Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
09/994501-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bootongeval Volvo Ocean Race. Veroordeling voor dood door schuld en zwaar lichamelijk letsel door schuld (feit 1)

en schuld aan de aanvaring met levensgevaar voor opvarenden, terwijl één opvarende is overleden (feit 2).

Oplegging van een taakstraf van 100 uren en veroordeling tot schadevergoeding aan slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/994501-19

Datum uitspraak: 18 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [stad] ( [land] ),

wonende aan [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 en 20 november 2020 (inhoudelijke behandeling) en 4 december 2020 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Kubicz en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden mr. R.E.H. Jager en

mr. A.Y. Bleeker (hierna telkens aangeduid als: de verdediging) naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage), althans in Nederland roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld, door als schipper van een schip, te weten een (zogenaamde) RHIB, op het voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande vaarwater, te weten de Nieuwe Buitenhaven van Scheveningen, te varen en tijdens dat varen

- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de aldaar geldende maximumsnelheid van 7 km/uur en/of aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid van meerdere andere schepen, en/of;

- met een snelheid van ongeveer 52 km/uur, althans (tenminste) ongeveer 35 km/uur, althans met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid heeft gevaren en/of;

- die Nieuwe Buitenhaven heeft gebruikt anders dan voor doorvaart vanaf zee en/of

daar in die Nieuwe Buitenhaven rondjes is gaan varen en/of;

- zich er, terwijl hij rechtuit richting het zeegat voer, onvoldoende van heeft vergewist dat hij veilig zijn koers kon wijzigen en/of naar rechts kon sturen en/of is hij (plotseling) naar rechts afgeslagen (om zijn rondje te voltooien), terwijl een rechts achter hem varende motorboot (Axopar) hem reeds tot op korte afstand genaderd was en/of;

- niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap en/of door omstandigheden waarin de RHIB zich bevond waren geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of;

waarna de door hem, verdachte, bestuurde RHIB in aanraking en/of aanvaring is gekomen met een ander schip, te weten motorboot “Axopar” en/of er een ongeval heeft plaatsgevonden,

A.

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat één opvarende van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 1] , is overleden

en/of;

B.

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat één of meerdere opvarende(n) van die RHIB, te weten, de heer [slachtoffer 2] en/of de heer [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde slachtoffers was ontstaan, te weten:

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 2] ) (onder meer) schedelbasisfracturen en/of meerdere hersenbloedingen en/of een gebroken bekken en/of een blaasfractuur en/of een afgescheurde urinebuis en/of een gebroken arm en/of;

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 3] ) (onder meer) meerdere ribfracturen en/of een klaplong en/of een hersenschudding;

2.

hij op of omstreeks 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage), althans in Nederland als schipper van een schip (een RHIB), zich tijdens het varen met dat schip zodanig heeft gedragen dat het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat die RHIB in aanvaring is gekomen met een ander schip, te weten de motorboot “Axopar”, waardoor die RHIB is gezonken en/of gestrand en/of verongelukt en/of vernield en/of onbruikbaar gemaakt en/of beschadigd werd, immers heeft verdachte toen aanmerkelijk en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig

- zijn snelheid niet aangepast aan de aldaar geldende maximumsnelheid van 7 km/uur en/of aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid van meerdere andere schepen, en/of

- met een snelheid van ongeveer 52 km/u, althans (tenminste) ongeveer 35 km/uur, althans met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid gevaren en/of;

- die Nieuwe Buitenhaven gebruikt anders dan voor doorvaart vanaf zee en/of daar in die Nieuwe Buitenhaven rondjes gevaren en/of;

- zich er, terwijl hij rechtuit richting het zeegat voer, onvoldoende van vergewist dat hij veilig zijn koers kon wijzigen en/of naar rechts kon sturen en/of is hij (plotseling) naar rechts afgeslagen (om zijn rondje te voltooien), terwijl een rechts achter hem varende motorboot (Axopar) hem reeds tot op korte afstand genaderd was en/of;

- niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap en/of door omstandigheden waarin de RHIB zich bevond waren geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of;

waarna de door hem, verdachte, bestuurde RHIB, in aanraking en/of aanvaring is gekomen met die motorboot “Axopar” en/of er een ongeval en/of aanvaring heeft plaatsgevonden,

waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van die RHIB, te weten de heer

[slachtoffer 1] en/of de heer [slachtoffer 2] en/of de heer [slachtoffer 3] en/of mevrouw [slachtoffer 4] en/of de heer [slachtoffer 5] ,

terwijl het de dood van opvarende de heer [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juni 2018 te Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage), althans in Nederland als schipper van een schip, te weten een RHIB, met dat schip heeft gevaren op een voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande vaarwater, te weten de Nieuwe Buitenhaven van Scheveningen, en tijdens dit varen niet heeft voldaan aan de verplichting om, ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften als bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement, alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het door hem bestuurde schip zich bevindt zijn geboden teneinde (met name) te voorkomen het leven van personen in gevaar wordt gebracht, en/of schade wordt veroorzaakt aan andere schepen die zich in de vaarweg daarvan bevinden en/of de veiligheid en/of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht,

immers heeft hij, verdachte,

- zijn snelheid niet aangepast aan de aldaar geldende maximumsnelheid van 7 km/uur en/of aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid van meerdere andere schepen, en/of

- met een snelheid van ongeveer 52 km/uur, althans (tenminste) ongeveer 35 km/uur, althans met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid gevaren en/of;

- die Nieuwe Buitenhaven gebruikt anders dan voor doorvaart vanaf zee en/of daar in die Nieuwe Buitenhaven rondjes gevaren en/of;

- zich er, terwijl hij rechtuit richting het zeegat voer, onvoldoende van vergewist dat hij veilig zijn koers kon wijzigen en/of naar rechts kon sturen en/of is hij (plotseling) naar rechts afgeslagen (om zijn rondje te voltooien), terwijl een rechts achter hem varende motorboot (Axopar) hem reeds tot op korte afstand genaderd was;

waarna de door hem, verdachte, bestuurde RHIB in aanraking en/of aanvaring is gekomen met die motorboot “Axopar” en/of er een ongeval heeft plaatsgevonden en

waarbij de levens van de opvarenden van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 1] en/of de heer [slachtoffer 2] en/of de heer [slachtoffer 3] en/of mevrouw [slachtoffer 4] en/of de heer [slachtoffer 5] in gevaar werd(en) gebracht en/of waarbij schade aan de RHIB en/of de Axopar werd veroorzaakt en/of de veiligheid van de scheepvaart in gevaar werd gebracht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard. Daartoe heeft zij (samengevat) het volgende aangevoerd.

De verdachte voer op 28 juni 2018 beroepsmatig personen rond op zijn RHIB. Hij voer met hoge snelheid in de Nieuwe Buitenhaven en maakte daar een stuurbeweging naar rechts, terwijl op dat moment een motorboot (Axopar) achter hem voer en hem naderde. Vóór die stuurbeweging heeft hij de Axopar niet gezien. Vervolgens is de Axopar aan stuurboord-achterzijde tegen de RHIB gevaren. Daardoor is schade ontstaan aan de RHIB, hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is [slachtoffer 1] overleden.

Omdat de verdachte een ervaren en beroepsmatig schipper is, kunnen aan hem hogere zorgvuldigheidseisen worden gesteld. Hij was zich op het moment van de stuurbeweging niet volledig bewust van zijn omgeving en de in zijn omgeving aanwezige schepen. Bovendien had hij zich ervan bewust moeten zijn dat schippers van die andere schepen in de haven niet bedacht waren op zijn stuurbeweging, nu die haven alleen gebruikt mag worden voor doorvaart naar zee. Hiermee heeft de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. De verdachte heeft niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap geboden waren om levensgevaar voor personen te voorkomen. Tussen zijn handelen en de ontstane gevolgen bestaat oorzakelijk verband.

Het voorgaande handelen levert dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld op (feit 1) en schuld aan een aanvaring waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van de RHIB, terwijl die aanvaring de dood van [slachtoffer 1] als gevolg heeft gehad (feit 2, primair).

Van roekeloos vaargedrag bij de verdachte was geen sprake, zodat hij daarvan in het onder feit 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe is (samengevat) het volgende aangevoerd.

De verdachte, die veel ervaring had met het varen met een RHIB en de nodige certificaten en vaarbewijzen heeft, heeft niet roekeloos, althans onvoorzichtig of onoplettend gevaren. Hij voer weliswaar met een hogere snelheid dan de maximaal toegestane 7 km/u, maar het varen met verhoogde snelheid werd in de Nieuwe Buitenhaven gedoogd. Daarbij komt dat stapvoets varen in strijd zou zijn met goed zeemanschap vanwege de weersomstandigheden, de deining en de stroming. De verdachte kreeg de opdracht [naam 1] (zijn baas) om in het kader van een ‘RHIB-experience’ harder te varen dan de maximaal toegestane snelheid, om de gasten op zijn RHIB kennis te laten maken met het vaargedrag van een RHIB. Zijn collega-schippers op een RHIB kregen dezelfde opdracht. Tevens kreeg de verdachte de opdracht de Nieuwe Buitenhaven niet voor doorvaart te gebruiken, zoals daar gebruikelijk is, maar vanwege de weersomstandigheden in die haven te blijven en daar rondjes te varen. Dat daarvoor geen formele ontheffing was afgegeven aan de organisatie, valt de verdachte niet te verwijten. Dit valt buiten zijn verantwoordelijkheid als schipper.

