Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:13009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
09/994502-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bootongeval Volvo Ocean Race. Veroordeling voor dood door schuld en zwaar lichamelijk letsel door schuld (feit 1)

en schuld aan de aanvaring met levensgevaar voor opvarenden, terwijl één opvarende is overleden (feit 2).

Oplegging van een taakstraf van 100 uren en veroordeling tot schadevergoeding aan slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/994502-19

Datum uitspraak: 18 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

[geboortedatum] 1956 [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 en 20 november 2020 (inhoudelijke behandeling) en 4 december 2020 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Kubicz en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden mr. F.G.L. van Ardenne en mr. P.A. den Haan (hierna telkens aangeduid als: de verdediging) naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage), althans in Nederland roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld, door als schipper van een schip (motorboot, merk Axopar), met dat schip te varen op het voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande vaarwater, te weten de Nieuwe Buitenhaven van Scheveningen en tijdens dat varen

- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de aldaar geldende maximumsnelheid van 7 km/uur en/of aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid in die Nieuwe Buitenhaven van (onder meer) zes, althans een aantal schepen, te weten RHIB’s die daar voeren en/of daar in die Nieuwe Buitenhaven rondjes draaiden zonder de zee op te varen en/of;

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur, althans met (zeer) hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid, in die Nieuwe Buitenhaven heeft gevaren in de richting van het zeegat en/of;

- ( met zeer hoge snelheid) het voor hem varende schip (RHIB) aan stuurboord is opgelopen en/of;
- zich onvoldoende ervan vergewist heeft dat het oplopen van die RHIB veilig kon geschieden en/of;

- ( tijdens dat oplopen) onvoldoende uitkijk gehouden op het vaarwater om hem heen en/of;

- niet (tijdig) zijn snelheid heeft geminderd en/of niet tijdig afdoende is uitgeweken toen een links voor hem varend schip (RHIB), rechts afsloeg (om een rondje te voltooien) en/of;

- niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap en/of door omstandigheden waarin de Axopar zich bevond waren geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of;

- ( met een onverminderde vaart) tegen dat voor hem varend schip (RHIB) aan is gevaren en/of aan is gebotst en/of die RHIB overgevaren;

A.

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat een opvarende van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 1] , is overleden

en/of;

B

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat één of meerdere opvarende(n) van die RHIB, te weten, de heer [slachtoffer 2] en/of de heer [slachtoffer 3] en/of de heer [medeverdachte] zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde slachtoffers was ontstaan, te weten:

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 2] ) (onder meer) schedelbasisfracturen en/of meerdere hersenbloedingen en/of een gebroken bekken en/of een blaasfractuur en/of een afgescheurde urinebuis en/of een gebroken arm en/of;

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 3] ) (onder meer) meerdere ribfracturen en/of een klaplong en/of een hersenschudding en/of;

- ( ten aanzien van die [medeverdachte] ) (onder meer) beschadigde duimpezen en/of zenuwen en/of duimspier heeft opgelopen,

2.

hij op of omstreeks 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage), althans in Nederland als schipper van een schip (motorboot, merk Axopar), zich tijdens het varen met dat schip zodanig heeft gedragen dat het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat die motorboot “Axopar” in aanvaring is gekomen met een ander schip, te weten een RHIB welke werd bestuurd door [medeverdachte] , waardoor die RHIB is gezonken en/of gestrand en/of verongelukt en/of vernield en/of onbruikbaar gemaakt en/of beschadigd, immers heeft/is verdachte toen aanmerkelijk en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig

- zijn snelheid niet aangepast aan de aldaar geldende maximumsnelheid van 7 km/uur en/of aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid in die Nieuwe Buitenhaven van (onder meer) zes, althans een aantal schepen, te weten RHIB’s die daar voeren en/of daar in die Nieuwe Buitenhaven rondjes draaiden zonder de zee op te varen en/of;

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur, althans met (zeer) hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid in die Nieuwe Buitenhaven gevaren in de richting van het zeegat en/of;

- ( met zeer hoge snelheid) het voor hem varende schip (RHIB) aan stuurboord opgelopen en/of;

- zich er onvoldoende van vergewist dat het oplopen van die RHIB veilig kon geschieden en/of;

- ( tijdens dat oplopen) onvoldoende uitkijk gehouden op het vaarwater om hem heen en/of;

- niet (tijdig) zijn snelheid geminderd en/of niet tijdig afdoende uitgeweken toen een links voor hem varend schip (RHIB) rechts afsloeg (om een rondje te voltooien) en/of;

- niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap en/of door omstandigheden waarin de Axopar zich bevond waren geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of;

- ( met een onverminderde vaart) tegen dat voor hem varende schip (RHIB) aan gevaren en/of aan gebotst en/of heeft hij die RHIB overvaren;

waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van die RHIB, te weten de heer

[slachtoffer 1] en/of de heer [slachtoffer 2] en/of de heer [slachtoffer 3] en/of mevrouw [slachtoffer 4] en/of de heer [slachtoffer 5] , en/of de heer [medeverdachte] ,

terwijl het de dood van opvarende die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juni 2018 te Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage), althans in Nederland als schipper van een schip (motorboot, merk Axopar), met dat schip heeft gevaren op een voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande vaarwater, te weten de Nieuwe Buitenhaven van Scheveningen, en tijdens dit varen niet heeft voldaan aan de verplichting om, ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften als bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement, alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het door hem bestuurde schip zich bevindt zijn geboden teneinde (met name) te voorkomen het leven van personen in gevaar wordt gebracht, en/of schade wordt veroorzaakt aan andere schepen die zich in de vaarweg daarvan bevinden en/of de veiligheid en/of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht,

immers heeft/is hij, verdachte,

- zijn snelheid niet aangepast aan de aldaar geldende maximumsnelheid van 7 km/uur en/of aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid in die Nieuwe Buitenhaven van (onder meer) zes, althans een aantal schepen , te weten RHIB’s die daar voeren en/of daar in die Nieuwe Buitenhaven rondjes draaiden zonder de zee op te varen en/of;

