Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13036

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
09/827201-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 44-jarige man is veroordeeld voor drie verkrachtingen (dwang door feitelijkheden), het meermalen plegen van ontucht en het bezit van kinderporno tot een gevangenisstraf van 6 jaren. De drie slachtoffers, waarbij één van de slachtoffers het nichtje van de man was, waren destijds tussen de dertien en zestien jaar oud. Verwerping verweer verdediging verklaringen slachtoffers onbetrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/827201-18 (dagvaarding I) en 09/817062-20 (dagvaarding II, gev. ttz)

Datum uitspraak: 18 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats] ,

[adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek van dagvaarding I heeft pro forma plaatsgevonden op de zittingen van 20 juli 2018 en 12 oktober 2018. Ter terechtzitting van 4 december 2020 is het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond en is dagvaarding II gevoegd, waarna de inhoudelijke behandeling van beide dagvaardingen heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.T. Wernsen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in bovengenoemde dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir – vrijspraak gevorderd van het bij dagvaarding I onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I onder 1 primair en dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de bij dagvaarding I onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair en subsidiair en dagvaarding II onder 2 en onder 3 ten laste gelegde feiten.

Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het onder dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Juridisch kader van het bewijs in zedenzaken

Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het slachtoffer en de verdachte. Wanneer de verdachte de seksuele handelingen dan ontkent, leidt dat er in veel gevallen toe dat slechts de verklaring van het slachtoffer – als getuige – als wettig bewijs beschikbaar is. De verklaring van één getuige - in zo’n geval het slachtoffer - is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van het slachtoffer toch voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken, moet de rechter dan bovendien ook de overtuiging hebben gekregen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ook in de aan de verdachte ten laste gelegde feiten op dagvaarding I hebben alleen de (minderjarige) meisjes verklaard dat de verdachte seksuele handelingen bij hen heeft gepleegd. De rechtbank zal eerst toetsen of de verklaringen van de meisjes betrouwbaar kunnen worden geacht. Daarbij kijkt ze naar de inhoud van de verklaring, op welke wijze deze tot stand is gekomen (disclosure) en in hoeverre deze verklaring consistent is. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de verklaring van het slachtoffer in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.

Dagvaarding I 1 , feit 1

De bewijsmiddelen

De verklaring van [slachtoffer 1]

geboren op [geboortedatum 2] , heeft bij de politie verklaard dat eind juli 2017 [verdachte] op bezoek kwam in de woning aan de [adres 2] te Den Haag, waar zij woonde met haar moeder. [slachtoffer 1] was op dat moment alleen thuis. [slachtoffer 1] en de verdachte waren in de woonkamer. [slachtoffer 1] moest van de verdachte op een stoel bij de tafel gaan zitten. De verdachte zei dat hij [slachtoffer 1] een massage ging geven. Hierop gaf de verdachte [slachtoffer 1] een schoudermassage. Vervolgens deed de verdachte het T-shirt van [slachtoffer 1] omhoog aan de achterzijde en ging naar haar schouders en over haar rug naar beneden. De verdachte ging met zijn handen naar haar borsten toe. Het hemd van [slachtoffer 1] zat op haar schouders. De verdachte ging met zijn handen via de rug onder haar arm door naar de voorzijde, haar borsten. Met zijn beide handen raakte hij haar borsten aan. De verdachte zei: "Ga eens staan". [slachtoffer 1] moest toen bij de bank gaan staan. De verdachte heeft haar broek en onderbroek uitgedaan. [slachtoffer 1] moest op de bank gaan liggen. De verdachte deed haar benen wijd. [slachtoffer 1] was in shock. De verdachte ging tussen haar benen liggen. Vervolgens trok de verdachte [slachtoffer 1] naar zich toe, ging met zijn hoofd naar voren en ging met zijn hoofd tussen haar benen. De verdachte was met zijn hoofd bij haar kruis en bewoog met zijn tong bij haar vagina. Vervolgens ging hij met één vinger in haar vagina en deed de vinger steeds in en uit de vagina. [slachtoffer 1] moest gaan staan. De verdachte deed zijn broek en onderbroek naar beneden. De verdachte zei dat [slachtoffer 1] moest gaan leren hoe zij moest gaan zoenen en tongen. [slachtoffer 1] moest zijn piemel aanraken. Toen zei de verdachte dat [slachtoffer 1] dichtbij moest komen staan en ging vervolgens met haar zoenen. [slachtoffer 1] moest gaan zitten en moest zijn piemel in haar mond stoppen. De verdachte ging met zijn piemel telkens in en uit haar mond. Een paar seconden later zei de verdachte dat [slachtoffer 1] weer moest gaan staan. [slachtoffer 1] moest zich omdraaien, met haar rug naar hem toe. De verdachte stopte zijn piemel in de vagina van [slachtoffer 1] . Hij ging er weer uit, toen weer half erin en eruit en vervolgens weer erin. [slachtoffer 1] zei dat het pijn deed, draaide zich weg en hoorde de verdachte zeggen dat hij het de volgende keer voorzichtiger ging doen. De verdachte gaf haar toen een kus op haar mond. De verdachte ging weg en zei nog: "Vertel het aan niemand en ook niet aan je moeder".2

De verklaring van de verdachte

D verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] op haar schouders heeft gemasseerd bij haar thuis. Zij was toen alleen thuis. Hij heeft toen met haar over seks gesproken.3

De verklaring van de moeder van [slachtoffer 1]

[naam moeder slachtoffer 1] , de moeder van [slachtoffer 1] , heeft bij de politie verklaard dat zij met [verdachte] voor de zomer van 2017 een relatie had en dat hij daarna ongeveer vier keer per week langskwam om te praten.4 In een tweede verklaring heeft ze verklaard dat haar dochter zoals altijd als zij ’s avonds werkte, alleen thuis was en dat ze met de verdachte die avond een afspraak had over het langsbrengen van een computerkabel.5