De verdachte heeft in de Nieuwe Buitenhaven een beheerste stuurbeweging naar rechts gemaakt, maar eerst heeft hij links en rechts gekeken of hij veilig zijn koers kon wijzigen. Toen hij geen andere boten zag, heeft hij de stuurbeweging ingezet. De motorboot (Axopar) bestuurd door [medeverdachte] (verdachte in de zaak met parketnummer 09/994502-19) voer toen nog ver achter hem. Kort na de stuurbeweging zag de verdachte de Axopar van rechtsachter op zich af komen, maar kon die niet meer ontwijken. De Axopar voer harder dan toegestaan en aanzienlijk harder dan de verdachte met zijn RHIB.

Opvarende [slachtoffer 2] heeft weliswaar verklaard dat iemand aan boord zei dat er een boot aan kwam en dat dat voor iedereen verstaanbaar was, maar die verklaring vindt geen steun in het dossier. Ook verklaart [slachtoffer 2] afwijkend over de snelheid van de boot. De verklaringen van [slachtoffer 2] moeten dan ook van het bewijs worden uitgesloten, ook omdat deze getuige na het ongeval contact heeft gehad met [medeverdachte] , waardoor zijn verklaring mogelijk is beïnvloed.

De verdachte heeft zich als goed zeeman gedragen en heeft alle voorzorgsmaatregelen genomen, zodat hem geen verwijt valt te maken. Het is juist [medeverdachte] geweest die de RHIB met een veel te hoge snelheid tot op veel te korte afstand is genaderd. Er kan dan ook geen causaal verband worden aangetoond tussen het handelen van de verdachte en het ontstaan van de aanvaring, met zwaar lichamelijk letsel en de dood als gevolg. Deze gevolgen zijn juist ingetreden door het handelen van [medeverdachte] .

Van roekeloos handelen is in elk geval geen sprake geweest, zodat de verdachte daarvan onder feit 1 moet worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

Indien de rechtbank de resultaten van het onderzoek van de rapporteurs [rapporteur 1]

- welke rapporten zijn opgemaakt en ingebracht in de zaak van [medeverdachte] en ook zijn gevoegd in de zaak van de verdachte - voor het bewijs gebruikt, verzoekt de verdediging om een contra-onderzoek te laten verrichten.

Op overige specifiek gevoerde verweren zal, indien nodig, hierna worden ingegaan.

3.3

Feiten 1 en 2: de beoordeling van de tenlastelegging

Het bewijs 1

i. De Volvo Ocean Race, de RHIB-experience en de vaarregels in de haven

Van 23 juni 2018 tot 1 juli 2018 werd de Volvo Ocean Race (hierna: VOR) gehouden in Scheveningen. De gemeente Den Haag had de organisatie van dat evenement uitbesteed aan [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] . Binnen de VOR werden verschillende activiteiten georganiseerd, waaronder het laten varen van RHIB-boten (rigid-hulled inflatable boat). Voor die activiteit had [bedrijfsnaam 1] het bedrijf [naam stichting] ) ingehuurd, die op haar beurt het bedrijf [bedrijfsnaam 2] inhuurde die RHIB’s met schippers leverde.2

[naam 5] (werkzaam bij [naam stichting] ) heeft verklaard dat [naam stichting] door [bedrijfsnaam 1] werd ingehuurd voor het RHIB-varen. [naam stichting] was samen met [bedrijfsnaam 1] verantwoordelijk voor de zogenaamde guest experience: zij voeren tijdens de VOR gasten langs de boten van de VOR en lieten gasten ervaren hoe een RHIB vaart. Er vonden meerdere briefings plaats, waarbij de schippers werden geïnformeerd over het evenement. Op iedere dag dat er een guest experience was, werd een bijeenkomst gehouden met de schippers waarop werd besproken wat die dag wel en niet mocht en waar men die dag wel of niet mocht komen. Aan de schippers is gecommuniceerd dat stapvoets moest worden gevaren en in de Nieuwe Buitenhaven pas snelheid mocht worden gemaakt, aangepast op de weersomstandigheden. Er werd door de RHIB’s ook iets harder gevaren om de mensen te laten ervaren hoe een RHIB vaart. Dat zou in principe buiten de haven gebeuren. Op 28 juni 2018 was besloten om binnen de haven te blijven in verband met de hoogte van de golven.3

[naam 1] (directeur van [bedrijfsnaam 2] ) heeft verklaard dat [bedrijfsnaam 2] door [naam stichting] was ingehuurd voor het uitvoeren van RHIB-boot belevingen. [naam stichting] gaf de hele week opdrachten aan [bedrijfsnaam 2] en [naam 1] briefde de opdrachten van [naam stichting] één op één door aan zijn schippers. Vanuit [naam stichting] heeft [bedrijfsnaam 2] op 28 juni 2018 de opdracht gekregen om niet de zee op te gaan. Het moest een kleine, korte ervaring zijn. Eerst moest stapvoets langs de VOR-boten in de eerste buitenhaven worden gevaren en in de tweede buitenhaven (de rechtbank begrijpt, gelet op de inhoud van het dossier: de Nieuwe Buitenhaven) moesten ze de mensen een korte RHIB-beleving geven, waarbij ze één derde van de normale snelheid zouden varen, met heel nadrukkelijk de opdracht: blijf binnen de pierhoofden. Normaal varen de RHIB’s ongeveer 95 km/u. [naam 1] denkt dat de RHIB’s voor de beleving ongeveer 30 km/u voeren. Omdat het westenwind 4 was, waren er aardige golven, dus zo hadden de mensen al een aardige beleving. In de tweede buitenhaven is een actief gedoogbeleid dat je daar snelheid mag maken. Dat is algemeen bekend. Het gaat om goed zeemanschap. Als er geen deining, wind en stroming zijn, kun je daar best stapvoets varen. Bij westenwind 4 kun je niet stapvoets varen, omdat je dan water in de boot krijgt waardoor de boot door de stroming minder goed bestuurbaar is.

[naam 1] heeft aan de verdachte doorgegeven dat de opdracht was om niet de zee op te gaan.4

De Verordening Scheveningen Haven 2008 (hierna: Havenverordening) die van toepassing is op het havengebied waarin werd gevaren, verbiedt schippers de buitenhavens anders te gebruiken dan als doorvaart van en naar zee (artikel 11, eerste lid en onder a) en in de haven harder te varen van 7 km/u (artikel 11, eerste lid en onder h). Op grond van artikel 11, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor het verbod in het eerste lid en onder a.5

[naam 2] , havenmeester binnen de Scheveningse haven, heeft verklaard dat in de Scheveningse haven het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en de havenverordening Scheveningen (de rechtbank begrijpt: de hiervoor genoemde Verordening Scheveningen Haven 2008) van toepassing zijn. Het gedeelte waar het ongeval plaatsvond heet de Nieuwe Buitenhaven. Dat gedeelte wordt gebruikt voor het gereedmaken van de boten voor het vertrek naar zee of de binnenkomst in de haven. Vanaf de zee gekomen, passeer je eerst de Nieuwe Buitenhaven en kom je daarna de Oude Buitenhaven in gevaren, waarin de vaartuigen van de VOR lagen. Er was geen ontheffing verleend van het verbod om de haven anders te gebruiken dan voor doorvaart.

De maximumsnelheid in de Nieuwe Buitenhaven is 7 km/u, maar er wordt al jarenlang voor alle boten in het kader van ‘goed zeemanschap’ gedoogd dat daar met een wat verhoogde snelheid wordt gevaren. Volgens artikel 1.04 BPR moeten naar goed zeemanschap alle voorzorgsmaatregelen worden genomen teneinde te voorkomen dat mensen of boten in gevaar komen. Ook wordt gedoogd dat RHIB’s bij slecht weer een rondje in de haven varen, zonder dat ze de zee op gaan. [naam 2] wist niet dat op 28 juni 2018 was besloten dat de RHIB’s op enig moment niet meer de haven zouden verlaten, maar dat zij daar rondjes zouden varen. Als hij dat wel had geweten, dan had hij dat niet gedeeld met de schipper van de andere boot (de rechtbank begrijpt: de Axopar), omdat een beroep wordt gedaan op goed zeemanschap.6

ii. Verklaringen van opvarenden van de RHIB van de verdachte

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij was uitgenodigd om mee te gaan naar een evenement ten tijde van de finish van de VOR. Hij nam [slachtoffer 3] als introducee mee. Het evenement zou onder meer bestaan uit het meevaren op een RHIB. Samen met anderen ging hij aan boord van een RHIB. Ze voeren rustig langs de VOR-boten en de schipper van de RHIB vertelde dat zij niet de haven uit zouden varen, omdat de zee iets te wild was.