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur, althans met (zeer) hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid in die Nieuwe Buitenhaven gevaren in de richting van het zeegat en/of;

- ( met zeer hoge snelheid) het voor hem varende schip (RHIB) aan stuurboord opgelopen en/of;

- zich onvoldoende ervan vergewist heeft dat het oplopen van die RHIB veilig kon geschieden en/of;

- ( tijdens dat oplopen) onvoldoende uitkijk gehouden op het vaarwater om hem heen en/of;

- niet (tijdig) zijn snelheid geminderd en/of niet tijdig afdoende uitgeweken toen een links voor hem varend schip (RHIB), rechts afsloeg (om een rondje te voltooien) en/of;

- ( met een onverminderde vaart) tegen dat voor hem varende schip (RHIB) aan gevaren en/of aan gebotst en/of heef hij die RHIB overvaren;

waarbij de levens van de opvarenden van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 1] en/of de heer [slachtoffer 2] en/of de heer [slachtoffer 3] en/of mevrouw [slachtoffer 4] en/of de heer [slachtoffer 5] en/of de heer [medeverdachte] in gevaar werd(en) gebracht en/of waarbij schade aan de RHIB werd veroorzaakt en/of de veiligheid van de scheepvaart in gevaar werd gebracht.

3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is (samengevat) het volgende aangevoerd.

Schending van het verbod op willekeur

De vervolging van de verdachte is willekeurig, onjuist en voldoet niet aan de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht. Er zijn ten minste vier partijen (te weten: gemeente Den Haag en de bedrijven [bedrijfsnaam 1] , [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] ) die ook betrokkenheid hebben gehad bij het ongeval, zodat het openbaar ministerie op zijn minst had moeten onderzoeken of zij strafrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

Bemoeilijken tegenonderzoek

Het recht van de verdediging op het kunnen uitvoeren van een deugdelijk contra-onderzoek is door de officier van justitie ernstig bemoeilijkt. De verdediging heeft op 9 juli 2019 (en bij herhaald verzoek op 13 september 2019) verzocht de betrokken RHIB te kunnen onderzoeken in het kader van een uit te voeren contra-onderzoek. De officier van justitie antwoordde dat die RHIB al was teruggeven aan de beslagene en dat een nader onderzoek aan de RHIB - voor zover nog in gebruik bij beslagene en onderzoek überhaupt nog mogelijk is - in haar visie niet kan bijdragen aan de beoordeling van onderhavige zaak. Tijdens een regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris werd afgesproken dat de officier van justitie de eigenaar van de RHIB moest vragen of hij toestemming gaf voor het uitvoeren van een contra-onderzoek, welke toestemming uiteindelijk niet werd verkregen. Voordat het beslag werd opgeheven, had de verdediging de ruimte moeten worden geboden om eigen onderzoek te laten plaatsvinden. Nu het openbaar ministerie dit onmogelijk heeft gemaakt, is sprake van schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Deze gang van zaken levert een onherstelbaar vormverzuim op in het voorbereidend onderzoek. De schending op zichzelf zou al tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie moeten leiden, maar in ieder geval moet tot dat oordeel worden gekomen in combinatie met de schending van het verbod op willekeur.

3.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe is (samengevat) het volgende aangevoerd.

Schending verbod op willekeur

Uit het feit dat de verdachte en [medeverdachte] (verdachte in de zaak met parketnummer 09/994501-19) wel zijn vervolgd en een aantal andere (rechts)personen niet, blijkt al dat geen sprake is van willekeur. Bovendien verkeerden die (rechts)personen niet in een sterk vergelijkbare positie met die van de wel vervolgde verdachten. Ten slotte is het openbaar ministerie uit onderzoek gebleken dat tussen de betrokkenheid van die (rechts)personen en de aanvaring, het letsel van twee opvarenden en de dood van één opvarende onvoldoende oorzakelijk verband bestaat om tot een redelijk vermoeden van schuld te komen.

Bemoeilijken tegenonderzoek

De RHIB was op 9 juli 2019 al teruggegeven aan de beslagene en de boot bevond zich niet meer in de staat zoals deze was ten tijde van het ongeval of direct erna. De rechter-commissaris heeft geen bevel gegeven om onderzoek aan de RHIB aan de verdediging toe te staan. Dat de eigenaar van de RHIB geen vrijwillige medewerking wilde verlenen, valt het openbaar ministerie niet te verwijten. Ten slotte heeft de verdediging alle gegevens/data die de politie heeft gebruikt bij hun onderzoek aan de RHIB ontvangen. Van het bemoeilijken van tegenonderzoek is dus geen sprake geweest.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de gestelde schending van het verbod op willekeur

Voorop staat dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een

niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Met betrekking tot het verbod op willekeur geldt dat sprake moet zijn van de situatie dat de vervolging wordt ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod op willekeur.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen waardoor in de zaak tegen de verdachte had moeten worden afgezien van (verdere) vervolging. De verdachte was schipper van zijn motorboot (Axopar) die in aanvaring kwam met een RHIB (bestuurd door [medeverdachte] , die eveneens strafrechtelijk wordt vervolgd) en was direct betrokken bij de aanvaring. Dat geldt niet voor de gemeente Den Haag en de rechtspersonen [bedrijfsnaam 1] , [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] . Dat zij verantwoordelijk waren voor (een deel van) de organisatie van de Volvo Ocean Race (VOR) betekent niet dat hen een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het staat het openbaar ministerie vrij om zelfstandig te beslissen omtrent de vervolging van de genoemde rechtspersonen. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Met betrekking tot het gestelde bemoeilijken van tegenonderzoek

Vooropgesteld moet worden dat een zo ver gaande sanctie als de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting (voor zover hier van belang) het volgende vast.