De beoordeling door de rechtbank

De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1]

heeft voor het eerst over het gebeurde verteld aan haar nichtje, [naam nichtje] , op 29 september 2017. [naam nichtje] heeft dit aan haar moeder, de tante van [slachtoffer 1] , verteld, aan wie [slachtoffer 1] vervolgens nog een keer haar verhaal heeft gedaan. De tante heeft hiervan een geluidsopname gemaakt en vervolgens de politie gebeld. Hierna heeft [slachtoffer 1] eerst met de politie op 30 september 2017 een informatief gesprek gevoerd waarin zij haar verhaal nogmaals heeft gedaan. Daarna is zij op 11 oktober 2017 verhoord, waar zij de hiervoor weergegeven verklaring heeft afgelegd. Ook [naam nichtje] is door de politie verhoord en de geluidsopname is door de politie beluisterd en uitgewerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [slachtoffer 1] telkens, tegenover haar nichtje, haar tante, tijdens het informatieve gesprek en tijdens het verhoor consistent en gedetailleerd verklaard over het gebeurde. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] daarom betrouwbaar en zal deze tot bewijs bezigen.

Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer 1] op meerdere punten bevestiging in de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij alleen met haar thuis was, haar heeft gemasseerd en dat een gesprek over seks heeft plaatsgevonden. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van haar moeder over het alleen thuis zijn en het feit dat de verdachte in die periode waarin het ten laste gelegde zou hebben plaatsgevonden, vaak langskwam om te praten.

Nu de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat de rechtbank voor het bewijs van het ten laste gelegde dan ook van deze verklaring uit.

Gedwongen tot seksuele handelingen

Uit voormelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 1] handelingen heeft ondergaan die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat geen sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid. De vraag resteert dan of sprake is geweest van andere feitelijkheden waardoor de verdachte [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.

Van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan slechts sprake zijn, indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken.6

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 1] tot de seksuele handelingen heeft gedwongen door feitelijkheden, bestaande in de combinatie van het overwicht dat hij had door het grote leeftijdsverschil (27 jaar) en de omstandigheid dat hij de partner was van de moeder van [slachtoffer 1] en regelmatig bij [slachtoffer 1] thuis kwam, waarbij er sprake was van een vertrouwensband, en in die situatie in haar eigen huis onverhoeds de kleding van [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken, haar gezegd dat zij op de bank moest gaan liggen en haar benen heeft gespreid. [slachtoffer 1] was hierdoor in shock. Hierdoor heeft de verdachte voor de destijds 14-jarige [slachtoffer 1] een zo bedreigende situatie doen ontstaan, dat zij zich in redelijkheid niet kon onttrekken aan de seksuele handelingen die de verdachte daarna met haar heeft gepleegd, waaronder het met zowel zijn vingers als penis meermalen binnendringen in de vagina van [slachtoffer 1] .

Conclusie

De rechtbank acht het bij dagvaarding I onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Dagvaarding I, feit 2

De bewijsmiddelen

De verklaring van [slachtoffer 2] bij de politie

[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 4] , heeft bij de politie verklaard dat zij in de maand van het kerstgala op bezoek kwam in een woning in Den Haag, waar haar vriendin [naam vriendin] woonde. [slachtoffer 2] was in september van het jaar van het kerstgala vijftien jaar oud geworden. [slachtoffer 2] groette haar vriendin [naam vriendin] en liep naar de kelder. [naam vriendin] bleef op bed liggen en ging niet mee naar de kelder. In de kelder ging [slachtoffer 2] zitten en zij liet haar haar door de vader van [naam vriendin] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) doen. De verdachte zei tegen [slachtoffer 2] dat hij liefde zocht. Toen de verdachte klaar was met het knippen van haar haar, gaf hij haar kusjes op haar wang en mond. [slachtoffer 2] trok haar hoofd weg. Vervolgens zei de verdachte dat [slachtoffer 2] moest gaan staan en dat hij de top erin deed. Hierop deed de verdachte de broek van [slachtoffer 2] naar beneden. [slachtoffer 2] durfde niets te zeggen en moest blijven staan. De verdachte deed zijn broek naar beneden tot op de bovenzijde van zijn benen en duwde haar tegen de muur. De verdachte ging met zijn lul in en uit haar vagina. [slachtoffer 2] kreeg kramp en deed haar broek weer aan. Nadat [slachtoffer 2] haar broek had aangedaan, zei de verdachte dat hij haar zou gaan beffen. [slachtoffer 2] wist niet waar de verdachte het over had. Vervolgens ging [slachtoffer 2] naar huis.7

De verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris

[slachtoffer 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op de dag van het schoolfeest naar de woning van haar vriendin [naam vriendin] is gegaan om haar haar door de verdachte te laten doen. [naam vriendin] bleef op bed liggen. [slachtoffer 2] is alleen naar de kelder gegaan en ging daar op een stoel zitten. De verdachte begon [slachtoffer 2] te zoenen. [slachtoffer 2] hield haar lippen stijf op elkaar en raakte in paniek. De verdachte zei: “doe je broek maar naar beneden want ik zet alleen de top erin”. Met kracht bleef de verdachte de broek van [slachtoffer 2] naar beneden trekken en trok haar bij haar pols omhoog. Op een gegeven moment was [slachtoffer 2] verstijfd en duwde hij “het” erin. De verdachte stopte zijn piemel in de vagina van [slachtoffer 2] en ging meerdere keren erin en eruit. [slachtoffer 2] stond voorovergebogen over een stoel, met haar gezicht richting de muur. De stoel stond tegen de muur aan. De verdachte was een minuut bezig en trok daarna zijn broek omhoog. Vervolgens zei de verdachte dat als ze langer waren doorgegaan, hij [slachtoffer 2] zou beffen.8

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het haar van [slachtoffer 2] in de kelder heeft gedaan.9

De verklaring van de moeder van [slachtoffer 2]