Op een gegeven moment heeft [slachtoffer 2] omgekeken. Hij zag dat een boot hen rechts aan het inhalen was. Hij zag dat deze boot twee grote motoren had en dat de boot een stuk sneller voer dan zij en duidelijk op hen in liep. Zijn eerste herinnering daarna is dat hij in het ziekenhuis in Zwolle lag. Hij heeft van anderen begrepen dat hij met zijn hoofd onder water heeft gelegen.

[slachtoffer 2] heeft ruim drie weken in het ziekenhuis in Den Haag gelegen waar ze zijn bekken, arm, blaas en schedel hebben hersteld. Vervolgens heeft hij zeven weken in een ziekenhuis in Zwolle gelegen, waar ze een deel van zijn schedel hebben teruggeplaatst en waar ze hebben gewerkt aan fysiek herstel. Na deze periode is [slachtoffer 2] drie weken opgenomen in een revalidatiecentrum, onder meer voor neurologische revalidatie.7

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij werkzaam is voor een bedrijf dat op 28 juni 2018 een klant-event had georganiseerd waarvoor diverse relaties waren uitgenodigd. Hij had [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] uitgenodigd om die dag als gast van het bedrijf mee te varen op een boot. Eén van de uitstapjes was het varen op een RHIB. Omstreeks 17.30 uur ging men naar de RHIB. Vervolgens zijn zij gaan varen. Ze zijn op een rustig tempo langs de VOR-zeilboten die daar aangemeerd lagen gevaren. Ze zijn daarna richting zee/havenhoofd gevaren. Ze zijn niet voorbij het havenhoofd geweest. De schipper voer telkens ovaaltjes. Inmiddels waren er al meerdere boten daar aan het varen. Na ongeveer drie ovalen gevaren te hebben voeren ze weer richting het havenhoofd. Ze waren al een stukje voorbij de VOR-boten toen de schipper naar rechts instuurde. Hij remde eerst netjes af en voer toen naar rechts. Vanaf dat moment weet [slachtoffer 6] alleen nog dat hij een harde klap kreeg van de rechter zijkant/achterkant. Het volgende moment lag hij in het water onder een boot. Nadat hij boven water was gekomen zag hij een persoon in het water liggen met zijn gezicht in het water. Hij heeft geprobeerd zo hard mogelijk hiernaartoe te zwemmen. Het was heel lastig zwemmen want hij had zijn kleren aan en was nog steeds gedesoriënteerd. Hij is er dus naartoe gezwommen en draaide hem om. Hij zag toen dat het [slachtoffer 2] was. Hij zag dat hij niet ademde en heeft met man en macht geprobeerd diens hoofd boven water te houden. [slachtoffer 6] zag dat [slachtoffer 2] bloed rond zijn mond of neus had. [slachtoffer 2] is even later op een boot getild. [slachtoffer 6] zag dat [slachtoffer 2] ook diverse snijwonden op zijn rug en linkerzijde had. Hij zag de man die achter hem in de boot had gezeten ook in het water liggen. [slachtoffer 6] is naar een boot vlakbij gezwommen en daar de boot in gehesen.8

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij zelf een ervaren zeiler is en dat hij op 28 juni 2018 was uitgenodigd voor een evenement en dat zij zijn gaan varen op een RHIB. Hij was samen met [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] . Zij voeren op enig moment vanuit de eerste haven naar de buitenhaven. Daar op die buitenhaven mochten de boten harder varen. Zo hebben zij daar een aantal rondes gevaren tussen de pierarmen. Zij zijn niet op open zee geweest, omdat de zee te onstuimig zou zijn.

De laatste keer voeren ze weer richting open zee en draaide de schipper vlak voor het einde van de pier weer naar rechts. Hij zag en voelde dat zij een scherpe bocht naar rechts maakten en op het moment dat zij naar rechts draaiden, zag hij vanuit zijn ooghoek dat er rechts van hem een boot aan kwam gevaren die recht op hen af kwam. [slachtoffer 7] denkt dat dit schip toen twee tot vier meter bij hem vandaan was. Het enige dat hij van dit schip zag was de boeg. Naar schatting van [slachtoffer 7] ging de boot waar hij op zat ongeveer 20 tot 30 km/u voordat hij naar rechts stuurde. Het schip dat uiteindelijk over hen heen voer had hij nog niet eerder gezien. Omdat het schip hen eerder niet had ingehaald, vermoedt [slachtoffer 7] dat dit schip ook met hoge snelheid voer en dicht op hen gevaren heeft. Meteen nadat [slachtoffer 7] de boeg van dit schip zag, zag en voelde hij dat het schip over de achterzijde van hun boot voer, vlak achter hem langs. Het eerste wat [slachtoffer 7] daarna zag, was dat het achter hem leeg was. De metalen staanders van de twee rijen achter hem waren plat. Achter hem waren ook geen mensen meer. Hij zag vervolgens drie mensen in het water liggen, waarna hij [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) op de vloer van hun boot zag liggen. Hij bloedde uit zijn neus en er kwam een gorgelend geluid uit zijn neus.

Hij bemerkte later dat [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] , de schipper, [slachtoffer 1] en hijzelf nog op de boot aanwezig waren. Dus [slachtoffer 6] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 6] ) lag in het water, samen met de twee mensen die achterin hadden gestaan.9

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 2] op een RHIB-boot ging. Hij was met [slachtoffer 2] mee. Hen was gezegd dat zij in de haven zouden blijven. Zij hebben een kwartier op en neer gevaren. Ze voeren binnen de haven tussen het deel waar je naar buiten vaart en waar ook de wedstrijdboten liggen waar de havenhoofden zijn. In zijn ooghoek zag hij opeens een andere boot. Het ging zo snel en voor zijn gevoel lag hij meteen in het water. Hij was in paniek omdat je toch hoog moet klimmen maar er geen kracht in hem was om de boot in te klimmen. Hij werd voor in een boot gezet.

Hij is vervoerd naar het ziekenhuis, waar werd geconstateerd dat hij een ingeklapte rechterlong en drie gebroken ribben en schaafwonden had.10

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij op 28 juni 2018 met haar man [slachtoffer 5] aan boord was gestapt van een zogeheten RHIB-boot. Haar man en zij zijn voorin de boot gaan zitten. Achter de schipper stonden nog vijf mensen aan boord die zich aan beugels vasthielden. Zij zijn ongeveer vier keer heen en weer gevaren tussen de haven en de kom die uitkomt op de zee. Toen zij weer richting zee voeren, tussen de havenhoofden, maakte de schipper een bocht naar rechts en hoorde zij een klap. Toen ze achterom keek zag ze, behalve de schipper, nog maar twee andere personen aan boord van hun boot. Drie andere personen lagen in het water. Zij zag dat een man die nog aan boord lag, zwaar gewond was. Zij heeft niet gezien welke boot hen raakte, maar ze zag wel een zwarte boot met de neus in de richting van de basaltblokken. De slachtoffers lagen ook vlakbij deze zwarte boot.11

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij was uitgenodigd om te varen met RHIB’s. Ze gingen met de RHIB vanuit de haven richting zee. Vlak voor ze bij de zee waren ging de RHIB naar rechts. Dit had de stuurman al eerder gedaan, maar deze keer werd de RHIB overvaren door een andere boot. [slachtoffer 5] keek voor de aanvaring naar voren en filmde alles, zodat hij de andere boot niet zag aankomen.12

iii. Verklaringen van twee schippers op een RHIB die getuige waren van de aanvaring

[getuige 1] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] ) heeft verklaard dat hij op 28 juni 2018 schipper was op een RHIB en getuige was van de aanvaring. De RHIB van de verdachte voer rechts voor hem in de midden flank op een afstand van ongeveer 25 meter. [getuige 1] zelf voer ongeveer 35 km/u en de boot die werd aangevaren voer ongeveer dezelfde snelheid. [getuige 1] zag dat de RHIB van de verdachte van rechtsachter werd aangevaren door een andere boot. Hij zag dat daardoor drie mensen overboord vielen. [getuige 1] zou nooit op die plek inhalen.13

[getuige 2] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2018 schipper was op een boot, die achter twee RHIB’s (de rechtbank begrijpt, gelet op de inhoud van het dossier: de RHIB van de verdachte en de RHIB van [getuige 1] ) en een zwarte aluminium boot aan voer. De afstand was tussen de 50 en 100 meter en de snelheid ongeveer 35 km/u. De twee RHIB’s voeren voor de aluminium boot. Net voorbij de ligplaats van de VOR-boten gaf de aluminium boot vol gas. [getuige 2] schat dat de snelheid van de aluminium boot wel opliep tot ongeveer 70 km/u. De boot liep in ieder snel op hem uit. Hij zag dat de zwarte boot de twee RHIB’s aan de rechterzijde wilde inhalen. De meest rechter RHIB maakte een bocht naar rechts en de aluminium boot botste vervolgens tegen de zijkant van deze RHIB aan. [getuige 2] zag dat de punt van de zwarte boot over het dek van de RHIB kwam. Hij zag dat hierdoor de twee achterste banken van de RHIB werden geraakt, waardoor drie mensen te water raakten.14

iv. Slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Uit het schouwverslag van [naam 3] (gemeentelijk lijkschouwer) van 28 juni 2018 blijkt dat [slachtoffer 1] door de aanvaring hoogstwaarschijnlijk inwendige bloedingen en een fractuur van de luchtpijp heeft opgelopen, wat verstikking tot gevolg heeft gehad. [naam 3] concludeert dat sprake is van een niet natuurlijk overlijden als gevolg van een hoog energetische impact.15