  1. De bij het ongeval betrokken RHIB is op 28 juni 2018 (de dag van het ongeval) in beslag genomen en op 22 augustus 2018 weer aan de beslagene teruggegeven.

  2. Op 17 november 2018 is door onderzoekers van de politie een proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval opgemaakt, waarin onder meer het onderzoek naar de vermoedelijke toedracht van het ongeval is beschreven. Dat proces-verbaal is op 20 december 2018 aan de verdediging verstrekt.

  3. Op 14 juni 2019 is aan de verdediging bericht dat het openbaar ministerie heeft besloten de verdachte te dagvaarden en dat onderzoekswensen aan het openbaar ministerie kunnen worden opgegeven.

  4. De verdediging heeft vervolgens op 9 juli 2019 (en bij herhaald verzoek van 13 september 2019) aan de officier van justitie verzocht om het mogelijk maken van een onderzoek door zelf aangezochte onderzoekers van de bij het ongeval betrokken RHIB om de resultaten van het politieonderzoek te controleren.

  5. De officier van justitie heeft daarop (samengevat) geantwoord dat de RHIB na afronding van het onderzoek door de politie is teruggegeven aan de beslagene en dat zij de meerwaarde van een onderzoek niet meteen aanwezig achtte, omdat ten tijde van het politieonderzoek geen proefvaart meer kon worden uitgevoerd met de RHIB en het zeer onwaarschijnlijk is dat die RHIB op dat moment zich nog in dezelfde status bevindt als ten tijde van het ongeval of direct erna.

  6. Op 24 januari 2020 is door de verdediging een conceptrapport verstrekt van door de verdediging aangezochte onderzoekers ‘ [naam onderzoeker] Ongevallenanalyse’ (hierna: [naam onderzoeker] ), die meerdere onderzoeken hebben gedaan met betrekking tot het ongeval.

  7. Op 19 februari 2020 heeft een regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris plaatsgevonden ter bespreking van eventuele onderzoekswensen, waarbij aan de officier van justitie is verzocht de eigenaar van de RHIB te vragen of hij toestemming geeft om zijn RHIB door de onderzoekers van de verdediging te laten onderzoeken.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging geen verzoek heeft ingediend om tegenonderzoek te laten verrichten door een daartoe door de rechtbank te benoemen deskundige. De verdediging heeft eigenstandig [naam onderzoeker] benaderd en gevraagd om onderzoek te verrichten en te rapporteren naar aanleiding van door de verdediging opgestelde vragen. Ten behoeve van dat onderzoek had de verdediging de beschikking willen hebben over de RHIB. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee echter geen sprake van een tegenonderzoek in de zin van de wet.

Er bestaat er geen wettelijke plicht voor het openbaar ministerie om vóór teruggave van in beslaggenomen goederen, in dit geval de RHIB, eerst contact op te nemen met de verdediging in het kader van de mogelijkheid om zelf onderzoek te kunnen (laten) doen.

Tijdens de regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris werd besloten dat de officier van justitie bij de eigenaar van de RHIB navraag moest doen of hij toestemming gaf voor het uitvoeren van onderzoek aan de RHIB door de verdediging, die daarvoor zelf onderzoekers had aangezocht. De rechter-commissaris heeft geen bevel gegeven tot nader onderzoek aan de RHIB. Dat uiteindelijk geen toestemming werd verkregen voor het verrichten van onderzoek aan de RHIB, kan het openbaar ministerie niet worden verweten.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van het bemoeilijken van het door de verdediging eigenstandig geïnitieerde onderzoek naar de toedracht van het ongeval door de officier van justitie, geen sprake is geweest. Ook is niet op een andere manier aannemelijk geworden dat door of vanwege het handelen van het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard. Daartoe is het volgende aangevoerd (kort samengevat).

De verdachte voer op 28 juni 2018 met zijn motorboot (Axopar) in de Nieuwe Buitenhaven. Hij voer met zeer hoge snelheid van ongeveer 66 km/u richting het zeegat en liep de voor hem varende RHIB van [medeverdachte] , die langzamer voer, aan stuurboordzijde op. Tijdens dat oplopen hield de verdachte niet steeds zicht op die RHIB. Toen de voor hem varende RHIB een beweging naar rechts inzette, leidde dat niet tot vermindering van snelheid of koerswijziging van de Axopar. Vervolgens is de Axopar aan stuurboord-achterzijde tegen de RHIB gevaren, waardoor schade is ontstaan aan de RHIB, waardoor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden.

Omdat de verdachte een ervaren schipper is, kunnen aan hem hogere zorgvuldigheidseisen worden gesteld. Hij had zich bewust moeten zijn dat hij met zijn Axopar veel meer schade aan de in de Nieuwe Buitenhaven aanwezige RHIB’s en de opvarenden kon toebrengen dan andersom. De verdachte had zich hier, conform goed zeemanschap, tijdens het varen extra rekenschap van moeten geven. Hij had voortdurend alert moeten zijn en bedachtzaam moeten handelen bij het oplopen van de RHIB voor hem, zeker nu hij die RHIB (in uitzondering op de hoofdregel) aan stuurboordzijde wilde oplopen. Door niet steeds zicht te houden op de RHIB heeft de verdachte niet alert geregeerd/kunnen reageren op de snelheidsvermindering van die RHIB en de daarop volgende koerswijziging naar rechts. Door zijn hoge snelheid kon de verdachte de RHIB niet meer ontwijken.