De moeder van [slachtoffer 2] , [naam moeder slachtoffer 2] , heeft verklaard dat [slachtoffer 2] een schoolfeestje had en dat zij de dag na het feestje zag dat de babyhaartjes van [slachtoffer 2] aan de achterzijde van haar hoofd waren afgeschoren. [slachtoffer 2] heeft tegenover haar moeder verklaard dat de verdachte haar haar had afgeschoren en dat haar vriendin [naam vriendin] op bed was blijven liggen. Later heeft [slachtoffer 2] tegenover haar moeder verklaard dat ze door de verdachte was verkracht.10

De beoordeling door de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2]

is niet zelf naar de politie gestapt met haar verhaal. Zij is door de politie benaderd nadat de echtgenote van de verdachte, [naam echtgenote verdachte] , over [slachtoffer 2] had verklaard tegenover de politie. Volgens [naam echtgenote verdachte] had [slachtoffer 2] eerst tegen haar gezegd dat de verdachte haar had verkracht, maar later gezegd dat dit niet waar was en haar excuses daarvoor aangeboden. [naam echtgenote verdachte] heeft een van [slachtoffer 2] afkomstig Facebookbericht op haar telefoon laten zien, dat de verklaring van [naam echtgenote verdachte] bevestigt. Vervolgens heeft de politie [slachtoffer 2] verhoord. Tijdens het verhoor heeft zij eerst verklaard dat er niets was voorgevallen tussen haar en de verdachte anders dan zoenen, maar na doorvragen van de politie heeft zij verklaard over andere seksuele handelingen, zoals hiervoor is weergegeven. De rechtbank overweegt dat deze gang van zaken vragen oproept over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . Zij is hierover ook bevraagd bij de rechter-commissaris. Daar heeft zij uitgelegd dat zij het bericht aan [naam echtgenote verdachte] had gestuurd omdat zij niet wilde dat de dochter van de verdachte, met wie zij was bevriend, zonder vader zou opgroeien als gevolg van haar beschuldiging van verkrachting. Dit vindt bevestiging in de verklaring die de moeder van [slachtoffer 2] , [naam moeder slachtoffer 2] , bij de politie heeft afgelegd. Dit komt de rechtbank plausibel voor, in aanmerking genomen dat [slachtoffer 2] zelf ook zonder vader is opgegroeid. Verder heeft [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris uitgelegd dat zij bij de politie eerst niet wilde verklaren over alle seksuele handelingen omdat zij bang was dat “het probleem groter zou worden dan het was”. Ook dit komt de rechtbank plausibel voor. Door deze uitleg komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] zoals deze zijn afgelegd bij de rechter-commissaris en bij de politie, als betrouwbaar moeten worden aangemerkt nu deze verklaringen gedetailleerd en consistent zijn.

De verdediging heeft erop gewezen dat [slachtoffer 2] tegenover twee meisjes, [naam 1] en [naam 2] , andersluidend zou hebben verklaard over het gebeurde. Zij zijn ook bij de rechter-commissaris verhoord. Uit hun verklaringen komt naar voren dat [slachtoffer 2] wisselend zou hebben verklaard over haar kleding ten tijde van het gebeurde in de kelder, maar de rechtbank is van oordeel dat dit detail over de kleding in dit geval, mede gelet op de ondergeschiktheid ervan als ook het tijdsverloop tussen het incident en de verklaringen, geen reden geeft tot twijfel aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] . Voorts komt uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] naar voren dat [slachtoffer 2] zou hebben verklaard over seksuele handelingen met de verdachte op andere plaatsen en tijdstippen zoals in een bos en in een auto, waarover zij bij de politie niet heeft verklaard. Wat hier verder ook van zij laat de rechtbank in het midden, nu [slachtoffer 2] tegenover [naam 1] en [naam 2] in ieder geval (ook) heeft verklaard over het gebeurde in de kelder. De verdediging heeft er verder op gewezen dat bij het gebeurde in de kelder een andere persoon aanwezig was, namelijk [slachtoffer 3] , die zou hebben ontkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 3] heeft aanvankelijk telefonisch aan de politie verklaard dat zij niet meer wist was er in de kelder was gebeurd. Later heeft zij echter tijdens een verhoor bij de politie verklaard dat de verdachte en zijn moeder haar hadden benaderd om te getuigen dat zij erbij was in de kelder en dat “het” niet was gebeurd, terwijl zij in werkelijkheid helemaal niet in de kelder aanwezig was. Gelet op deze gang van zaken doet de verklaring van [slachtoffer 3] de rechtbank niet twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] zodat deze voor het bewijs kan worden gebezigd.

De verklaring van [slachtoffer 2] vindt bovendien bevestiging in de verklaring van de verdachte zelf, namelijk dat hij inderdaad in de kelder was met [slachtoffer 2] en daar haar haar heeft gedaan. Ook de verklaring van [slachtoffer 3] dat zij door de verdachte en zijn moeder benaderd is om in strijd met de waarheid te verklaren dat zij erbij was in de kelder en dat er daar niets was gebeurd, merkt de rechtbank aan als steunbewijs.

Nu de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat de rechtbank voor het bewijs van het ten laste gelegde dan ook van deze verklaring uit.

Gedwongen tot seksuele handelingen

Uit voormelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 2] handelingen heeft ondergaan die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat geen sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid. De vraag resteert dan of sprake is geweest van andere feitelijkheden waardoor de verdachte [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.

De feitelijkheden in deze zaak bestaan uit het volgende. Nadat de verdachte in de kelder van zijn huis het haar van [slachtoffer 2] had geknipt, heeft hij haar onverhoeds op haar wang en mond gekust waardoor [slachtoffer 2] in paniek raakte en niet wist wat ze moest doen. Vervolgens heeft de verdachte de broek van [slachtoffer 2] omlaag getrokken en haar tegen de muur geduwd. [slachtoffer 2] durfde niets te zeggen en was verstijfd. Ook zei de verdachte tegen [slachtoffer 2] dat hij haar ging beffen. De verdachte was 26 jaar ouder dan [slachtoffer 2] , die op dat moment vijftien jaar was. De verdachte was de vader van haar vriendin. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte overwicht had op [slachtoffer 2] , waarvan de verdachte misbruik heeft gemaakt. Door onder deze omstandigheden de bovengenoemde handelingen te verrichten, heeft de verdachte voor de destijds vijftienjarige [slachtoffer 2] een zo bedreigende situatie doen ontstaan, dat sprake is van seksuele handelingen onder dwang waaraan zij zich niet kon onttrekken, waaronder het door de verdachte binnendringen met zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] .

