Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
C/09/604254 / KG ZA 20-1204
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Mondeling vonnis kort geding. Vader moet medewerking verlenen aan zorgregeling om minderjarige kerstvakantie bij moeder in Italië te laten doorbrengen. Reisadvies rijksoverheid staat daaraan niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/604254 / KG ZA 20-1204

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 17 december 2020

in de zaak van

[de moeder] te [plaats 1] , Italië,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.C. de Wit – Facchetti te Rotterdam,

tegen:

[de vader] te [plaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie

advocaat mr. K. van Stratum te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

Via videoverbinding is aanwezig mr. J. Brandt, voorzieningenrechter, bijgestaan door K. Melsert – van de Poel, griffier.

Tevens zijn (door middel van een videoverbinding) partijen en hun advocaten aanwezig.

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De gronden van de beslissing in conventie en in reconventie

1.1.

Partijen zijn samen de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] (hierna: [de minderjarige] ) en zijn ook gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

1.2.

De moeder woont in Italië en de vader woont in Nederland. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 17 juli 2019 bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader. Er is een zorgregeling met de moeder bepaald die – voor zover in deze procedure van belang – inhoudt dat [de minderjarige] iedere vakantie bij de moeder in Italië zal zijn, met uitzondering van drie weken in de zomervakantie.

1.3.

[de minderjarige] heeft zijn moeder voor het laatst in de herfstvakantie gezien.

1.4.

De moeder vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vader te bevelen om de zorgreling na te komen, zodat [de minderjarige] op 19 december 2020 naar Italië reist en op 18 januari 2021, subsidiair op 3 januari 2021 weer naar Nederland terugkeert. Daarbij vordert de moeder dat de vader wordt bevolen om de nodige handelingen daartoe te verrichten zoals het kopen en betalen van tickets, het inschakelen van reisbegeleiding en het verzorgen van een geldige uitslag van een covid-19 test. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag en met veroordeling van de vader in de proceskosten. De vader voert verweer tegen het gevorderde.

1.5.

De vader vordert op zijn beurt voorwaardelijk, voor het geval de voorzieningenrechter toestaat dat [de minderjarige] naar Italië reist, dat de moeder zich aan een aantal voorwaarden houdt. Hij vordert dat de moeder wordt bevolen om [de minderjarige] met de eerst beschikbare vlucht en op eigen kosten terug naar Nederland te laten reizen als het reisadvies van de Nederlandse of Italiaanse overheid zodanig wijzigt dat [de minderjarige] niet ongehinderd naar Nederland terug kan reizen of als de Italiaanse overheid de kleurcode van de regio [plaats 1] van geel naar oranje of rood wijzigt. Ook vordert hij dat de moeder wordt bevolen te zorgen dat [de minderjarige] uiterlijk 3 januari 2021 weer in Nederland is. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom € 1.000,- per dag en met veroordeling van de moeder in de proceskosten.

1.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gevorderde (zowel in conventie als in reconventie) deels toewijsbaar is. Daartoe is het volgende redengevend.

1.7.

Partijen zijn het erover eens dat [de minderjarige] op grond van de beschikking van het gerechtshof van 17 juli 2019 bij de moeder in Italië zou zijn van 18 december 2020 tot en met 3 januari 2021. Zij zijn het er echter niet over eens of die beschikking in de huidige situatie moet worden uitgevoerd.

1.8.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de beschikking onverkort moet worden uitgevoerd en dat de vader ten onrechte zijn medewerking aan de reis van [de minderjarige] naar Italië weigert. De moeder betoogt dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat het voor [de minderjarige] van groot belang is dat hij een frequent contact kan hebben met zijn moeder. Het afgelopen jaar is het aantal contactmomenten door de gevolgen van de corona-crisis al zeer beperkt geweest, en het is niet in het belang van [de minderjarige] dat ook het contact in de kerstvakantie niet doorgaat. Volgens de moeder is de door haar gewenste reis van [de minderjarige] naar Italië om zijn moeder te bezoeken, een noodzakelijke reis. Dat leidt zij ook af uit adviezen van de kinderombudsman en de Europese Unie. De moeder is van mening dat haar vordering daarom niet in strijd is met het huidige reisadvies van de Nederlandse rijksoverheid. Daaraan voegt de moeder toe dat [de minderjarige] geen onnodig risico loopt, als hij in de vakantie naar Italië reist. Volgens de moeder worden er momenteel in Nederland verhoudingsgewijs veel meer coronabesmettingen geconstateerd dan in Italië, en is zeker in [plaats 1] het aantal besmettingen zeer beperkt.