Hiermee heeft de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. De verdachte heeft niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap geboden waren om levensgevaar voor personen te voorkomen. Tussen zijn handelen en de ontstane gevolgen bestaat oorzakelijk verband.

Het voorgaande handelen levert dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld op (feit 1) en schuld aan een aanvaring waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van de RHIB, terwijl die aanvaring de dood van [slachtoffer 1] als gevolg heeft gehad (feit 2, primair).

Van roekeloos vaargedrag bij de verdachte was geen sprake. Voorts is het letsel van [medeverdachte] niet het gevolg geweest van de aanvaring. Van deze onderdelen moet de verdachte onder de feiten 1 en 2 worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende aangevoerd (kort samengevat).

De verdachte voer met zijn boot (Axopar) richting open zee en het versnellen bij het uitvaren van de Nieuwe Buitenhaven is volstrekt gebruikelijk, wat daarom ook door het bevoegd gezag wordt gedoogd. Op het moment dat de verdachte snelheid maakte, voer de RHIB links voor hem. Zij voeren nagenoeg even hard, dus van oplopen van de RHIB door de verdachte was geen sprake. De verdachte was niet van plan de RHIB aan stuurboordzijde in te halen. Dat blijkt ook uit de rapporten van [naam onderzoeker] : zonder de stuurbeweging van de RHIB waren beide vaartuigen zonder hinder de haven uit en de zee op gevaren. Als al kan worden gesproken van oplopen, had [medeverdachte] volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) de plicht dat voor de verdachte te vergemakkelijken.

De aanvaring zou niet hebben plaatsgevonden als [medeverdachte] goed achterom had gekeken, zoals een goed zeeman betaamt en waartoe hij ook verplicht was, en geen plotselinge koerswijziging had ingezet die de koers van de Axopar had doorkruist. De verdachte had nooit hoeven te verwachten dat de RHIB op die plek in de Nieuwe Buitenhaven een wending naar stuurboord zou maken. De verdachte heeft daarop zo snel als mogelijk gereageerd, maar hij kon de RHIB niet meer ontwijken.

De verdachte heeft niet aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Hij voer weliswaar harder dan toegestaan, maar dat werd enerzijds gedoogd en anderzijds moet je je als schipper aanpassen aan de weers- en wateromstandigheden. Zijn snelheid was bovendien niet de oorzaak van het ongeval. De verdachte heeft de plotselinge stuurbeweging van de RHIB, en daarmee het ongeval, niet kunnen voorzien en vermijden.

Tussen het handelen van de verdachte en de gevolgen van het ongeval bestaat geen causaal verband. De Axopar en de RHIB hadden voldoende onderlinge afstand en de verdachte had de RHIB nooit in de Nieuwe Buitenhaven kunnen inhalen als de stuurbeweging van de RHIB niet had plaatsgevonden, zo blijkt uit de bevindingen van [naam onderzoeker] . Verder is van belang dat sprake was van een onveilig evenement, waarbij aan de gemeente Den Haag en de bedrijven [bedrijfsnaam 1] , [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] verwijten kunnen worden gemaakt, en van een onveilige RHIB.

Gelet op dit alles moet vrijspraak volgen voor de feiten 1 en 2 primair.

De verdachte heeft alle maatregelen genomen die van hem konden worden verwacht, zodat hij eveneens van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij maakte zich klaar voor de vaart naar open zee en hield continue afstand van de RHIB. Hij hield ook goed zicht op wat er om hem heen gebeurde. Door de abrupte stuurbeweging van de RHIB kon een ongeval niet worden voorkomen.

Van roekeloos handelen van de verdachte was in elk geval geen sprake, zodat hij daarvan onder feit 1 moet worden vrijgesproken. Voorts is het letsel van [medeverdachte] niet het gevolg geweest van de aanvaring, zodat de verdachte daarvan onder de feiten 1 en 2 moet worden vrijgesproken.

Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging

  1. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij de rapporten van de rapporteurs [naam onderzoeker] niet bij haar oordeel kan betrekken en die terzijde schuift, enkel omdat daarin naar het oordeel van de rechtbank de nautische aspecten onvoldoende zijn meegenomen, verzoekt de verdediging om nader onderzoek te laten verrichten door [naam onderzoeker] ofwel een andere te benoemen deskundige;

  2. Indien de rechtbank de inhoud van het e-mailbericht van opvarende [slachtoffer 5] (dat op de zitting van 20 november 2020 door de officier van justitie is voorgedragen) voor het bewijs gebruikt, verzoekt de verdediging om [slachtoffer 5] als getuige te horen. Dat verzoek geldt niet als de rechtbank van oordeel is dat [slachtoffer 5] heeft bedoeld te zeggen dat de RHIB voorbij het rode baken is gedraaid, want dat strookt met de visie van de verdediging.