De rechtbank leidt uit het dossier ook af dat de verdachte een bericht met de tekst “ik vind je leuk” heeft gestuurd aan [slachtoffer 2] . Het sturen van dit bericht heeft echter niet bijgedragen aan het doen ontstaan van vorenbedoelde bedreigende situatie. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

De pleegperiode

[slachtoffer 2] is op [datum] vijftien jaar oud geworden. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verkrachting heeft plaatsgevonden in de maand van het kerstgala van het jaar dat zij vijftien jaar oud is geworden. [slachtoffer 2]

Conclusie

De rechtbank acht het bij dagvaarding I onder feit 2 primair ten laste gelegde, anders dan de officier van justitie en de verdediging, wettig en overtuigend bewezen.

Dagvaarding II 11 , feiten 1 en 2

De bewijsmiddelen

De verklaring van [slachtoffer 3]

, geboren op [geboortedatum 3] , heeft – na een informatief gesprek bij de politie – op 28 september 2018 aangifte gedaan en het volgende verklaard. In september 2014 kwam [slachtoffer 3] in Nederland wonen en kwam ze in contact met haar nichtje [naam dochter verdachte] , de dochter van de verdachte. De verdachte is de zoon van de zus van de moeder van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] kwam sinds twee maanden langs in de woning van de verdachte en vond het een warme, fijne en veilige plek. Op enig moment sprak de verdachte [slachtoffer 3] aan op WhatsApp en zei dat hij seks met haar wilde. [slachtoffer 3] gaf aan dat ze nicht en neef zijn en zei dat ze geen seks wilde.

Midden november 2014 had [slachtoffer 3] met [naam dochter verdachte] afgesproken om bij haar in Den Haag te gaan logeren. [slachtoffer 3] woonde op dat moment in Eindhoven en is daar met de auto door de verdachte opgehaald. De verdachte was zonder [naam dochter verdachte] gekomen. Op enig moment parkeerde de verdachte de auto op een lege parkeerplaats. De verdachte raakte [slachtoffer 3] aan bij haar benen. [slachtoffer 3] haalde zijn hand weg, waarop de verdachte nogmaals de benen van [slachtoffer 3] aanraakte. [slachtoffer 3] werd over haar kleding bij haar borsten en haar vagina aangeraakt. De verdachte zei hierbij dat het niet erg was en dat [slachtoffer 3] niet bang moest zijn. Vervolgens zei de verdachte dat [slachtoffer 3] naar de achterbank moest. De verdachte ging op de achterbank naast [slachtoffer 3] zitten, deed zijn broek uit en zei tegen [slachtoffer 3] dat zij hem moest pijpen. Hierop heeft [slachtoffer 3] de verdachte gepijpt. Vervolgens moet [slachtoffer 3] gaan liggen en haar broek ging uit. De verdachte deed een condoom om heeft [slachtoffer 3] vervolgens gepenetreerd.

De tweede keer waarover [slachtoffer 3] heeft verklaard, kwam de verdachte met zijn scooter [slachtoffer 3] in Zoetermeer ophalen. [slachtoffer 3] had met [naam dochter verdachte] afgesproken, maar zij was niet meegekomen. De verdachte en [slachtoffer 3] waren alleen en gingen met de scooter via Leidschenveen naar zijn woning in Den Haag. Tijdens het rijden ging de verdachte met zijn hand naar achteren. [slachtoffer 3] werd bij haar vagina aangeraakt. De scooter viel op enig moment uit. [slachtoffer 3] moest van de verdachte meekomen. Ze liepen naar een gebouwtje.

Toen de verdachte en [slachtoffer 3] achter het gebouwtje kwamen, trok de verdachte zijn broek naar beneden. De verdachte zei tegen [slachtoffer 3] : “kom”. Op dat moment had de verdachte een stijve penis. Hierop begon [slachtoffer 3] de verdachte te pijpen. Vervolgens zei de verdachte dat [slachtoffer 3] zich om moest draaien. Haar kleren ging tot onder de knie uit. De verdachte heeft [slachtoffer 3] vaginaal gepenetreerd totdat hij was klaargekomen.

De derde keer waarover [slachtoffer 3] heeft verklaard, werd zij door de verdachte met de auto in Zoetermeer opgehaald om naar zijn woning te gaan. De verdachte stopte bij een flat en zei dat [slachtoffer 3] mee moest komen. In woning van de flat heeft [slachtoffer 3] met de verdachte vaginale seks gehad.

De vierde keer waarover [slachtoffer 3] heeft verklaard was in de auto op weg vanuit Zoetermeer naar Den Haag. De verdachte parkeerde de auto in de buurt van de spoortunnel van de [naam straat] te Den Haag. De verdachte zei tegen [slachtoffer 3] dat ze het in de auto gingen doen en nieuwe dingen zouden gaan proberen. De verdachte deed de leuning naar achteren en [slachtoffer 3] moest gaan liggen. Vervolgens ging de verdachte [slachtoffer 3] beffen en pijpte [slachtoffer 3] de verdachte. [slachtoffer 3] moest hierna op haar zij gaan liggen met haar benen gesloten en werd gepenetreerd.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat ze tijdens het laatste incident vijftien jaar of richting de vijftien jaar oud was.

[slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat zij ook anale seks met de verdachte heeft gehad en dat zij vaak in de schuur van de verdachte seks heeft gehad.