Uit een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] blijkt dat bij hem op 28 juni 2018 is geconstateerd dat hij een diepe wond rechts in de buik, een breuk van de linker onderarm en een wond op het voorhoofd had. Ook vermeldt de arts dat het schedeldak is gelift vanwege hersenbloedingen, dat het bekken meerdere ernstige breuken bevat waarvoor [slachtoffer 2] is geopereerd, dat hij veel ribbreuken heeft en blaasletsel heeft. Ten slotte vermeldt de arts dat de geschatte duur van genezing jaren is.16

Tijdens een gesprek met de echtgenote van [slachtoffer 2] op 29 juni 2018 deelde zij de politie mee dat zij van de arts gehoord had dat de situatie van haar man zeer kritiek en onstabiel is. Het letsel van haar man bestaat uit schedelbasisfracturen aan de rechterzijde van zijn hoofd, gebroken ribben rechts, een gebroken bekken, een blaasfractuur, een afgescheurde buis van nier naar blaas en een gebroken arm.17

Uit de in het dossier gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat hij niet meer kan werken, dat hij nog altijd aan het revalideren is en dat hij als gevolg van het hersenletsel nog iedere dag wordt geconfronteerd met zijn fysieke en mentale beperkingen.18

Uit een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3] blijkt dat bij hem op 28 juni 2018 is geconstateerd dat hij meerdere ribfracturen, een klaplong, een wond op het rechter scheenbeen en een hersenschudding had. Ten slotte vermeldt de arts dat de geschatte duur van genezing zes tot acht weken is.19

[slachtoffer 3] heeft in aanvulling op deze gegevens laten weten dat hij tot februari 2019 slechts parttime heeft kunnen werken als gevolg van het langdurige herstel van zijn letsel en dat hij vanaf februari 2019 weer fulltime kon werken.20

v. Schade aan de RHIB van de verdachte

De politie heeft de RHIB onderzocht. De RHIB heeft een open kuip. Uit dit onderzoek is gebleken dat deze RHIB als gevolg van het ongeval krassporen, beschadigingen en afzettingen van materialen van een ander object of vaartuig had. Er is (onder meer) sprake van:

  • -

    beschadiging van de kap van de buitenboordmotor, welke kap is gescheurd (spoor 1);

  • -

    beschadiging van de tube21 aan stuurboord-achterzijde (spoor 7);

- verbuiging van de achterste sta-steun naar achteren en naar bakboord (spoor 8).

Foto’s van de schade aan de RHIB zijn in het dossier gevoegd. Ook zijn foto’s van de schade aan de Axopar in het dossier gevoegd.22

vi. Verklaring van [medeverdachte]

heeft verklaard dat hij op 28 juni 2018 met zijn boot in Scheveningen was. Zijn boot is 11 meter 30 lang, heeft twee buitenboordmotoren van 350 PK per stuk en een helemaal dichte kajuit. Rond 17.30 uur is hij weggevaren met twee opvarenden. [medeverdachte] was schipper/gezagvoerder. Zij voeren langs de VOR-boten richting het Noordelijk Havenhoofd. Ze hadden één boot voor hen. [medeverdachte] weet niet wat de afstand was, hij denkt 150 meter. [medeverdachte] heeft toen gas gegeven richting de open wateren. Hij is vanaf de oude pier iets gaan versnellen, in één lijn met voorgaande boot. [medeverdachte] weet niet hoe hard het ging. Hij heeft niet op een radar gekeken. Hij heeft naar de kade gekeken, om zich heen gekeken, naar voren en naar achteren gekeken en is gewoon gaan varen en heeft gas gegeven. [medeverdachte] liep met zijn boot in op de voorganger; de afstand werd kleiner. Ze waren vlakbij de uitmonding van de haven en toen zag [medeverdachte] dat die RHIB voor hem in één keer een onverwachte manoeuvre maakte. Ze hadden allebei snelheid. [medeverdachte] zag dat de RHIB voor hem een soort draai maakte, maar hij zat net even naar de kade te kijken even verderop. Eerst dacht hij dat hij moest uitwijken en daarna dacht hij dat hij de motoren uit moest doen, vol gas achteruit. Ze gingen samen in de richting van het open water. [medeverdachte] zag dat de snelheid van de RHIB na de bocht aanzienlijk was verminderd. Door de scherpe bocht naar rechts voer de RHIB plotseling voor zijn boot, waarna de aanvaring is ontstaan. Voordat hij het doorhad, schoof zijn boot over de achterzijde van de RHIB. Hij zette toen de motoren uit om te voorkomen dat de mensen door de schroeven van de boot zouden worden geraakt. [medeverdachte] zag drie drenkelingen liggen in het water, die een boot in gehesen werden.23

vii. Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de RHIB-experience op 28 juni 2018 tussen de 30 en 40 km/u voer, net in planeerstand. Om de gasten op de RHIB die experience te geven, moest hij zorgen dat de boot planeerde en daarvoor was het nodig om snelheid te maken. Hij had in de Nieuwe Buitenhaven al drie of vier rondjes gevaren met de gasten en was toen de enige in de Nieuwe Buitenhaven.

Na het laatste rondje voer hij even terug naar de VOR-boten, waarna hij weer richting zee voer. De verdachte hield in de Nieuwe Buitenhaven zoveel mogelijk rechts, zodat eventuele andere boten hem links konden inhalen. Hij wilde ervoor zorgen dat hij andere, grote, boten niet in de weg zou zitten met zijn manoeuvres. De verdachte was zich ervan bewust dat hij de Nieuwe Buitenhaven voor iets anders gebruikte dan voor doorvaart, maar daarvoor had hij de opdracht gekregen van [naam 1] . Ze zouden de laatste rit in de haven blijven en niet met de RHIB de zee op gaan.

De verdachte had goed zicht naar alle kanten. De punt van zijn RHIB lag hoger door de snelheid waar hij mee voer. Op enig moment maakte de verdachte met zijn RHIB een bocht naar rechts. Voordat hij dat deed, keek hij eerst links en rechts. Hij zag toen dat het water rechts van hem volledig vrij was en zag geen andere boten. Hij verminderde daarna zijn snelheid tot ongeveer 15 tot 20 km/u en zette al iets koers in naar rechts. De punt van de boot ging toen iets naar voren en het zou kunnen dat zijn zicht toen iets belemmerd werd. De verdachte keek daarna naar rechts en zette vervolgens de bocht verder in naar rechts. De verdachte heeft op dat moment niet rechtsachter zich gekeken. Op het moment dat hij de bocht verder inzette, hoorde de verdachte rechts van hem het geluid van veel watergesuis. Hij keek over zijn schouder naar rechtsachter en zag toen, op een afstand van ongeveer 10 tot 15 meter, de romp van een andere boot op zich af komen. In een split second gaf de verdachte flink wat gas en stuurde zijn RHIB scherper naar rechts om uit de vaarroute te komen van die andere boot.24

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij op 28 juni 2018 met drie groepen passagiers heeft gevaren. Met de eerste twee groepen was hij nog de zee op gevaren, maar met de derde groep niet. De derde en laatste groep was een rit met zeven passagiers. Hij was met deze groep al een paar keer naar de uitmonding gevaren en was, net voordat je de zee op kunt, uitgeweken naar rechts. Hij liet, voordat hij bij de havenmond kwam, de passagiers ervaren hoe de deining van de zee voelt en accelereerde zijn RHIB dan naar 30 tot 35 km/u. Net voordat hij naar stuurboord ging, haalde hij het gas eraf en stuurde vervolgens naar rechts. Verder heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat in de Nieuwe Buitenhaven wordt gedoogd dat sneller wordt gevaren dan 7 tot 8 km/u die geldt in de Oude Buitenhaven. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij al acht of negen jaar voor [bedrijfsnaam 2] werkt als instructeur/schipper met dit soort boten en dat hij dit soort ritten als hobby al ongeveer acht jaar doet, in binnen- en buitenland.25

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

De verdachte voer op 28 juni 2018 aan het einde van de middag zeven passagiers rond op zijn RHIB. Hij had vóór deze laatste vaart van die dag de opdracht gekregen om in de haven te blijven varen, omdat de zee te ruw was. Na een aantal rondjes in de haven te hebben gevaren, voer hij weer rustig richting de zee. In de Nieuwe Buitenhaven voerde hij zijn snelheid op naar ongeveer 35 km/u om de passagiers de deining van de zee te laten ervaren. Achter hem voer op dat moment een motorboot (Axopar), die werd bestuurd door [medeverdachte] . De Axopar liep in op de RHIB van de verdachte, want de onderlinge afstand werd steeds kleiner. De verdachte wilde op enig moment een bocht naar rechts maken, omdat hij niet de zee op mocht varen. Dat had hij al een aantal keer eerder gedaan tijdens deze vaart. Hij keek voor het maken van de bocht eerst links en rechts en zag toen dat het water rechts van hem volledig vrij was. Hij remde af tot ongeveer 15 tot 20 km/u en stuurde al iets naar rechts. De verdachte keek daarna naar rechts en zette vervolgens de bocht verder in naar rechts. Hij keek toen niet rechtsachter zich. Vervolgens hoorde de verdachte het geluid van veel watergesuis en kort daarna volgde de aanvaring met de Axopar. De Axopar is daarbij over een gedeelte van de RHIB gevaren. [slachtoffer 1] lag na de aanvaring zwaargewond aan boord van de RHIB en overleed later aan zijn verwondingen. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] raakten door de aanvaring te water en liepen letsel op.