Op overige specifiek gevoerde verweren zal, indien nodig, hierna worden ingegaan.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Het bewijs 1

i. De Volvo Ocean Race, de RHIB-experience en de vaarregels in de haven

Van 23 juni 2018 tot 1 juli 2018 werd de Volvo Ocean Race (hierna: VOR) gehouden in Scheveningen. De gemeente Den Haag had de organisatie van dat evenement uitbesteed aan [bedrijfsnaam 1] . Binnen de VOR werden verschillende activiteiten georganiseerd, waaronder het laten varen van RHIB-boten (rigid-hulled inflatable boat). Voor die activiteit had [bedrijfsnaam 1] het bedrijf Stichting [bedrijfsnaam 2] ( [bedrijfsnaam 2] ) ingehuurd, die op haar beurt het bedrijf [bedrijfsnaam 3] inhuurde die RHIB’s met schippers leverde.2

[naam ] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] ) heeft verklaard dat [bedrijfsnaam 2] door [bedrijfsnaam 1] werd ingehuurd voor het RHIB-varen. [bedrijfsnaam 2] was samen met [bedrijfsnaam 1] verantwoordelijk voor de zogenaamde guest experience: zij voeren tijdens de VOR gasten langs de boten van de VOR en lieten gasten ervaren hoe een RHIB vaart. Er vonden meerdere briefings plaats, waarbij de schippers werden geïnformeerd over het evenement. Op iedere dag dat er een guest experience was, werd een bijeenkomst gehouden met de schippers waarop werd besproken wat die dag wel en niet mocht en waar men die dag wel of niet mocht komen. Aan de schippers is gecommuniceerd dat stapvoets moest worden gevaren en in de Nieuwe Buitenhaven pas snelheid mocht worden gemaakt, aangepast op de weersomstandigheden. Er werd door de RHIB’s ook iets harder gevaren om de mensen te laten ervaren hoe een RHIB vaart. Dat zou in principe buiten de haven gebeuren. Op 28 juni 2018 was besloten om binnen de haven te blijven in verband met de hoogte van de golven.3

[naam 1] (directeur van [bedrijfsnaam 3] ) heeft verklaard dat [bedrijfsnaam 3] door [bedrijfsnaam 2] was ingehuurd voor het uitvoeren van RHIB-boot belevingen. [bedrijfsnaam 2] gaf de hele week opdrachten aan [bedrijfsnaam 3] en [naam 1] briefde de opdrachten van [bedrijfsnaam 2] één op één door aan zijn schippers. Vanuit [bedrijfsnaam 2] heeft [bedrijfsnaam 3] op 28 juni 2018 de opdracht gekregen om niet de zee op te gaan. Het moest een kleine, korte ervaring zijn. Eerst moest stapvoets langs de VOR-boten in de eerste buitenhaven worden gevaren en in de tweede buitenhaven (de rechtbank begrijpt, gelet op de inhoud van het dossier: de Nieuwe Buitenhaven) moesten ze de mensen een korte RHIB-beleving geven, waarbij ze één derde van de normale snelheid zouden varen, met heel nadrukkelijk de opdracht: blijf binnen de pierhoofden. Normaal varen de RHIB’s ongeveer 95 km/u. [naam 1] denkt dat de RHIB’s voor de beleving ongeveer 30 km/u voeren. Omdat het westenwind 4 was, waren er aardige golven, dus zo hadden de mensen al een aardige beleving. In de tweede buitenhaven is een actief gedoogbeleid dat je daar snelheid mag maken. Dat is algemeen bekend. Het gaat om goed zeemanschap. Als er geen deining, wind en stroming zijn, kun je daar best stapvoets varen. Bij westenwind 4 kun je niet stapvoets varen, omdat je dan water in de boot krijgt waardoor de boot door de stroming minder goed bestuurbaar is.

[naam 1] heeft aan de verdachte doorgegeven dat de opdracht was om niet de zee op te gaan.4

De Verordening Scheveningen Haven 2008 (hierna: Havenverordening) die van toepassing is op het havengebied waarin werd gevaren, verbiedt schippers de buitenhavens anders te gebruiken dan als doorvaart van en naar zee (artikel 11, eerste lid en onder a) en in de haven harder te varen van 7 km/u (artikel 11, eerste lid en onder h). Op grond van artikel 11, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor het verbod in het eerste lid en onder a.5

[naam 2] , havenmeester binnen de Scheveningse haven, heeft verklaard dat in de Scheveningse haven het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en de havenverordening Scheveningen (de rechtbank begrijpt: de hiervoor genoemde Verordening Scheveningen Haven 2008) van toepassing zijn. Het gedeelte waar het ongeval plaatsvond heet de Nieuwe Buitenhaven. Dat gedeelte wordt gebruikt voor het gereedmaken van de boten voor het vertrek naar zee of de binnenkomst in de haven. Vanaf de zee gekomen, passeer je eerst de Nieuwe Buitenhaven en kom je daarna de Oude Buitenhaven in gevaren, waarin de vaartuigen van de VOR lagen. Er was geen ontheffing verleend van het verbod om de haven anders te gebruiken dan voor doorvaart.

De maximumsnelheid in de Nieuwe Buitenhaven is 7 km/u, maar er wordt al jarenlang voor alle boten in het kader van ‘goed zeemanschap’ gedoogd dat daar met een wat verhoogde snelheid wordt gevaren. Volgens artikel 1.04 BPR moeten naar goed zeemanschap alle voorzorgsmaatregelen worden genomen teneinde te voorkomen dat mensen of boten in gevaar komen. Ook wordt gedoogd dat RHIB’s bij slecht weer een rondje in de haven varen, zonder dat ze de zee op gaan. [naam 2] wist niet dat op 28 juni 2018 was besloten dat de RHIB’s op enig moment niet meer de haven zouden verlaten, maar dat zij daar rondjes zouden varen. Als hij dat wel had geweten, dan had hij dat niet gedeeld met de schipper van de andere boot (de rechtbank begrijpt: de Axopar), omdat een beroep wordt gedaan op goed zeemanschap.6

ii. Verklaringen van opvarenden van de RHIB van [medeverdachte]

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij was uitgenodigd om mee te gaan naar een evenement ten tijde van de finish van de VOR. Hij nam [slachtoffer 3] als introducee mee. Het evenement zou onder meer bestaan uit het meevaren op een RHIB. Samen met anderen ging hij aan boord van een RHIB. Ze voeren rustig langs de VOR-boten en de schipper van de RHIB vertelde dat zij niet de haven uit zouden varen, omdat de zee iets te wild was.

