Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13017

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
NL20.8354
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin; Duitsland; interstatelijk vertrouwensbeginsel; gefinancierde rechtsbijstand; racisme; artikel 17 Dvo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8354


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

3. Eiser voert aan dat sprake is van ernstige, aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen. Hij heeft in Duitsland niet automatisch recht op gefinancierde rechtsbijstand, waardoor geen sprake is van een ‘fair trial’ of een ‘effective remedy’ als bedoeld in artikel 47, derde lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest), artikel 46 van de Procedurerichtlijn en artikel 13 van het EVRM. Er is een gebrek aan rechtsbijstand. Asielzoekers hebben tijdens de asielprocedure geen toegang tot een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel omdat zij zich pas in de bezwaar- en beroepsfase kunnen laten bijstaan door een rechtshulpverlener. Dit is volgens eiser in strijd met de Procedurerichtlijn en het EU Handvest. Daarnaast worden asielzoekers al op voorhand ontmoedigd om beroep in te stellen, waardoor volgens eiser geen sprake is van een ‘effective remedy’. Verder voert eiser aan dat ondanks dat hij zelf niet te maken heeft gehad met racisme, hij dit wel heeft meegekregen van anderen. Hij kan hiertegen geen bescherming zoeken bij de Duitse autoriteiten, omdat racisme onderdeel is gaan uitmaken van de Duitse maatschappij. De politie houdt neonazi’s namelijk een hand boven het hoofd en heeft ook deelgenomen aan een demonstratie voor Pegida-aanhangers. Bij een overdracht zal eiser dan ook worden blootgesteld aan belediging, discriminatie en racisme. Eiser stelt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Hij verwijst hierbij naar de volgende stukken:

- een (niet nader gespecificeerd) bericht van Pro Asyl van 21 november 2014;

- een (niet nader gespecificeerd) rapport van de European Council on Refugees and Exiles van november 2017;

- het artikel ‘Rechts geweld is echt onrustbarend in Duitsland’ op www.duitslandinstituut.nl van 15 februari 2019;

- het ‘Country Report on Human Rights Practices 2018 – Germany’ van de United States Department of State van 13 maart 2019;

- het ‘Country Report: Germany 2018 update’ van AIDA van april 2019;

- het artikel ‘Duitsland geschokt door rechts geweld’ op www.duitslandinstituut.nl van

18 juni 2019;

- het artikel ‘Duitse recherche ontslaat kandidaat-commissaris wegens extreemrechtse uitlatingen in whatsapp chat’ van het Algemeen Dagblad op www.ad.nl van

29 februari 2020;

- het artikel ‘Twee agenten roepen sieg heil terwijl ze Duitse synagoge bewaken en worden geschorst’ van het Algemeen Dagblad op www.ad.nl van 1 maart 2020.

Hieruit blijkt dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus eiser.

3.1.

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Eiser is daarin niet geslaagd. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.

3.2.

Voor zover eiser betoogt dat asielzoekers in Duitsland niet automatisch aanspraak maken op gefinancierde rechtsbijstand, is dit niet zonder meer in strijd met het EU Handvest, de Procedurerichtlijn en/of het EVRM. Verweerder heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de Duitse asielprocedure op dat punt valt binnen de reikwijdte van het bepaalde in de Procedurerichtlijn, het EU Handvest en het EVRM. Volgens de artikelen 19, 20 en 21 van de Procedurerichtlijn mogen voorwaarden worden gesteld aan het verlenen van kosteloze rechtsbijstand. Bovendien maakt de omstandigheid dat in een rechterlijke procedure wordt beslist of aanspraak bestaat op gefinancierde rechtsbijstand niet dat de daadwerkelijke toegang tot de rechter, een doeltreffende voorziening of een eerlijk proces niet is gewaarborgd. Voor zover eiser stelt dat hem ten onrechte kosteloze rechtsbijstand is of zal worden onthouden, moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland. Gesteld noch gebleken is dat die mogelijkheid er voor eiser niet is. Verweerder wijst er bovendien niet ten onrechte op dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens zijn asielprocedure in Duitsland in zijn belangen is geschaad of dat hij geen (kosteloze) rechtsbijstand heeft gehad of heeft kunnen krijgen.

Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij eisers verzoek om internationale bescherming zullen behandelen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat Duitsland dit doet aan de hand van de geldende wet- en regelgeving. Mocht Duitsland zich niet houden aan zijn internationale verplichtingen, dan kan eiser hierover klagen bij de daartoe aangewezen (hogere) Duitse autoriteiten en, indien nodig, bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Niet is gebleken dat eiser die mogelijkheid niet heeft.

3.3.

Eiser heeft in zijn aanmeldgehoor niet verklaard over racistische bejegening of geweld. In beroep voert eiser aan dat hij zelf geen racisme heeft ervaren, maar dat hij dat van anderen heeft gehoord. Daarnaast bieden de ingebrachte stukken onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser in voorkomende gevallen van belediging, discriminatie, racisme en rechtsextremisme geen bescherming kan inroepen van de Duitse autoriteiten, of dat het vragen om hulp bij voorbaat zinloos zal zijn. Eiser heeft wel gesteld maar niet onderbouwd dat het lastig, zo niet onmogelijk is, om bescherming te vragen bij deze autoriteiten. Uit het artikel van 18 juni 2019 blijkt dat de Duitse autoriteiten juist optreden tegen extreemrechts geweld, ook tegen extreemrechtse politieagenten. Uit het ‘Country Report on Human Rights Practices 2018 – Germany’ kan, anders dan eiser stelt, niet worden afgeleid dat politieagenten neo-nazi’s het hand boven het hoofd houden.

3.4.

Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zich (jegens hem) niet aan zijn internationale verplichtingen houdt, waaronder de verplichtingen die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Verweerder stelt zich gelet op het voorgaande met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht op het standpunt dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet zal schenden.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

4. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder zijn asielverzoek op grond van
artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Eiser onderbouwt noch in de gronden, noch eerder in de zienswijze wat de bijzondere, individuele omstandigheden zouden zijn, die maken dat zijn overdracht naar Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele stelling dat eiser geen recht heeft op gratis rechtsbijstand en in Duitsland wordt blootgesteld aan beledeging, discriminatie en racisme, zoals is overwogen onder 3.2 tot en met 3.4, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Verwijzing naar wat eerder in de procedure is aangevoerd

5. Eiser heeft voor het overige verzocht hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eisers nagestreefde resultaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Coronavirus

6. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment, ten gevolge van (de maatregelen die zijn getroffen vanwege) het coronavirus, niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Duitsland als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020.1

Conclusie

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.H.M. Aben, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 juni 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 ECLI:NL:RVS:2020:1032.