Schuld in de zin van de artikelen 169 en/of 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)?

De belangrijkste vraag in deze zaak is of de verdachte in strafrechtelijke zin schuld heeft aan de dood van [slachtoffer 1] en het letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en/of schuld heeft aan de aanvaring met de Axopar, waardoor levensgevaar voor de opvarenden van de RHIB is ontstaan, terwijl het de dood van [slachtoffer 1] tot gevolg heeft gehad.

Schuld in de zin van de artikelen 169 en 307/308 Sr heeft een andere betekenis dan het begrip schuld dat in het normale spraakgebruik gehanteerd wordt. Van schuld is sprake als een verdachte een bepaald gevolg (bijvoorbeeld letsel of de dood) evident niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat hij anders had kunnen en moeten handelen. Daarbij is niet elke fout die iemand maakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. Anders gezegd: er moet minimaal sprake zijn van ‘aanmerkelijke schuld’ om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit vaste rechtspraak volgt dat hierbij moet worden gekeken naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De ernst van de gevolgen is niet redengevend voor de mate van schuld.

Het handelen van de verdachte

De verdachte heeft op 28 juni 2018, na de opdracht om niet de zee op te varen maar om in de Nieuwe Buitenhaven te blijven, zijn RHIB net vóór de havenhoofden naar rechts gestuurd, om daar weer om te draaien. Hiermee gebruikte de verdachte de Nieuwe Buitenhaven anders dan voor doorvaart en daarmee handelde hij weliswaar conform zijn opdracht, maar in strijd met de Havenverordening.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte bij het uitvaren naar de Nieuwe Buitenhaven eerst rustig voer, dat hij daarna in de Nieuwe Buitenhaven met zijn RHIB accelereerde naar 30 tot 40 km/u om zijn passagiers de deining van het water te laten voelen en dat hij vervolgens (net voor de havenhoofden) afremde om zijn manoeuvre naar rechts te maken. Hiermee voer de verdachte in de Nieuwe Buitenhaven niet alleen met wisselende snelheden, maar ook sneller dan de daar geldende maximumsnelheid van 7 km/u. Op grond van de verklaring van de verdachte zelf en die van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte zijn snelheid tot kort voor de aanvaring heeft opgevoerd naar ten minste ongeveer 35 km/u, onder meer om in plané26 te kunnen varen.

De verdachte is een schipper met internationale vaarbewijzen en ruime ervaring op open wateren in binnen- en buitenland. Op 28 juni 2018 voer hij op de RHIB in de uitoefening van zijn beroep als schipper bij [bedrijfsnaam 2] . Van een professional mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende regels en aan hem mogen hoge zorgvuldigheidseisen worden gesteld. Vanwege het handelen in strijd met de Havenverordening (het gebruik anders dan voor doorvaart en de overschrijding van de maximumsnelheid), hetgeen de verdachte volgens zijn eigen verklaringen wist, had de verdachte extra oplettend moeten zijn in de Nieuwe Buitenhaven. De bepalingen uit de Havenverordening reguleren het verkeer op het water en scheppen verwachtingen bij de verkeersdeelnemers in de haven ten aanzien van het gedrag van andere verkeersdeelnemers. Omdat de verdachte met zijn boot in de richting van de open zee voer, met een snelheid van (uiteindelijk) ongeveer 35 km/u, ligt voor de hand dat hij bij andere schippers in die Nieuwe Buitenhaven (waaronder [medeverdachte] , die de Axopar bestuurde en schuin achter de verdachte voer) de indruk wekte dat hij de zee zou opvaren. Juist onder deze omstandigheden mocht van de verdachte, als professionele schipper, worden gevergd dat hij zorgvuldig en voorzichtig zou handelen bij een manoeuvre die afweek van de gebruikelijke gang van zaken. Dat de verdachte de opdracht van zijn leidinggevende kreeg om de haven anders dan voor doorvaart te gebruiken, doet niet af aan de op hem rustende plicht om juist vanwege die afwijking extra oplettend te zijn.

Kort voor de aanvaring heeft de verdachte zijn manoeuvre naar rechts gemaakt. Net voordat hij met zijn RHIB de bocht inzette, heeft hij gekeken of het water rechts van hem vrij was om die manoeuvre veilig te kunnen maken. De rechtbank stelt echter vast dat de verdachte na het afremmen van 35 km/u naar ongeveer 15 tot 20 km/u en bij het verder de bocht insturen, niet rechtsachter zich heeft gekeken om zich ervan te vergewissen of hij veilig zijn gewijzigde koers kon vervolgen en nog verder naar rechts kon sturen. Als de verdachte dat wel had gedaan, had hij de Axopar tijdig kunnen zien aankomen en zijn koers kunnen bijstellen. Uit het feit dat de aanvaring plaatsvond blijkt immers dat de Axopar niet ver meer van de RHIB vandaan was toen de verdachte de bocht inzette. Door het verder inzetten van die bocht naar rechts kruiste de verdachte met zijn RHIB de koers van de achter hem varende Axopar. Die kon de RHIB niet meer ontwijken en kwam in aanvaring met de RHIB.

Tussenconclusie

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdachte de aanvaring had kunnen voorkomen als hij beter had gekeken toen hij zijn koers wijzigde en de bocht naar rechts inzette. Hij had zich, in een haven waar ook andere boten voeren, bewust moeten zijn van de onvoorspelbaarheid van zijn manoeuvre - te weten na het aanvankelijk varen met hogere snelheid dan toegestaan, vlak voor de havenhoofden zijn snelheid halveren en een bocht insturen - om zich er vervolgens van te vergewissen dat hij zijn koers veilig kon wijzigen. Dat heeft de verdachte niet gedaan, terwijl dat onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank wel geboden was.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat tussen het handelen van de verdachte en de gevolgen van de aanvaring causaal verband bestaat, zodat dat ingetreden gevolg redelijkerwijs aan de (gedragingen van de) verdachte kan worden toegerekend. De hiervoor genoemde gedragingen van de verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank een noodzakelijke factor geweest voor de aanvaring en de daarna ingetreden gevolgen (de dood van [slachtoffer 1] en het letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ). Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven welke koers de boten hebben gevaren, onder welke hoek de stuurbeweging door de verdachte werd gemaakt en onder welke hoek de RHIB door de Axopar werd aangevaren, onderwerpen waarop uitvoerig is ingegaan in de rapporten [rapporteur 1] . Dit, omdat vaststaat dat de verdachte zijn koers heeft gewijzigd en er zich onvoldoende van had vergewist dat dit veilig kon, zeker gelet op de specifieke omstandigheden en situatie ter plaatse.

Kwalificatie: schuld aan de gevolgen van het ongeval (feit 1) en aan de aanvaring (feit 2)

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit naar het oordeel van de rechtbank kan worden afgeleid dat de verdachte zich zo buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen, dat daardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen waarvan de verdachte zich bewust was of had moeten zijn. Daarom kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte roekeloos heeft gevaren. Daarvan zal de verdachte onder feit 1 dan ook worden vrijgesproken.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, waardoor een aanvaring is ontstaan met de Axopar van [medeverdachte] en waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] daardoor is overleden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] letsel hebben opgelopen (feit 1).

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 2] af dat hij fors letsel heeft opgelopen, dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en dat hij nog altijd aan het revalideren is en niet kan werken. Ten aanzien van [slachtoffer 3] leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat hij ernstig letsel heeft opgelopen en dat het herstel langer dan een half jaar heeft geduurd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank bij deze slachtoffers sprake van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr.

Ten slotte is de rechtbank op grond van dezelfde bewijsmiddelen die gelden voor feit 1 ook van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen, zodat het (mede) aan zijn schuld te wijten is dat zijn RHIB in aanvaring is gekomen met de Axopar van [medeverdachte] , waardoor die RHIB werd beschadigd en waardoor levensgevaar voor de opvarenden van die RHIB ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] ) is ontstaan, terwijl het de dood van opvarende [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad (feit 2 primair). Bij het ontstaan van levensgevaar voor alle opvarenden van de RHIB is hier van belang dat [medeverdachte] met aanzienlijke snelheid met een zware motorboot gedeeltelijk over de RHIB, een open boot, is gevaren.