Op een gegeven moment heeft [slachtoffer 2] omgekeken. Hij zag dat een boot hen rechts aan het inhalen was. Hij zag dat deze boot twee grote motoren had en dat de boot een stuk sneller voer dan zij en duidelijk op hen in liep. Zijn eerste herinnering daarna, is dat hij in het ziekenhuis in Zwolle lag. Hij heeft van anderen begrepen dat hij met zijn hoofd onder water heeft gelegen.

[slachtoffer 2] heeft ruim drie weken in het ziekenhuis in Den Haag gelegen waar ze zijn bekken, arm, blaas en schedel hebben hersteld. Vervolgens heeft hij zeven weken in een ziekenhuis in Zwolle gelegen, waar ze een deel van zijn schedel hebben teruggeplaatst en waar ze hebben gewerkt aan fysiek herstel. Na deze periode is [slachtoffer 2] drie weken opgenomen in een revalidatiecentrum, onder meer voor neurologische revalidatie.7

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij werkzaam is voor een bedrijf dat op 28 juni 2018 een klant-event had georganiseerd waarvoor diverse relaties waren uitgenodigd. Hij had [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] uitgenodigd om die dag als gast van het bedrijf mee te varen op een boot. Eén van de uitstapjes was het varen op een RHIB. Omstreeks 17.30 uur ging men naar de RHIB. Vervolgens zijn zij gaan varen. Ze zijn op een rustig tempo langs de VOR-zeilboten die daar aangemeerd lagen gevaren. Ze zijn daarna richting zee/havenhoofd gevaren. Ze zijn niet voorbij het havenhoofd geweest. De schipper voer telkens ovaaltjes. Inmiddels waren er al meerdere boten daar aan het varen. Na ongeveer drie ovalen gevaren te hebben voeren ze weer richting het havenhoofd. Ze waren al een stukje voorbij de VOR-boten toen de schipper naar rechts instuurde. Hij remde eerst netjes af en voer toen naar rechts. Vanaf dat moment weet [slachtoffer 6] alleen nog dat hij een harde klap kreeg van de rechter zijkant/achterkant. Het volgende moment lag hij in het water onder een boot. Nadat hij boven water was gekomen zag hij een persoon in het water liggen met zijn gezicht in het water. Hij heeft geprobeerd zo hard mogelijk hiernaartoe te zwemmen. Het was heel lastig zwemmen want hij had zijn kleren aan en was nog steeds gedesoriënteerd. Hij is er dus naartoe gezwommen en draaide hem om. Hij zag toen dat het [slachtoffer 2] was. Hij zag dat hij niet ademde en heeft met man en macht geprobeerd diens hoofd boven water te houden. [slachtoffer 6] zag dat [slachtoffer 2] bloed rond zijn mond of neus had. [slachtoffer 2] is even later op een boot getild. [slachtoffer 6] zag dat [slachtoffer 2] ook diverse snijwonden op zijn rug en linkerzijde had. Hij zag de man die achter hem in de boot had gezeten ook in het water liggen. [slachtoffer 6] is naar een boot vlakbij gezwommen en daar de boot in gehesen.8

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij zelf een ervaren zeiler is en dat hij op 28 juni 2018 was uitgenodigd voor een evenement en dat zij zijn gaan varen op een RHIB. Hij was samen met [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] . Zij voeren op enig moment vanuit de eerste haven naar de buitenhaven. Daar op die buitenhaven mochten de boten harder varen. Zo hebben zij daar een aantal rondes gevaren tussen de pierarmen. Zij zijn niet op open zee geweest, omdat de zee te onstuimig zou zijn.

De laatste keer voeren ze weer richting open zee en draaide de schipper vlak voor het einde van de pier weer naar rechts. Hij zag en voelde dat zij een scherpe bocht naar rechts maakten en op het moment dat zij naar rechts draaiden, zag hij vanuit zijn ooghoek dat er rechts van hem een boot aan kwam gevaren die recht op hen af kwam. De [slachtoffer 7] denkt dat dit schip toen twee tot vier meter bij hem vandaan was. Het enige dat hij van dit schip zag was de boeg. Naar schatting van [slachtoffer 7] ging de boot waar hij op zat ongeveer 20 tot 30 km/u voordat hij naar rechts stuurde. Het schip dat uiteindelijk over hen heen voer had hij nog niet eerder gezien. Omdat het schip hen eerder niet had ingehaald, vermoedt [slachtoffer 7] dat dit schip ook met hoge snelheid voer en dicht op hen gevaren heeft. Meteen nadat [slachtoffer 7] de boeg van dit schip zag, zag en voelde hij dat het schip over de achterzijde van hun boot voer, vlak achter hem langs. Het eerste wat [slachtoffer 7] daarna zag, was dat het achter hem leeg was. De metalen staanders van de twee rijen achter hem waren plat. Achter hem waren ook geen mensen meer. Hij zag vervolgens drie mensen in het water liggen, waarna hij [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) op de vloer van hun boot zag liggen. Hij bloedde uit zijn neus en er kwam een gorgelend geluid uit zijn neus.