De laatste keer dat er is iets gebeurd, was op 15 april 2017. Zij was op dat moment in Eindhoven, op de verjaardag van haar nichtje. Op dat moment had [slachtoffer 3] al een paar maanden geen seks met de verdachte gehad. De verdachte was ook op het feestje aanwezig. Op een gegeven moment hield de verdachte [slachtoffer 3] tegen en heeft hij haar op de trap gevingerd. De verdachte zei vervolgens dat [slachtoffer 3] mee moest naar een winkel om drank te halen. Met de auto gingen de verdachte en [slachtoffer 3] naar de winkel. Toen de verdachte en [slachtoffer 3] weer op weg waren naar de woning, parkeerde de verdachte de auto op een parkeerplaats. Op de achterbank van de auto hebben de verdachte en [slachtoffer 3] seks gehad.12

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende een periode van drie jaar seks met [slachtoffer 3] , zijn nichtje, heeft gehad. De seks is in 2014 begonnen. De verdachte heeft [slachtoffer 3] gebeft, gevingerd en geneukt. [slachtoffer 3] heeft de verdachte gepijpt. De eerste keer vond plaats in de auto op een parkeerplaats. In de auto heeft [slachtoffer 3] de verdachte gepijpt en hebben zij seks gehad. Ook heeft hij met [slachtoffer 3] achter een gebouw in Leidschenveen seks gehad nadat de scooter was uitgevallen. Verder heeft de verdachte in zijn schuur seks gehad met de [slachtoffer 3] en heeft hij in Eindhoven met haar seks gehad.13

De beoordeling door de rechtbank

Uit bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 3] , die mede bestonden uit seksueel binnendringen. Deze handelingen vonden meermalen plaats in de periode van 1 november 2014 t/m 21 november 2016. [slachtoffer 3] was toen jonger dan 16 jaar. [slachtoffer 3] is het nichtje van de verdachte. De seksuele handelingen zijn voorgevallen op verschillende momenten dat de verdachte [slachtoffer 3] kwam ophalen. De verdachte kwam [slachtoffer 3] vaak ophalen omdat zij dan met zijn dochter had afgesproken. Ten tijde van het misbruik was de verdachte de enige volwassene in de omgeving van [slachtoffer 3] . Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van een kind dat aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De seksuele handelingen hebben na die periode volgens de aangifte nog eenmaal plaatsgevonden, op 15 april 2017.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat geen sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid. De vraag resteert dan of sprake is geweest van andere feitelijkheden waardoor de verdachte [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.

[slachtoffer 3] kwam regelmatig langs in de woning van de verdachte en vond dat een warme, fijne en veilige plek. De verdachte is de neef van [slachtoffer 3] . De rechtbank gaat derhalve ervan uit dat sprake was van een vertrouwensband tussen [slachtoffer 3] en de verdachte. De verdachte was 26 jaar ouder dan [slachtoffer 3] . De verdachte had door dit grote leeftijdsverschil een geestelijk overwicht op [slachtoffer 3] . Hiervan heeft de verdachte misbruik gemaakt. Hierdoor heeft de verdachte een voor de destijds 16-jarige [slachtoffer 3] een zo bedreigende situatie doen ontstaan, dat zij zich in redelijkheid niet kon onttrekken aan de seksuele handelingen die de verdachte daarna met haar heeft gepleegd.

Uit het dossier leidt de rechtbank ook af dat de verdachte [slachtoffer 3] heeft gevraagd om foto’s en filmpjes van zichzelf te maken waarop zij bij zichzelf seksuele handelingen verricht. Deze handeling van de verdachte is niet aan te merken als een door hem verrichte ontuchtige handeling in de zin van artikel 245 Sr, of als handeling die [slachtoffer 3] door de verdachte gedwongen heeft moeten ondergaan in de zin van artikel 242 Sr. Deze handeling valt wel onder (het niet ten laste gelegde) artikel 248a Sr. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de bij dagvaarding II onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde ontucht en verkrachting wettig en overtuigend bewezen acht met uitzondering van de tenlastegelegde foto’s en filmpjes gemaakt door [slachtoffer 3] .

Dagvaarding II, feit 3

Op 7 juli 2019 is een mobiele telefoon in de woning van de verdachte te Den Haag in beslag genomen.14 Op de telefoon is één kinderpornografische video aangetroffen met de bestandsnaam [bestandsnaam]. De video is door de gebruiker verzonden via WhatsApp. De video was ‘accessible’. Deze video was normaal en zonder speciale software door de gebruiker te benaderen en te bekijken.15 Het betrof een video van een meisje in de geschatte leeftijd tussen de twee en vier jaar oud. Op de video is het volgende te zien. Een man wrijft zijn penis tussen de schaamlippen van het meisje. Het meisje gaat rechtop zitten en neemt de stijve penis van de man in haar mond en gaat met haar mond heen en weer over de penis van de man. Het meisje draait zich op haar buik. De man gaat vervolgens heen en weer met zijn penis tussen de schaamlippen en duwt zijn penis tussen de schaamlippen. Vervolgens likte de man de vagina van het meisje.16

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op zijn mobiele telefoon een filmpje met kinderporno doorgestuurd heeft gekregen.17

Op grond van hetgeen de rechtbank hierboven heeft vastgesteld acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 7 juli 2019 een gegevensdrager bevattende een kinderpornografische video in zijn bezit heeft gehad.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I

1.

hij in de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017 te Den Haag door feitelijkheden [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

te weten:

- het betasten/masseren van het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] en

- het duwen/brengen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het likken van de vagina/schaamstreek van die [slachtoffer 1] en

- het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer 1] en

- het brengen van de penis in de vagina van die [slachtoffer 1]

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte:

- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ontstaan uit het grote leeftijdsverschil en

- bevriend was/de partner was van de moeder van die [slachtoffer 1] en er aldus sprake was van een vertrouwensband en

- onverhoeds het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemasseerd en

- de kleding van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en

- heeft gezegd dat die [slachtoffer 1] op de bank moest gaan liggen en

- de benen van die [slachtoffer 1] heeft gespreid

en aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij in de periode van 13 september 2016 tot en met 31 december 2016 te Den Haag door feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2]

te weten:

- het zoenen van die [slachtoffer 2] op de wang en mond en

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ,

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte:

- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ontstaan uit het grote leeftijdsverschil en