Eindconclusie

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de onder 1 ten laste gelegde dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld en de onder 2 primair ten laste gelegde schuld aan een aanvaring, waardoor levensgevaar voor de opvarenden van de RHIB is ontstaan, terwijl die aanvaring de dood van [slachtoffer 1] als gevolg heeft gehad, wettig en overtuigend bewezen acht, één en ander zoals hierna bewezen wordt verklaard.

Omdat de rechtbank de door de verdediging als onbetrouwbaar aangemerkte onderdelen van de verklaringen van [slachtoffer 2] niet heeft gebruikt als bewijs voor de toedracht van het ongeval, behoeft het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer 2] geen nadere bespreking.

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De rechtbank heeft de in het dossier gevoegde rapporten van [rapporteur 1] niet voor het bewijs gebruikt, zodat het daarop betrekking hebbende voorwaardelijke verzoek van de verdediging eveneens onbesproken kan blijven.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, door als schipper van een schip, te weten een (zogenaamde) RHIB, op het voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande vaarwater, te weten de Nieuwe Buitenhaven van Scheveningen, te varen en tijdens dat varen

- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid van meerdere andere schepen en;

- met een snelheid van tenminste ongeveer 35 km/uur heeft gevaren en;

- die Nieuwe Buitenhaven heeft gebruikt anders dan voor doorvaart en;

- zich er, terwijl hij rechtuit richting het zeegat voer, onvoldoende van heeft vergewist dat hij veilig zijn koers kon wijzigen en naar rechts kon sturen en is hij naar rechts afgeslagen (om zijn rondje te voltooien), terwijl een rechts achter hem varende motorboot (Axopar) hem reeds tot op korte afstand genaderd was;

waarna de door hem, verdachte, bestuurde RHIB in aanraking en aanvaring is gekomen met een ander schip, te weten motorboot “Axopar” en er een ongeval heeft plaatsgevonden,

A.

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat één opvarende van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 1] , is overleden

en;

B.

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat opvarenden van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde slachtoffers was ontstaan, te weten:

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 2] ) (onder meer) schedelbasisfracturen en meerdere hersenbloedingen en een gebroken bekken en een blaasfractuur en een afgescheurde urinebuis en een gebroken arm en;

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 3] ) (onder meer) meerdere ribfracturen en een klaplong en een hersenschudding;

2.

hij op 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage) als schipper van een schip (een RHIB), zich tijdens het varen met dat schip zodanig heeft gedragen dat het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat die RHIB in aanvaring is gekomen met een ander schip, te weten de motorboot “Axopar”, waardoor die RHIB beschadigd werd, immers heeft verdachte toen aanmerkelijk onoplettend

- zijn snelheid niet aangepast aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid van meerdere andere schepen en;

- met een snelheid van tenminste ongeveer 35 km/uur gevaren en;

- die Nieuwe Buitenhaven gebruikt anders dan voor doorvaart en;

- zich er, terwijl hij rechtuit richting het zeegat voer, onvoldoende van vergewist dat hij veilig zijn koers kon wijzigen en naar rechts kon sturen en is hij naar rechts afgeslagen (om zijn rondje te voltooien), terwijl een rechts achter hem varende motorboot (Axopar) hem reeds tot op korte afstand genaderd was;

waarna de door hem, verdachte, bestuurde RHIB, in aanraking en aanvaring is gekomen met die motorboot “Axopar” en er een ongeval en aanvaring heeft plaatsgevonden,

waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van die RHIB, te weten de heer

[slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 3] en mevrouw

[slachtoffer 4] en de heer [slachtoffer 5] ,

terwijl het de dood van opvarende de heer [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, nu de verdachte zelf ook ernstig is getroffen door het incident en het bestraffen van de verdachte geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel dient.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het bewezenverklaarde

De verdachte is op 28 juni 2018 -tijdens het evenement Volvo Ocean Race in Scheveningen- betrokken geweest bij een aanvaring tussen de door hem bestuurde RHIB (met daarop zeven passagiers) en een achter hem varende motorboot. De verdachte voer met een snelheid van ongeveer 35 km/u richting de zee en stuurde zijn RHIB net voor de havenmonding naar rechts om in de haven te keren. Voordat hij die manoeuvre maakte, heeft hij onvoldoende gekeken of hij zijn koers veilig kon wijzigen. Daardoor kwam hij in de koers van de motorboot die achter hem voer en die hem op korte afstand was genaderd, waardoor een aanvaring is ontstaan.

Als gevolg van die aanvaring is [slachtoffer 1] aan zijn verwondingen overleden. Hiermee is de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed toegebracht en zij zullen moeten leven met plotselinge het verlies van hun dierbare.

Verder hebben de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , die bij de aanvaring te water zijn geraakt, zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Tijdens het uitoefenen van het spreekrecht is namens [slachtoffer 2] indringend duidelijk gemaakt hoe zijn leven compleet en onherstelbaar is veranderd. Hij heeft fors (hersen)letsel opgelopen, is meermalen geopereerd en is, tweeëneenhalf jaar later, nog altijd aan het revalideren. Voor het ongeval had hij werkweken van 80 uur en nam hij deel aan marathons, maar na het ongeval kan zijn lichaam dat niet meer. Werken lukt niet meer en de inschatting is dat zijn herstel jaren zal gaan duren en ook dan niet volledig zal zijn. Ook [slachtoffer 3] heeft tijdens de uitoefening van het spreekrecht toegelicht wat de gevolgen voor hem zijn. Hij heeft ernstig letsel opgelopen en het herstel heeft maanden geduurd. Ook hij is nog altijd niet volledig hersteld. Voor beide slachtoffers geldt ook dat deze strafzaak een grote impact heeft gehad.

Door de aanvaring is voorts ook levensgevaar ontstaan voor de andere opvarenden van de RHIB. Uit hun verklaringen volgt dat, alhoewel zij niet lichamelijk gewond zijn geraakt, de aanvaring een gebeurtenis is die een grote indruk op hen heeft gemaakt, waarbij een van hen zich heeft moeten laten behandelen ter verwerking van het trauma.

Alhoewel de rechtbank begrijpt dat het nooit de bedoeling van de verdachte is geweest dat een aanvaring als deze zou plaatsvinden, met de verschrikkelijke gevolgen voor een ieder die hierbij betrokken was, neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij, met de zorg voor de opvarenden op zijn boot, onvoldoende goed heeft gekeken en daarmee onvoldoende oplettend is geweest.

De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte] , de schipper van de motorboot, ook schuldig is aan de aanvaring. Dat neemt de schuld van de verdachte echter niet weg.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 9 oktober 2020 blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Er is een reclasseringsadvies over de verdachte opgemaakt van 7 april 2020. De reclassering concludeert dat de verdachte werkt, financiële stabiliteit kent en een gezin heeft en daarnaast dat sprake is van een beschermend sociaal netwerk. Verder ziet de reclassering dat het ongeval een zeer grote impact heeft gehad op het leven van de verdachte. Omdat de reclassering geen problematiek ziet bij de verdachte en het recidiverisico als laag inschat, vindt de reclassering interventies of toezicht niet nodig. Geadviseerd wordt om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Redelijke termijn

Ambtshalve heeft de rechtbank geconstateerd dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM is overschreden, aangezien ruim 28 maanden na aanvang van de redelijke termijn

- te weten het eerste verhoor als verdachte op 29 juni 2018 - vonnis wordt gewezen. De rechtbank houdt rekening met de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging nog een getuige is gehoord op 18 mei 2020. Gelet daarop en op de beperkte overschrijding van de redelijke termijn, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt zij daaraan geen rechtsgevolgen.

De op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf moet naar het oordeel van de rechtbank voor ogen worden gehouden dat de verdachte, zoals reeds eerder overwogen, nooit de bedoeling heeft gehad om een aanvaring te veroorzaken, laat staan een aanvaring met een dode en twee zwaar gewonden tot gevolg. De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ook gezien dat de verdachte zichtbaar is aangedaan door (de gevolgen van) het ongeval.

Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen reden om verschil te maken in de op te leggen straf aan de verdachte en aan de schipper van de motorboot, in die zin dat aan de één een groter strafrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt dan aan de ander, waarom de één een hogere straf zou moeten krijgen dan die ander.

Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank geen reden om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden is.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 788,72. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.951,74. Dit bedrag bestaat uit € 1.951,74 aan materiële schade en

€ 2.000,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 330.546,64. Dit bedrag bestaat uit € 270.546,64 aan materiële schade en € 60.000 aan immateriële schade. Daarnaast vordert [slachtoffer 2] vergoeding van € 1.482,25 aan proceskosten.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat gevorderd is deze te vermeerderen met de wettelijke rente en dat is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , steeds vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van ieder van de benadeelde partijen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren omdat er, kort gezegd, ingewikkelde civielrechtelijke kwesties aan de orde zijn. Om die reden moeten de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Meer specifiek heeft de verdediging betoogd dat aansprakelijkheid van [verdachte 1] afstuit op een ‘waiver’ die de opvarenden van de RHIB hebben ondertekend voordat zij aan boord gingen, althans dat een onderzoek naar de gevolgen van het ondertekenen van de ‘waiver’ te complex is voor het onderhavige strafgeding.

Op meer specifieke standpunten ten aanzien van verschillende schadeposten zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

7.4

Nadere toelichting benadeelde partijen

Ter terechtzitting hebben de benadeelde partijen hun vorderingen nader toegelicht of doen toelichten. Mr. Van der Kraats heeft namens [slachtoffer 2] de vordering toegelicht en daarbij onder meer naar voren gebracht dat het bestaan van een ondertekend exoneratiebeding (‘waiver’) wordt betwist, althans dat een dergelijk exoneratiebeding onredelijk bezwarend is, zoals bedoeld in de artikelen 6:231 jo 6:236 en 6:237 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

7.5

De beoordeling van de vorderingen

7.5.1

Algemene overwegingen

Doorkruising van civiele procedure(s)

Namens de verdachte is aangevoerd dat een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen de reeds lopende civiele procedure zou doorkruisen en compliceren. Bovendien is de vaststelling van aansprakelijkheid en afwikkeling van de schade in die procedure dermate ingewikkeld gebleken dat de vorderingen zich niet lenen voor afdoening in deze strafrechtelijke procedure.

Dit verweer wordt verworpen. Het feit dat reeds een civiele procedure loopt die ziet op de vaststelling van aansprakelijkheid en afwikkeling van de schade, betekent niet dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Het is de bedoeling geweest van de wetgever om benadeelde partijen in staat te stellen op eenvoudige wijze de schade te verhalen die door een strafbaar feit is ontstaat. Uit de wet blijkt niet dat een reeds lopende civiele procedure daaraan in de weg staat. Dat zou anders kunnen zijn als de civiele rechter al een oordeel heeft gegeven over (een deel van) de gevorderde schade, maar daarvan is in dit geval geen sprake.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de behandeling van de ingediende vorderingen niet zonder meer een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De waardering van de gevorderde schadebedragen wordt hierna per vordering besproken.

Exoneratie

Daarnaast is namens de verdachte aangevoerd dat alle opvarenden van de RHIB (dus ook de benadeelde partijen) een exoneratiebeding hebben ondertekend, waardoor de aansprakelijkheid van [naam stichting] is uitgesloten en ook de verdachte niet aansprakelijk kan worden gehouden.

Ook dit verweer wordt verworpen. Uit het exoneratiebeding (een voorbeeld is te vinden op p. 366 van het proces-verbaal) blijkt dat [naam stichting] geen aansprakelijkheid aanvaardt voor schade ten gevolge van overlijden, letsel, ongevallen of kwetsing aan deelnemer gedurende de activiteit, tenzij sprake is van opzet en/of grove schuld en/of bewuste roekeloosheid van de schipper en de medewerkers van [naam stichting] . Uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat ook de benadeelde partijen ditzelfde beding hebben ondertekend. Uit de tekst van het beding blijkt bovendien dat de exoneratie geldt tussen [naam stichting] en de deelnemer die meevaart met de RHIB. In deze zaak wordt de verdachte als schipper aansprakelijk gesteld voor geleden schade. Uit het exoneratiebeding blijkt niet dat de exoneratie zich ook uitstrekt tot de schipper. Om die reden kan de verdachte zich niet met succes op het exoneratiebeding beroepen.

7.5.2

De vordering van [slachtoffer 4]

vordert vergoeding van de kosten voor psychologische hulp ter grootte van € 788,72.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat de benadeelde partij haar vordering voldoende heeft onderbouwd in de mondelinge en schriftelijke toelichting daarop en door middel van een overzicht van haar ziektekostenverzekering. Daaruit blijkt dat de aanvaring voor de benadeelde partij traumatisch is geweest en dat zij om die reden is verwezen door de huisarts, waarop zij in de periode tussen 16 juli en 27 september 2018 psychologische hulp heeft ontvangen in de vorm van behandeling uit het pakket ‘Basis GGZ Middel’. De kosten van deze behandeling heeft de benadeelde partij vanuit haar eigen risico moeten voldoen. Deze kosten vormen schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 4] ter grootte van € 788,72 dan ook integraal toewijzen.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 november 2018, omdat de vordering op die datum is ingediend.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat naast de verdachte een ander (te weten: [medeverdachte] , verdachte in de zaak met parketnummer 09/994502-19) in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het ontstaan van de schade, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 788,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2018 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4] .

7.5.3

De vordering van [slachtoffer 3]

vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

4 dagen verblijf Haaga Ziekenhuis

€ 120,00

Eigen risico zorgverzekering

€ 785,00

Reiskosten bezoek door partner / afhalen vanuit ziekenhuis

€ 19,76

Reiskosten bezoek apotheek

€ 4,94

Reiskosten bezoek medisch specialist / spoed ivm ontstoken wond

€ 4,94

Reiskosten bezoek medisch specialist

€ 4,94

Reiskosten bezoek medisch specialist

€ 4,94

Reiskosten rechtsbijstand advocaat (kantoor Arag Rotterdam)

€ 7,22

Broek / T-Shirt / Schoenen (Schoenen kwijtgeraakt, broek en T-shirt verknipt bij opname)

€ 250,00

Zonnebril op sterkt (kwijtgeraakt bij ongeval)

€ 200,00

Apple SE (defect door waterschade)

€ 375,00

Kosten vervolg behandelingen en revalidatie

€ 175,00

Totaal

€ 1.951,74

Daarnaast vordert [slachtoffer 3] een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade vanwege het (hersen)letsel dat hij bij de aanvaring heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij maanden heeft moeten revalideren. Pas in februari 2019 was hij voldoende hersteld om zijn werk weer volledig te hervatten en hij ervaart ook nu nog dagelijks hoofdpijn. Daarnaast heeft hij psychologische hulp ingeschakeld om het trauma van het ongeval te verwerken en de blijvende fysieke gevolgen te leren accepteren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet betwist.

Materiële schade

De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat de benadeelde partij zijn vordering ter zake van de materiële schade voldoende heeft onderbouwd in de mondelinge en schriftelijke toelichting daarop. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de kleding, de zonnebril en de mobiele telefoon van de benadeelde partij bij of kort na de aanvaring zijn beschadigd dan wel zoekgeraakt. Ook kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij vier dagen in het Haga Ziekenhuis heeft moeten verblijven en dat hij (en/of zijn partner ten behoeve van hem) reiskosten heeft moeten maken voor bezoek, voor nadere behandeling door een medisch specialist en voor het ophalen van medicatie bij de apotheek. Verder staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat een deel van de medische kosten zijn voldaan uit het door de benadeelde partij betaalde eigen risico. De rechtbank zal dan ook alle op het voorgaande betrekking hebbende posten toewijzen, omdat deze posten schade betreffen die de benadeelde partij heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten.

Reiskosten van de benadeelde partij die worden gemaakt om naar zijn of haar advocaat of naar de terechtzitting te reizen, zijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad27 proceskosten en kunnen niet als schade worden toegewezen.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, in totaal een bedrag van (€ 1.951,74 - € 7,22 =)

€ 1.944,52 aan materiële schade toewijzen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan verder worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering heeft aangevoerd over de aard en ernst van zijn letsel en de lange duur van zijn herstel, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.000,-.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de vordering van [slachtoffer 3] toewijzen tot een bedrag van € 3.944,52, bestaande uit € 1.944,52 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 1.944,52 toewijzen met ingang van 10 november 2018, omdat de vordering op die datum is ingediend.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 2.000,- toewijzen met ingang van 28 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op € 7,22 aan reiskosten, zoals gevorderd. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat naast de verdachte een ander (te weten: [medeverdachte] , verdachte in de zaak met parketnummer 09/994502-19) in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het ontstaan van de schade, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.944,52, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.944,52 vanaf 10 november 2018, en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 28 juni 2018, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

7.5.4

De vordering van [slachtoffer 2]

vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

Materiële schade, begroot tot en met december 2020

Reiskosten, parkeerkosten, taxikosten : € 3.362,49

Kosten huishoudelijke hulp, persoonlijke : € 9.100,63

verzorging en verlies zelfverdiencapaciteit

Medische kosten : € 8.773,75

Diversen (o.a. kosten telefoon, bril, horloge, : € 3.669,66

matras en levenstestament)

Wonen : € 405,-

Buitengerechtelijke kosten (procedure tegen : € 74.173,87

Axopar)

Verlies arbeidsvermogen : € 171.061,24

Totaal : € 270.546,64

Immateriële schade (smartengeld), begroot : € 60.000,-

tot en met december 2020

Totaal : € 330.546,64

Proceskosten onderhavige strafprocedure : € 1.482,25

Materiële schade

Reiskosten, parkeerkosten, taxikosten

De benadeelde partij vordert vergoeding van reis- en parkeerkosten in relatie tot medische afspraken, en taxikosten die hij zonder zijn letsel niet had hoeven maken.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte is dit onderdeel van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 3.362,49 dan ook toewijzen.

Huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en verlies zelfverdiencapaciteit

De benadeelde partij vordert vergoeding van kosten voor hulp in de huishouding, persoonlijke verzorging en kosten voor werkzaamheden in de tuin, die hij zelf niet meer kan verrichten.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte is dit onderdeel van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 9.100,63 dan ook toewijzen.

Medische kosten

De benadeelde partij vordert vergoeding van medische kosten, bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2018-2020, kosten voor psycholoog en fysiotherapeut, daggeldvergoeding, medicatie en kosten voor (medische) hulpmiddelen, waaronder hoortoestellen. Voor wat betreft die laatste post is namens de benadeelde partij toegelicht dat deze hoortoestellen medisch geïndiceerd zijn in verband met hersenletsel, veroorzaakt door de aanvaring.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte is dit onderdeel van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 8.773,75 dan ook toewijzen.

Diversen en wonen

De benadeelde partij vordert vergoeding van kosten van (de vervanging van) zijn telefoon, bril, horloge en kleding, kosten voor foto’s en een whiteboard voor geheugenstimulering, kosten voor een matras, wandbeugels en pensionkosten voor huisdieren. Ook is vergoeding van de kosten voor het opmaken van een levenstestament gevorderd. Voor wat betreft die laatste post is namens de benadeelde partij toegelicht dat dit noodzakelijk was voor de behartiging van de belangen van de benadeelde partij, die door zijn ernstige (hersen)letsel niet in staat was zijn eigen belangen te behartigen.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat voormelde kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte zijn deze onderdelen van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 3.669,66 en € 405,- dan ook toewijzen.

Buitengerechtelijke kosten

[slachtoffer 2] vordert vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt in de civielrechtelijke (beperkingen)procedure tegen de verzekeraar en/of de eigenaar van de Axopar.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet zijn aan te merken als schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde moet dan ook in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Verlies arbeidsvermogen

[slachtoffer 2] vordert vergoeding van verlies aan arbeidsvermogen tot en met december 2020, voor een bedrag van € 171.061,24.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering met betrekking tot verlies van arbeidsvermogen onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten verlies van arbeidsvermogen heeft geleden. De rechtbank is echter, met de verdediging, van oordeel dat de beoordeling van de omvang van deze schade, vanwege de complexiteit en de beperkingen van het partijdebat die de behandeling van een vordering in het kader van een strafprocedure met zich brengt, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Voor zover de vordering betrekking heeft op de post verlies arbeidsvermogen, zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

[slachtoffer 2] vordert € 60.000,- als vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden tot en met december 2020.

De verdediging heeft betoogd dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft bij de aanvaring ernstig letsel opgelopen. Hij heeft lange tijd in het ziekenhuis en revalidatiecentrum moeten doorbrengen en hij heeft herhaaldelijk in levensgevaar verkeerd. [slachtoffer 2] heeft veel pijn geleden en diverse risicovolle operaties moeten ondergaan. Zijn letsel, waaronder hersenletsel, is deels blijvend van aard, waardoor [slachtoffer 2] blijvend arbeidsongeschikt is geraakt. De aanvaring heeft dan ook een grote, blijvende impact op zijn leven.

Gelet op enerzijds het grote leed dat [slachtoffer 2] ten deel is gevallen, maar anderzijds de al eerder genoemde beperkingen die de behandeling van een vordering binnen de kaders van een strafprocedure voor het partijdebat meebrengt, zal de rechtbank het gevorderde smartengeld (begroot tot en met december 2020) toewijzen tot een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien een nadere onderbouwing en de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zouden opleveren. De benadeelde partij kan ook dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 65.311,53, bestaande uit € 25.311,53 aan materiële schade en € 40.000,- aan immateriële schade.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat aan [slachtoffer 2] een voorschot en leningen zijn betaald en dat de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar bedragen aan hem heeft uitgekeerd. Deze betalingen en de verzekeringsuitkeringen zouden in het kader van voordeelsverrekening (artikel 6:100 BW) op de vordering van [slachtoffer 2] in mindering moeten worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de betreffende betalingen en verzekeringsuitkeringen niet op de hiervoor toegewezen bedragen in mindering moeten worden gebracht. Deze betalingen en uitkeringen zijn immers - nog los van de vraag of deze voor voordeelsverrekening in de zin van artikel 6:100 BW in aanmerking komen - niet aan de benadeelde partij betaald ter voldoening van de hier toegewezen vergoedingen van schade.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 25.311,53 toewijzen met ingang van 30 oktober 2020, omdat de vordering op die datum is ingediend.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 40.000,- toewijzen met ingang van 28 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van die kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures, waarbij in dit geval op basis van het liquidatietarief een vergoeding van € 2.402,- per procespunt aan de orde zou zijn. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.482,25 aan proceskosten gevorderd en heeft dit bedrag ook onderbouwd. De rechtbank begroot de voor deze strafprocedure gemaakte proceskosten dan ook op de gevorderde € 1.482,25. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat naast de verdachte een ander (te weten: [medeverdachte] , verdachte in de zaak met parketnummer 09/994502-19) in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het ontstaan van de schade, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 65.311,53, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 25.311,53 vanaf 30 oktober 2020, en over een bedrag van € 40.000,- vanaf 28 juni 2018, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 55, 57, 169, 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

de eendaadse samenloop van:

feit 1:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn;

en

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd;

en

feit 2 primair:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig beschadigd wordt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat, meermalen gepleegd;

en

aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig beschadigd wordt, terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 100 (honderd) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 (vijftig) DAGEN;

de vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 788,72 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2018 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 4]

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en in de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 788,72 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2018 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

[slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 3.944,52 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 1.944,52 vanaf 10 november 2018 en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 28 juni 2018, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 7,22, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.944,52, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.944,52 vanaf 10 november 2018, en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 28 juni 2018, beide tot de dag waarop deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3]

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

[slachtoffer 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 65.311,53 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 25.311,53 vanaf 30 oktober 2020 en over een bedrag van € 40.000,- vanaf 28 juni 2018, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het gevorderde bedrag van € 74.173,87 (buitengerechtelijke kosten) niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het gevorderde bedrag van € 191.061,24 niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 1.482,25, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 65.311,53 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van

€ 25.311,53 vanaf 30 oktober 2020 en over een bedrag van € 40.000,- vanaf 28 juni 2018, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 339 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.K. Spros, voorzitter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

mr. B.A. Sturm, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH2R018054 (onderzoek STORK), van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 707).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 500 en 501; brief gemeente Den Haag aan [bedrijfsnaam 1] . inhoudende een vergunningverlening, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen vergunningen Volvo Ocean Race, p. 45; verklarende woordenlijst, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen Scheepvaartongeval, p. 275.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 5] , p. 471-474.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] , p. 475-477; proces-verbaal verhoor van getuige [naam 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 mei 2020, afzonderlijk opgenomen in het dossier.

5 Proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), p. 80 en 81.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] (6 augustus 2018), p. 491-495; proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] (3 juni 2019), p. 613-615.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] (met bijlage), p. 508-512.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] (met bijlagen), p. 294-298.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] (met bijlagen), p. 301-303.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] , p. 312-315.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , p. 306-307.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] , p. 309-310.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (met bijlage), p. 320-330.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (met bijlage), p. 383-389.

15 Schouwverslag [naam 3] (gemeentelijk lijkschouwer), p. 504 en 505.

16 Geneeskundige verklaring inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 2] , opgemaakt op 4 juli 2018, p. 522.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.

18 De afzonderlijk in het dossier gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] d.d. 30 oktober 2020.

19 Geneeskundige verklaring inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 3] , opgemaakt op 6 augustus 2018, p. 530.

20 Een afzonderlijk in het dossier gevoegd e-mailbericht d.d. 14 oktober 2020 van [slachtoffer 3] .

21 De tube is een flexibele opblaasbare buis die is geconstrueerd op het gangboord van een solide, gevormde romp. De tube zorgt voor behoud van het drijfvermogen (zie dossierpagina p. 275).

22 Proces-verbaal Expert Team Visualisatie en Reconstructie (met bijlagen), p. 99-203, meer specifiek p. 111, 112 en 114. Foto’s bijgevoegd op p. 164-193; proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval, p. 212.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 550-557.

24 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 november 2020.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] , p. 573-582; proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] , p. 583-590.

26 Plané: door de speciale rompvorm kan een schip bij opgevoerde snelheid in plané gaan, planeren. Het schip verplaatst veel minder water en glijdt er praktisch over, waardoor hoge snelheden bereikt kunnen worden (https://www.encyclo.nl/begrip/Plan%C3%A9).

27 ECLI:NL:HR:2018:2338.