Hij bemerkte later dat [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] , de schipper, [slachtoffer 1] en hijzelf nog op de boot aanwezig waren. Dus [slachtoffer 6] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 6] ) lag in het water, samen met de twee mensen die achterin hadden gestaan.9

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 2] op een RHIB-boot ging. Hij was met [slachtoffer 2] mee. Hen was gezegd dat zij in de haven zouden blijven. Zij hebben een kwartier op en neer gevaren. Ze voeren binnen de haven tussen het deel waar je naar buiten vaart en waar ook de wedstrijdboten liggen waar de havenhoofden zijn. In zijn ooghoek zag hij opeens een andere boot. Het ging zo snel en voor zijn gevoel lag hij meteen in het water. Hij was in paniek omdat je toch hoog moet klimmen maar er geen kracht in hem was om de boot in te klimmen. Hij werd voor in een boot gezet.

Hij is vervoerd naar het ziekenhuis, waar werd geconstateerd dat hij een ingeklapte rechter long en drie gebroken ribben en schaafwonden had.10

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij op 28 juni 2018 met haar man [slachtoffer 5] aan boord was gestapt van een zogeheten RHIB-boot. Haar man en zij zijn voorin de boot gaan zitten. Achter de schipper stonden nog vijf mensen aan boord die zich aan beugels vasthielden. Zij zijn ongeveer vier keer heen en weer gevaren tussen de haven en de kom die uitkomt op de zee. Toen zij weer richting zee voeren, tussen de havenhoofden, maakte de schipper een bocht naar rechts en hoorde zij een klap. Toen ze achterom keek zag ze, behalve de schipper, nog maar twee andere personen aan boord van hun boot. Drie andere personen lagen in het water. Zij zag dat een man die nog aan boord lag zwaar gewond was. Zij heeft niet gezien welke boot hen raakte, maar ze zag wel een zwarte boot met de neus in de richting van de basaltblokken. De slachtoffers lagen ook vlakbij deze zwarte boot.11

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij was uitgenodigd om te varen met RHIB’s. Ze gingen met de RHIB vanuit de haven richting zee. Vlak voor ze bij de zee waren ging de RHIB naar rechts. Dit had de stuurman al eerder gedaan, maar deze keer werd de RHIB overvaren door een andere boot. [slachtoffer 5] keek voor de aanvaring naar voren en filmde alles, zodat hij de andere boot niet zag aankomen.12

iii. Verklaringen van twee schippers op een RHIB die getuige waren van de aanvaring

[getuige 1] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 3] ) heeft verklaard dat hij op 28 juni 2018 schipper was op een RHIB en getuige was van de aanvaring. De RHIB van de verdachte voer rechts voor hem in de midden flank op een afstand van ongeveer 25 meter. [getuige 1] zelf voer ongeveer 35 km/u en de boot die werd aangevaren voer ongeveer dezelfde snelheid. [getuige 1] zag dat de RHIB van de verdachte van rechtsachter werd aangevaren door een andere boot. Hij zag dat daardoor drie mensen overboord vielen. [getuige 1] zou nooit op die plek inhalen.13

J.W.J. [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2018 schipper was op een boot, die achter twee RHIB’s (de rechtbank begrijpt, gelet op de inhoud van het dossier: de RHIB van de verdachte en de RHIB van [getuige 1] ) en een zwarte aluminium boot aan voer. De afstand was tussen de 50 en 100 meter en de snelheid ongeveer 35 km/u. De twee RHIB’s voeren voor de aluminium boot. Net voorbij de ligplaats van de VOR-boten gaf de aluminium boot vol gas. [getuige 2] schat dat de snelheid van de aluminium boot wel opliep tot ongeveer 70 km/u. De boot liep in ieder snel op hem uit. Hij zag dat de zwarte boot de twee RHIB’s aan de rechterzijde wilde inhalen. De meest rechter RHIB maakte een bocht naar rechts en de aluminium boot botste vervolgens tegen de zijkant van deze RHIB aan. [getuige 2] zag dat de punt van de zwarte boot over het dek van de RHIB kwam. Hij zag dat hierdoor de twee achterste banken van de RHIB werden geraakt, waardoor drie mensen te water raakten.14

iv. Slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Uit het schouwverslag van [naam 3] (gemeentelijk lijkschouwer) van 28 juni 2018 blijkt dat [slachtoffer 1] door de aanvaring hoogstwaarschijnlijk inwendige bloedingen en een fractuur van de luchtpijp heeft opgelopen, wat verstikking tot gevolg heeft gehad. [naam 3] concludeert dat sprake is van een niet natuurlijk overlijden als gevolg van een hoog energetische impact.15

Uit een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] blijkt dat bij hem op 28 juni 2018 is geconstateerd dat hij een diepe wond rechts in de buik, een breuk van de linker onderarm en een wond op het voorhoofd had. Ook vermeldt de arts dat het schedeldak is gelift vanwege hersenbloedingen, dat het bekken meerdere ernstige breuken bevat waarvoor [slachtoffer 2] is geopereerd, dat hij veel ribbreuken heeft en blaasletsel heeft. Ten slotte vermeldt de arts dat de geschatte duur van genezing jaren is.16

Tijdens een gesprek met de echtgenote van [slachtoffer 2] op 29 juni 2018 deelde zij de politie mee dat zij van de arts gehoord had dat de situatie van haar man zeer kritiek en onstabiel is. Het letsel van haar man bestaat uit schedelbasisfracturen aan de rechterzijde van zijn hoofd, gebroken ribben rechts, een gebroken bekken, een blaasfractuur, een afgescheurde buis van nier naar blaas en een gebroken arm.17