1.9.

De vader vindt dat de vorderingen van de moeder moeten worden afgewezen. Hij wijst erop dat de Nederlandse rijksoverheid dringend adviseert om niet naar het buitenland te reizen, tenzij dat strikt noodzakelijk is. Familiebezoek wordt door de rijksoverheid niet als noodzakelijk aangemerkt. De vader is, los daarvan, van mening dat het in de gegeven omstandigheden niet in het belang van [de minderjarige] is om naar Italië te gaan. Volgens de vader zijn ook in Italië en [plaats 1] de besmettingscijfers hoog, wat blijkt uit het feit dat de Italiaanse overheid gedurende de feestdagen hoogstwaarschijnlijk een volledige lockdown zal afkondigen. Daarbij komt dat [de minderjarige] zich in Nederland aan de gedragsadviezen kan houden, zodat het risico op een besmetting beperkt is, maar tijdens zijn reis naar Italië zal hij op de vliegvelden, in het vliegtuig en op de veerboot worden omringd door onbekenden. Niet iedereen neemt de gedragsregels even serieus, waardoor het niet te voorspellen is hoe deze onbekenden zich zullen gedragen. Daardoor is volgens de vader het risico op een besmetting groter dan wanneer [de minderjarige] in Nederland blijft. Daaraan voegt de vader nog toe dat [de minderjarige] , als hij naar Italië zou gaan, bij terugkomst in Nederland tien dagen in quarantaine moet, wat niet in zijn belang is. Dit alles betekent volgens de vader dat – hoezeer hij ook begrijpt dat het voor de moeder en [de minderjarige] belangrijk is elkaar “live” te zien – het bezoek van [de minderjarige] aan de moeder in de kerstvakantie niet kan doorgaan.

1.10.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een vaststelde zorgregeling moet worden nagekomen, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat deze regeling niet (langer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. De voorzieningenrechter is – alles afwegende – van oordeel dat van zulke feiten of omstandigheden geen sprake van is en overweegt daartoe als volgt.

1.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat Nederland en Italië (net als een groot deel van de omringende landen) kampen met de gevolgen van de corona-crisis, en dat dat ertoe leidt dat overheden – soms op korte termijn – maatregelen afkondigen om de gevolgen daarvan in te perken of te controleren. In zoverre is de situatie onvoorspelbaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent dat echter niet dat het niet in het belang is van [de minderjarige] om de kerst met zijn moeder in Italië door te brengen. [de minderjarige] is nog maar tien jaar, wat betekent dat het voor de ontwikkeling van zijn identiteit van belang is om een goed en regelmatig contact te hebben met zijn beide ouders. Anders dan de vader lijkt te betogen, zijn telefoon en internet – hoewel een prima noodoplossing – geen daadwerkelijke vervanging van fysiek contact. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het in beginsel in het belang is van [de minderjarige] (die zijn moeder in de herfstvakantie voor het laatst heeft gezien) de kerst met zijn moeder door te brengen. De moeder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat het voor haar (gelet op haar eigen gezondheidssituatie en de beperkende maatregelen die voor haar zouden gelden) niet mogelijk is de kerst met [de minderjarige] in Nederland door te brengen. Dit betekent dat [de minderjarige] naar Italië zal moeten reizen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het reisadvies van de Nederlandse rijksoverheid er niet aan in de weg dat een minderjarige ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak reist om contact te hebben met één van zijn ouders. Zo’n reis is essentieel anders dan – bijvoorbeeld – een vrijwillige reis van volwassenen om contact te hebben met hun familie in het buitenland.