- het onverhoeds aanraken van die [slachtoffer 2] en

- ( na het knippen van de haren van die [slachtoffer 2] ) onverhoeds kussen van die [slachtoffer 2] en

- het omlaag trekken van de broek van die [slachtoffer 2] en

- het zeggen tegen die [slachtoffer 2] dat hij haar zou gaan beffen en

- het tegen de muur duwen van die [slachtoffer 2]

en aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Dagvaarding II

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2014 tot en met 21 november 2016, in Nederland, meermalen, met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die (telkens) mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten het:

- plaatsen/houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en

- plaatsen/houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 3] en/of het laten zuigen en likken van zijn penis door die [slachtoffer 3] en

- plaatsen van zijn tong tussen de schaamlippen en/of het likken van de schaamlippen en/of de clitoris en/of de vagina van die [slachtoffer 3] en

-brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger in/tegen de vagina van die [slachtoffer 3] en

- betasten/strelen van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 3] (over haar kleding);

2.

hij op 15 april 2017 te Eindhoven door feitelijkheden [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte:

- zijn penis in de vagina en/of in/tegen de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 3] geplaatst/gehouden en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 3] geplaatst/gehouden en/of zijn penis laten zuigen en/of likken door die [slachtoffer 3] en/of

- zijn tong tussen de schaamlippen geplaatst/gehouden en/of de schaamlippen en/of de clitoris en/of de vagina van die [slachtoffer 3] gelikt en

- zijn vinger(s) in/tegen de vagina van die [slachtoffer 3] geduwd/gebracht

en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, een geestelijk overwicht had op die [slachtoffer 3] doordat:

- hij, verdachte, een neef is van die [slachtoffer 3] , althans familie, en

- ( aldus) sprake was van een vertrouwensband tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer 3] en

- ( terwijl) sprake was van een (groot) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer 3] ;

3.

hij op 7 juli 2019 te Den Haag een gegevensdrager bevattende een afbeelding (te weten een mobiele telefoon), van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken, in bezit gehad en zich daartoe met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit het met een penis en mond/tong oraal en vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestandsnaam: [bestandsnaam], proces-verbaal p. 118).

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 primair van dagvaarding I alsmede voor de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren met daaraan verbonden de voorwaarden die de reclassering noemt in haar rapport van 30 november 2020.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de door haar verzochte vrijspraken en de referte met betrekking tot het op dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit, heeft de raadsvrouw verzocht om aan de verdachte slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan meerdere zedenmisdrijven bij drie minderjarige tienermeisjes. Allereerst heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een meisje van destijds veertien jaar oud. De verdachte heeft verschillende seksuele handelingen bij haar verricht. De verkrachting vond plaats in haar eigen woning: juist op de plek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen. De verdachte was de vriend van de moeder van het meisje en kwam regelmatig bij haar thuis, waardoor er een vertrouwensband was. Met zijn handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van de vertrouwensband die hij had met het slachtoffer. Ten tweede heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een meisje van destijds vijftien jaar oud. Het slachtoffer was een vriendin van de dochter van de verdachte. De verkrachting vond plaats in de kelder van de woning van de verdachte. Verdachte heeft er niet voor teruggedeinsd (te trachten) een ander slachtoffer van hem vals te laten verklaren om bestraffing voor deze verkrachting te ontlopen. Voorts heeft de verdachte gedurende een periode van ongeveer twee jaar meerdere malen ontuchtige handelingen bij zijn nichtje gepleegd. Zij was in de bewezenverklaarde periode tussen de dertien en zestien jaar oud. Het misbruik bestond mede uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De ontuchtige handelingen vonden onder meer plaats in de auto van de verdachte. De verdachte is een neef van het slachtoffer. De ontucht heeft plaatsgevonden in een situatie dat zijn nichtje, die vanuit Curaçao naar Nederland was gekomen, aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd. Dat is juist een situatie waarin het nog jonge slachtoffer zich veilig had moeten kunnen voelen. Ten slotte heeft hij zijn nichtje, nadat zij inmiddels zestien jaar was geworden en de ontucht gestopt leek te zijn, verkracht.

De verdachte heeft met zijn handelen op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de jonge slachtoffers, die hij in de vertrouwdheid van hun eigen omgeving seksueel heeft benaderd. De slachtoffers, tienermeisjes, bevonden zich in een kwetsbare leeftijdsfase waarin zij hun seksualiteit aan het ontdekken waren. De verdachte was zich van die jonge leeftijd van zijn slachtoffers bewust en heeft daar juist misbruik van gemaakt en met hen (onder het mom van het hen leren) verregaande seksuele handelingen verricht. Hierbij was steeds (ook) sprake van penetratie met de penis. De rechtbank neemt de verdachte dat zeer kwalijk, juist omdat sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de slachtoffers en de verdachte. De verdachte heeft zich bij zijn handelen slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en volstrekt onvoldoende rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. De slachtoffers zullen hetgeen hen is overkomen de rest van hun leven met zich mee moeten dragen; het is een feit van algemene bekendheid dat feiten als deze vaak langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid en het welzijn van de desbetreffende personen. Dit klemt nog meer voor [slachtoffer 3] , die gedurende twee jaren slachtoffer is geworden van de ontucht door verdachte, terwijl zij juist als dertienjarig meisje dat net uit Curaçao naar Nederland was gekomen aan de zorg en waakzaamheid van hem was toevertrouwd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] , die zij ter terechtzitting heeft voorgelezen, volgt - kort samengevat - dat het seksueel misbruik een grote impact heeft gehad op een deel van haar leven, dat zij pijn, onzekerheid, angst en eenzaamheid van het seksueel misbruik heeft ondervonden en dat zij zich schaamde.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van commerciële kinderporno. Op de mobiele telefoon van de verdachte is een kinderpornografische video aangetroffen. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de commerciële markt voor kinderporno en dus ook aan het seksueel misbruik dat voor het vervaardigen van de kinderporno plaatsvindt.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 6 november 2020 volgt dat hij, voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten, niet eerder is veroordeeld voor relevante andere strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een op 5 juni 2018 opgemaakt rapport betreffende de verdachte van psycholoog A. van Gasselt. De psycholoog heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis dan wel van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens zodat verdachte als geheel toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 27 augustus 2018, 5 oktober 2018, 30 november 2018 en het voortgangsverslag van 30 november 2020. Gebleken is dat de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, zich bereidwillig opstelde en dat hij meewerkte aan veiligheidsafspraken. De verdachte heeft zijn behandeling bij de Waag in december 2019 afgerond. De reclassering ziet een risico op het gebied van impulsiviteit, beperkte probleemoplossende vaardigheden en in gelegenheden wanneer hij alleen is met minderjarige meisjes. De reclassering heeft geadviseerd tot oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefsters, het vermijden van contact met minderjarige kinderen, het vermijden van kinderporno en andere voorwaarden betreffende het gedrag. Tevens acht de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden noodzakelijk.

