijkwaardige positie waarin [naam aangeefster] zich, als financieel en emotioneel afhankelijke minderjarige in een abnormale gezinssituatie, bevond. De verdachte verklaart simpelweg daar nooit bij te hebben stilgestaan. Door zo te handelen heeft de verdachte stelselmatig en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer.

Het is algemeen bekend dat door seksueel misbruik de normale seksuele en persoonlijke ontwikkeling van een slachtoffer ernstig kan worden geschaad en dat zij daarvan nog lang psychische klachten kunnen ondervinden. Dit wordt in het onderhavige geval ook onderschreven door klinisch (neuro-) psycholoog drs. J. Molenaar, bij wie het slachtoffer onder behandeling is in verband met een posttraumatische stressstoornis. De psycholoog beschrijft dat de persoonlijke ontwikkeling van [naam aangeefster] verstoord is geraakt als gevolg van het misbruik en dat de verwachting is dat zij nog lange tijd onder behandeling zal zijn. Verder beschrijft hij dat het slachtoffer zowel psychisch als lichamelijk klachten ondervindt van de herinneringen aan het seksuele misbruik door de verdachte. Hoe ingrijpend de gevolgen voor [naam aangeefster] zijn geweest en hoe ingrijpend deze tot op de dag van vandaag zijn, blijkt eveneens uit de toelichting op de vordering die zij als benadeelde partij heeft ingediend en uit de slachtofferverklaring afgelegd ter terechtzitting.

Persoon van de verdachte

Uit de strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van

19 november 2020. De reclassering heeft geen aanwijzingen voor seksueel deviant gedrag of een afwijkende seksuele voorkeur, waardoor de kans op herhaling als klein wordt ingeschat. De reclassering ziet geen delictgerelateerde problemen en de verdachte heeft zijn leven op praktisch gebied op orde. De verdachte is gemotiveerd voor een behandeling en volgt al langere tijd een vrijwillige behandeling bij de forensische polikliniek van De Waag. De reclassering heeft geadviseerd tot oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact en een behandelverplichting bij De Waag.

Dat de verdachte vrijwillig een behandeling is gestart, ziet de rechtbank als een stap in de goede richting. De rechtbank constateert echter ook dat de verdachte nog weinig inzicht heeft in zijn rol in het ontstane seksuele misbruik. De verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat het initiatief voor de seksuele handelingen geheel van de zijde van het slachtoffer is gekomen en dat de relatie tussen hen nu eenmaal zo is gegroeid. Hij lijkt zich niet bewust te zijn van de verantwoordelijkheid die hij als volwassene en als feitelijke stiefvader had jegens het slachtoffer.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank heeft ten aanzien van de strafmaat gelet op hetgeen in de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt voor de straf is neergelegd. Gelet op de frequentie van het seksuele misbruik, de jonge leeftijd van het slachtoffer en haar afhankelijkheidspositie ten opzichte van de verdachte, acht de rechtbank enkel een gevangenisstraf van een lange duur passend en geboden.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de feiten, anders dan de reclassering, geen aanleiding voor de oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. De door de reclassering geadviseerde voorwaarden kunnen ook in de eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling worden ingebed.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan die door de officier van justitie geëist. Dit is erin gelegen dat de officier van justitie bij haar strafeis is uitgegaan van een bewezenverklaring van verkrachting gedurende 14 jaar, waarbij het slachtoffer gedurende de eerste vier jaar minderjarig was. De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren opleggen. Gelet op de duur van deze gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een contactverbod aan de verdachte op te leggen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

Vordering tot gevangenneming

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op het tijdsverloop in deze zaak - niet langer de ingevolge artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering benodigde grond aanwezig is voor het door de officier van justitie gevorderde bevel tot gevangenneming. Zij zal deze vordering daarom afwijzen.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.214,10, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 364,10 aan materiële schade en € 16.850,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij is ter terechtzitting bijgestaan door mr. A.J. Korff.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de

benadeelde partij, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met

oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de vordering niet van eenvoudige aard is en de behandeling daarvan leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, die ziet op de reiskosten van en naar de psycholoog waar de benadeelde partij onder behandeling is, is namens de verdachte niet in omvang betwist en door en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de onder 1a primair en 1b subsidiair bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten € 364,10.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen over het bedrag aan materiële schade vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 2 december 2020.

Immateriële schade

De verdachte heeft met de door hem gepleegde feiten inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. Gelet op het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek komt de benadeelde partij in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. De vordering is onderbouwd met een brief van haar psycholoog, drs. J. Molenaar, waaruit blijkt dat de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen als gevolg van de bewezen verklaarde feiten en dat zij daarvoor onder behandeling van de psycholoog staat.

De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar maatstaven van billijkheid en gelet op de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen vaststellen op het ook overigens onbetwist gevorderde bedrag, te weten € 16.850,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen over het bedrag aan immateriële schade vanaf 1 juli 2004, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Totaal toegewezen schade

De rechtbank zal de vordering gelet op het voorgaande toewijzen tot een bedrag van in totaal € 17.214,10.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte voor de onder 1a primair en 1b subsidiair bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij daarom tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.214,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 364,10 vanaf 2 december 2020 en over een bedrag van € 16.850,- vanaf 1 juli 2004, beide tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [naam aangeefster] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 242 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1b primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1a primair en 1b subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1a primair:

verkrachting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1b subsidiair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij [naam aangeefster] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [naam aangeefster] een bedrag van € 17.214,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 364,10 vanaf 2 december 2020 en over een bedrag van € 16.850,- vanaf 1 juli 2004, beide tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.214,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 364,10 vanaf 2 december 2020 en over een bedrag van € 16.850,- vanaf 1 juli 2004, beide tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [naam aangeefster] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 121 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mr. F.X. Cozijn, rechter,

mr. P. Figge, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. J.A. Lockhorst en R.C. van Grinsven, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018180095, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, team Zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 156).

2 Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster] , p. 28.

3 Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster] , p. 29.

4 Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster] , p. 29.

5 Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster] , p. 30.

6 Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster] , p. 32.

7 Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster] , p. 34-35.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 110.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 111.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 111-112.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 116.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 122-126.

13 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 december 2020.

14 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 december 2020.