1.12.

De vader heeft er terecht op gewezen dat het risico bestaat dat [de minderjarige] tijdens zijn reis besmet raakt met corona. Een besmettingsrisico bestaat echter ook in Nederland. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in ogenschouw dat [de minderjarige] in Nederland gewoon deelneemt aan het sociale leven, terwijl – na het schrappen van alle vakantievluchten – de drukte op de vliegvelden hoogstwaarschijnlijk zal afnemen en veelal wordt aangenomen dat het besmettingsrisico in een vliegtuig laag is. De moeder heeft toegelicht dat [de minderjarige] bij een mogelijke besmetting bij haar in huis en door haarzelf kan worden verzorgd. Het potentiële besmettingsrisico maakt dan ook niet dat een reis naar Italië niet in het belang van [de minderjarige] wordt geacht.

1.13.

Daarbij komt dat de voorzieningenrechter ter zitting heeft vastgesteld dat het huidige advies van de Nederlandse rijksoverheid is dat minderjarigen onder 12 jaar bij terugkomst uit een gebied waar “code oranje” geldt, naar school mogen en mogen sporten, zolang zij geen klachten hebben (zie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/ openbaar-en-dagelijks-leven/in-thuisquarantaine-door-corona/quarantaine-gezinnen-met-kinderen). Volgens dit advies hoeft [de minderjarige] dan ook niet in quarantaine, als hij terugkomt uit Italië.

1.14.

Al deze omstandigheden maken dat de door de vader genoemde contra-indicaties naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet opwegen tegen het belang van [de minderjarige] om de kerstvakantie te kunnen doorbrengen met zijn moeder.

1.15.

Voor toewijzing van de door de moeder gevorderde verlenging van de duur van het verblijf van [de minderjarige] tot 17 januari 2021 ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Daartoe geldt allereerst dat nog onzeker is of de scholen inderdaad tot 18 januari 2021 gesloten blijven. Daarnaast zal [de minderjarige] ook in het geval van een scholensluiting gewoon onderwijs moeten volgen, zij het dan thuis. Van een verlenging van de schoolvakantie is dan ook geen sprake.

1.16.

Dit betekent dat de vader al het nodige moet doen en ervoor moet zorgen dat [de minderjarige] bij zijn moeder in [plaats 1] kan zijn in de periode tussen (in beginsel) 19 december 2020 en 3 januari 2021. Dit betekent dat de vader moet zorgen voor vliegtickets en deze ook voor zijn rekening moet nemen, [de minderjarige] naar Schiphol moet brengen en de benodigde begeleiding moet regelen en [de minderjarige] een coronatest moet laten ondergaan, de uitslag daarvan aan hem moet meegeven en een kopie daarvan aan de moeder ter beschikking moet stellen.

1.17.

Voor wat betreft de vliegtickets overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] tot op heden altijd heeft gevlogen met Transavia. Transavia biedt – anders dan veel andere vliegmaatschappijen – rechtstreekse vluchten aan tussen Amsterdam en [plaats 3] . Een snelle zoektocht van de voorzieningenrechter leidt tot de conclusie dat er op 18 december 2020 geen rechtstreekse vlucht beschikbaar is tussen Amsterdam en [plaats 3] . Dit is op 19 december 2020 wel het geval. Een terugvlucht op 3 januari 2021 is wel beschikbaar. Als dit inderdaad het geval is, ligt het voor de hand dat [de minderjarige] niet op 18, maar op 19 december 202 naar de moeder vliegt. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en de huidige situatie, in het belang van [de minderjarige] dat hij met een rechtstreekse vlucht naar Italië vliegt, ook als dat betekent dat zijn verblijf bij de moeder een dag korter duurt.

1.18.