Straf

De bewezen geachte feiten zijn gelet op hun aard en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan, zodanig ernstig dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Uit de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) blijkt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend wordt geacht voor een verkrachting. Het betreft hier drie verkrachtingen van drie verschillende slachtoffers. Er is hier geen sprake geweest van enig geweld of bedreiging daarmee. Dat doet niet af aan het volledig vervullen door de verdachte van de delictsomschrijving van het misdrijf verkrachting, maar is wel van invloed op de hoogte van de op te leggen straf. Voor het overige bewezenverklaarde feit zijn geen LOVS oriëntatiepunten vastgesteld, maar het oriëntatiepunt voor verkrachting dat twee jaar gevangenisstraf is, vormt voor deze ontuchtige handelingen over een langere periode waarbij sprake is van meermalen seksueel binnendringen een aanknopingspunt. Voor het bezit van kinderporno is het oriëntatiepunt een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan een kort gedeelte onvoorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Naar het oordeel van de rechtbank komt in de strafeis van de officier van justitie de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking, waarbij de rechtbank met name wijst op de leeftijd van de slachtoffers, het feit dat de seksuele handelingen met betrekking tot één van de slachtoffers gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden en het feit dat er sprake was van herhaaldelijk seksueel binnendringen. Voorts weegt uiteraard mee dat de rechtbank een verkrachting meer bewezen acht dan de officier van justitie. De verdachte heeft aanvankelijk alles wat hem werd verweten, ontkend en uiteindelijk ter zitting een aantal seksuele handelingen met één slachtoffer toegegeven, te weten zijn nichtje die aan zijn zorg was toevertrouwd. De verdachte heeft daarbij wel benadrukt dat hij zich achteraf realiseert dat hetgeen hij heeft gedaan niet mocht, maar dat hij zich ten tijde van de ontuchtige handelingen niet realiseerde dat dit verboden was. Het stond en staat de verdachte uiteraard geheel vrij een dergelijke proceshouding aan te nemen en de ontkenning op zich wordt hem dan ook niet in nadelige zin aangerekend. Wat hem wèl door de rechtbank wordt aangerekend, is dat de verdachte geen volledige verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor hetgeen bewezen is verklaard. Tevens heeft hij geen enkel inzicht gegeven in het strafwaardige van zijn handelen en de schade die hij daarmee aan zijn slachtoffers heeft berokkend.

Voorts constateert de rechtbank dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zoals genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uitgangspunt is dat de behandeling van een strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De termijn is in dit geval gaan lopen op de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 13 april 2018. Dit houdt in dat sprake is van een overschrijding van acht maanden. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van de strafmaat ten voordele van de verdachte rekening houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, een passende straf is.

De wet geeft bij een gevangenisstraf van deze duur geen ruimte voor het opleggen van een voorwaardelijk deel en derhalve evenmin voor het opleggen van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is per 15 oktober 2018 geschorst. De rechtbank ziet, gelet op de feiten die de rechtbank ten laste van de verdachte bewezen verklaart en de straf die zij hem ter zake oplegt, aanleiding om de schorsing op te heffen. Het belang van strafvordering weegt thans zwaarder dan de persoonlijke belangen van de verdachte.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8.796,60, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 146,50 aan materiële schade en € 8650,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich ten aanzien van de benadeelde partijen primair op het standpunt dat de vorderingen te ingewikkeld zijn om in het kader van dit strafproces te beoordelen. De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging subsidiair betoogd dat de gevorderde bedragen dienen te worden gematigd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 146,60 als vergoeding ter zake van materiële schade, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en derhalve voor toewijzing vatbaar.

Uit de brieven van GZ-psycholoog R. de Groot van 28 mei 2020 en 26 november 2020 blijkt dat [slachtoffer 1] is gediagnosticeerd met een ongespecificeerde psychotrauma- en stressgerelateerde stoornis en dat de daaruit voortkomende klachten vooral in relatie staan tot het zedendelict. Zij is en wordt hiervoor behandeld door middel van een EMDR-behandeling en schrijftherapie. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van voornoemde brieven voldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer 1] de gebeurtenissen als traumatisch heeft ervaren, hetgeen psychische impact (onder andere overmatig piekeren, een mate van vermijding en concentratieproblemen) op haar heeft gehad. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is het uitgangspunt dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder het aan de verdachte gemaakte verwijt en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij. Bij de beoordeling van de hoogte van dit bedrag wordt ook in aanmerking genomen wat door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Gelet daarop zal de rechtbank een bedrag van € 5000,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2017. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De verdachte zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5146,60, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde feit.

Uit een brief van orthopedagoog P. Peters en H.T. Thoolen van 3 mei 2019 is gebleken dat na het seksueel misbruik [slachtoffer 3] is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en met depressieve klachten. Zij is hiervoor enkele keren behandeld door middel van individuele gesprekken. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van voornoemde brief voldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer 3] de gebeurtenis als traumatisch heeft ervaren, hetgeen psychische impact (onder andere angst en slaap- en eetproblemen) op haar heeft gehad. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is het uitgangspunt dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder het aan de verdachte gemaakte verwijt en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij. Bij de beoordeling van de hoogte van dit bedrag wordt ook in aanmerking genomen wat door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Gelet daarop zal de rechtbank een bedrag van € 20.000,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 september 2017.

De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 september 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 240b, 242, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair en 2 primair en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 primair:

verkrachting;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2 primair:

verkrachting;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding, of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

verkrachting;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 3:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5146,60, bestaande uit € 146,60 materiële schade en € 5000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 5146,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partij de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 september 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2017, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 135 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partij de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.K. Spros, voorzitter,

mr. D.R. Glass, rechter,

mr. J.J.M. Uitermark, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. van Beelen , griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Dagvaarding I

1.

hij in of omstreeks de periode van van 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017 te Den Haag door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

te weten:

- het betasten/masseren van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] en/of

- het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het likken van de vagina/schaamstreek van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer 1]

- het brengen van de penis in de vagina van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ontstaan uit het grote leeftijdsverschil en/of

- bevriend was/de partner was van de moeder van die [slachtoffer 1] en er aldus sprake was van een vertrouwensband en/of

- onverhoeds de schouders en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gemasseerd en/of

- de kleding van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en/of

- heeft gezegd dat die [slachtoffer 1] op de bank moest gaan liggen en/of

- de benen van die [slachtoffer 1] heeft gespreid

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren

maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het betasten/masseren van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] en/of

- het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het likken van de vagina/schaamstreek van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer 1]

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- het brengen van de penis in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van van 13 september 2016 tot en met 12 september 2017 te Den Haag door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2]

te weten:

- het zoenen van die [slachtoffer 2] op de wang en/of mond en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ontstaan uit het grote leeftijdsverschil en/of

- het sturen van appjes naar die [slachtoffer 2] , met onder andere de tekst "ik vind je leuk" en/of

- het onverhoeds aanraken van die [slachtoffer 2] en/of

- ( na het knippen van de haren van die [slachtoffer 2] ) onverhoeds kussen van die [slachtoffer 2] en/of

- het omlaag trekken van de broek van die [slachtoffer 2] en/of

- het zeggen tegen die [slachtoffer 2] dat hij haar zou gaan beffen en/of

- het tegen de muur duwen van die [slachtoffer 2]

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks 13 september 2016 tot en met 12 september 2017 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 4] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het kussen op de wang en/of mond en/of het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ;

Dagvaarding II

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 21 november 2016 te Zoetermeer en/of Den Haag en/of Eindhoven, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten het:

- plaatsen/houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of in/tegen de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 3] en/of

- plaatsen/houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 3] en/of het laten zuigen en likken van zijn penis door die [slachtoffer 3] en/of

- plaatsen van zijn tong tussen de schaamlippen en/of het likken van de schaamlippen en/of de clitoris en/of de vagina van die [slachtoffer 3] en/of

-brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) in/tegen de vagina van die [slachtoffer 3] en/of

- aansporen en/of aandringen tot het maken van foto's en/of films waarbij die [slachtoffer 3] met zichzelf seksuele handelingen verricht (waaronder het zich geheel of gedeeltelijk ontkleden (waardoor de blote borsten en/of vagina van die [slachtoffer 3] zichtbaar waren) en/of het brengen van een of meerdere vinger(s) in haar vagina) en/of

- betasten/strelen van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 3] (over haar kleding);

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 15 april 2017 te Zoetermeer en/of Den Haag en/of Eindhoven, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte (telkens):

- zijn penis in de vagina en/of in/tegen de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 3] geplaatst/gehouden en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 3] geplaatst/gehouden en/of zijn penis laten zuigen en/of likken door die [slachtoffer 3] en/of

- zijn tong tussen de schaamlippen geplaatst/gehouden en/of de schaamlippen en/of de clitoris en/of de vagina van die [slachtoffer 3] gelikt en/of

- zijn vinger(s) in/tegen de vagina van die [slachtoffer 3] geduwd/gebracht en/of

- aangespoord en/of aangedrongen tot het maken van foto's en/of films waarbij die [slachtoffer 3] met zichzelf seksuele handelingen verricht (waaronder het zich geheel of gedeeltelijk ontkleden (waardoor de blote borsten en/of vagina van die [slachtoffer 3] zichtbaar waren) en/of het brengen van een of meerdere vinger(s) in haar vagina) en/of

- de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 3] betast/gestreeld (over haar kleding),

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, een geestelijk en/of lichamelijk overwicht had op die [slachtoffer 3] doordat:

- hij, verdachte, een neef is van die [slachtoffer 3] , althans familie, en/of

- ( aldus) sprake was van een vertrouwensband tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer 3] en/of

- ( terwijl) sprake was van een (groot) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer 3] ;

3.

hij op of omstreeks 7 juli 2019 te Den Haag, in elk geval in Nederland, afbeeldingen en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een video, en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten een mobiele telefoon), van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit het met een penis en/of mond/tong oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestandsnaam: [bestandsnaam], proces-verbaal p. 118).

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017279827, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1- t/m 151).

2 Proces-verbaal van verhoor minderjarige getuige [slachtoffer 1] d.d. 11 oktober 2017, p. 59-64.

3 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 december 2020.

4 Proces-verbaal aangifte [naam moeder slachtoffer 1] namens [slachtoffer 1] d.d. 11 oktober 2017, p. 31-32.

5 Proces-verbaal verhoor aangeefster [naam moeder slachtoffer 1] d.d. 30 januari 2018, p. 36.

6 ECLI:NL:HR:2013:494.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 15 april 2018, p. 54-57.

8 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 27 september 2018.

9 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 december 2020.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam moeder slachtoffer 2] d.d. 16 april 2018, p. 86.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018262294, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1- t/m 120).

12 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 3] d.d. 28 september 2018, p. 25-40.

13 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 december 2020.

14 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 2.

15 Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 5 november 2019, p. 106-109.

16 Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 5 november 2019, bijlage IV, p. 118.

17 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 december 2020.