De voorzieningenrechter acht het van belang dat [de minderjarige] op 4 januari 2021 weer in Nederland is en aan het onderwijs kan deelnemen, of dat nu online of op school is. Het ligt daarom op de weg van de moeder om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] op 3 januari 2021 weer in Nederland is. Dit betekent dat de reconventionele vorderingen van de vader, die ertoe strekken dat de moeder ervoor moet zorgen dat [de minderjarige] (op haar kosten) zo snel mogelijk terugkeert naar Nederland, als de Nederlandse of Italiaanse rijksoverheid maatregelen afkondigt die gevolgen hebben voor de mogelijkheden van [de minderjarige] om vrijelijk naar Nederland te reizen, zullen worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een terugreisverplichting te verbinden aan een wijziging van de kleurcodes die de Italiaanse overheid hanteert voor de verschillende regio’s binnen Italië, omdat zo’n wijziging op zichzelf geen gevolgen heeft voor de mogelijkheid van [de minderjarige] om terug te reizen naar Nederland. Wanneer [de minderjarige] om wat voor reden dan ook niet kan terugreizen per vliegtuig, dan rust op de moeder de verplichting [de minderjarige] zo snel en veilig mogelijk, desnoods met de auto, naar Nederland te brengen.

1.19.

Aan de over en weer uit te spreken veroordelingen zal de voorzieningenrechter een dwangsom verbinden, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissingen. Daarbij geldt dat de beide ouders geen dwangsom verbeuren als [de minderjarige] als gevolg van het annuleren van een geboekte vlucht door de vliegmaatschappij niet naar of vanuit Italië kan vliegen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd (voor wat betreft de vordering van de moeder) tot € 1.000,- en gemaximeerd tot € 10.000,-.

1.20.

Op vordering van de moeder zal de voorzieningenrechter deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaren. In hetgeen de vader heeft aangevoerd ziet de rechtbank – juist vanwege de korte termijn waarop [de minderjarige] naar Italië zal moeten reizen – geen aanleiding anders te beslissen.

1.21.

Omdat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest zal worden bepaald dat iedere partij in conventie en in reconventie de eigen proceskosten draagt. Geen van partijen heeft zich dusdanig opgesteld dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om af te wijken van het gebruik dat in procedures van familierechtelijke aard de proceskosten worden gecompenseerd.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie en in reconventie

2.1.

beveelt de vader om de zorgregeling na te komen door al het nodige te doen en ervoor te zorgen dat op of omstreeks 19 december 2020 naar Italië zal afreizen, met bepaling dat [de minderjarige] uiterlijk op 3 januari 2021 weer in Nederland zal zijn;

2.2.

beveelt de vader daarbij om:

• de tickets voor een rechtstreekse vlucht reis van Nederland naar [plaats 1] en terug te kopen en te betalen;

• [de minderjarige] naar Schiphol te brengen en de benodigde begeleiding te regelen zodat [de minderjarige] onder begeleiding reist;

• [de minderjarige] tijdig voor de heenvlucht een geldige COVID-19 test te laten ondergaan, de uitslag aan hem mee te geven en tijdig een kopie daarvan aan de moeder ter beschikking te stellen;

2.3.

beveelt de moeder daarbij om [de minderjarige] op haar kosten met de eerst mogelijke directe vlucht naar Nederland te laten reizen zodra:

• het reisadvies van de Italiaanse overheid zodanig wijzigt dat [de minderjarige] niet langer zonder beperkingen naar Nederland zou kunnen terugreizen;

• het reisadvies van de Nederlandse overheid zodanig wijzigt dat er niet langer vanuit Italië naar Nederland kan worden gereisd;

en bepaalt dat de moeder – wanneer [de minderjarige] onverhoopt niet per vliegtuig kan terugreizen naar Nederland – ervoor moet zorgen dat [de minderjarige] zo snel en veilig mogelijk naar Nederland terugkeert;

2.4.

veroordeelt zowel de vader als de moeder tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat zij aan het onder 2.1. tot en met 2.3. bepaalde geen uitvoering geven, met een maximum van € 10.000,-, met dien verstande dat deze dwangsom niet wordt verbeurd wanneer buiten de macht van partijen om een geboekte vlucht van [de minderjarige] wordt geannuleerd of [de minderjarige] positief test op COVID-19 en hij als gevolg daarvan niet tijdig kan reizen;

2.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

2.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

2.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

K. Melsert – van de Poel mr. J. Brandt.