Uit de in het dossier gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat hij niet meer kan werken, dat hij nog altijd aan het revalideren is en dat hij als gevolg van het hersenletsel nog iedere dag wordt geconfronteerd met zijn fysieke en mentale beperkingen.18

Uit een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3] blijkt dat bij hem op 28 juni 2018 is geconstateerd dat hij meerdere ribfracturen, een klaplong, een wond op het rechter scheenbeen en een hersenschudding had. Ten slotte vermeldt de arts dat de geschatte duur van genezing zes tot acht weken is.19

[slachtoffer 3] heeft in aanvulling op deze gegevens laten weten dat hij tot februari 2019 slechts parttime heeft kunnen werken als gevolg van het langdurige herstel van zijn letsel en dat hij vanaf februari 2019 weer fulltime kon werken.20

v. Schade aan de RHIB van [medeverdachte]

De politie heeft de RHIB onderzocht. De RHIB heeft een open kuip. Uit dit onderzoek is gebleken dat deze RHIB als gevolg van het ongeval krassporen, beschadigingen en afzettingen van materialen van een ander object of vaartuig had. Er is (onder meer) sprake van:

  • -

    beschadiging van de kap van de buitenboordmotor, welke kap is gescheurd (spoor 1);

  • -

    beschadiging van de tube21 aan stuurboord-achterzijde (spoor 7);

- verbuiging van de achterste sta-steun naar achteren en naar bakboord (spoor 8).

Foto’s van de schade aan de RHIB zijn in het dossier gevoegd. Ook zijn foto’s van de schade aan de Axopar in het dossier gevoegd.22

vi. Onderzoek door de politie naar de snelheid van de Axopar

De politie heeft onderzoek gedaan naar de GPS-gegevens van de bij het ongeval betrokken boten. Met betrekking tot de boot van de verdachte (de Axopar) is uit dit onderzoek gebleken dat deze aanvankelijk 11 km/u voer, dat die snelheid in een tijdsbestek van 47 seconden is opgevoerd naar 66 km/u en dat de snelheid daarna binnen enkele seconden sterk afnam. Gelet op dit snelheidsverloop wordt aannemelijk geacht dat de snelheid van de Axopar ten tijde van de aanvaring ook 66 km/u was.23

vii. Verklaring van [medeverdachte]

heeft verklaard dat hij op 28 juni 2018 met drie groepen op de RHIB had gevaren. Tijdens de laatste rit/vaart heeft hij een groep van zeven mensen op zijn RHIB rondgevaren. [medeverdachte] mocht met deze laatste groep niet de zee op, omdat de golfslag te hoog was. Hij was al meerdere keren met de groep naar de uitmonding van de haven gevaren en net voordat je bij de zee komt was hij dan uitgeweken naar rechts. Net voor hij bij de havenmond kwam liet hij de mensen aan boord ervaren hoe de deining van het water voelt. Hij liet dan de boot accelereren naar 30 tot 35 km/u en net voordat hij naar stuurboord stuurde, haalde hij het gas eraf en stuurde dan naar rechts. Net voordat alles gebeurde keek hij links en rechts van hem of er boten in zijn nabijheid waren en maakte een stuurbeweging naar rechts. Hij had rondom goed zicht en zag op dat moment geen andere boten. Hij maakte een stuurbeweging naar rechts. Op dat moment hoorde hij ineens veel water. Toen hij in de richting van het geluid keek, zag hij een grote romp van een boot direct op hem af komen. Die romp bevond zich op een afstand van maximaal 10 meter. Hij zag de punt en de onderkant van de boot. Zijn eerste reactie was gas geven om weg te komen van de romp om een aanvaring te voorkomen. Daarna werd hij geraakt door een boot. De punt en de helft van die boot gleden over zijn boot. Het verbaasde de verdachte dat hij aan stuurboordzijde werd ingehaald. Hij voer ook al rechts van de baai, zodat er links ruimte was waar hij kon worden ingehaald. De boot waardoor [medeverdachte] werd aangevaren had hij eerder niet gezien, ook niet rechts van hem toen hij zelf accelereerde naar 30 tot 35 km/u. Na de aanvaring zag hij dat de boot 20 meter verderop dreef.24

viii. Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 28 juni 2018 samen met twee andere personen op zijn motorboot (de Axopar) voer en dat hij vanuit de kajuit van die boot rondom goed zicht had. Nadat hij de VOR-boten in de Oude Buitenhaven was gepasseerd, heeft hij de gashendel naar voren geduwd om snelheid te maken, waardoor de snelheid geleidelijk opliep. In de Oude Buitenhaven zag de verdachte dat een RHIB aan bakboordzijde voor hem voer. De verdachte voer aan stuurboordwal, schuin achter de RHIB. Hij voer meer stuurboordwal dan de RHIB, die meer links voor hem voer. De verdachte voer in de richting van de zee. Op enig moment keek de verdachte naar voren, naar achteren en opzij. Toen hij daarna weer voor zich keek, zag hij dat de RHIB net op dat moment een bocht maakte. Volgens de verdachte moet de RHIB tijdens het door hem, verdachte, scannen van de omgeving - wat volgens de verdachte 3 of 4 seconden heeft geduurd - afgeremd zijn. De verdachte reageerde onmiddellijk door zijn boot in zijn achteruit te zetten en de schroef uit te zetten. Op dat moment was de RHIB nog ongeveer 20 meter voor hem. Om een aanvaring definitief te voorkomen was die afstand te kort. Hij was machteloos en daarna ontstond de aanvaring. De verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor de aanvaring niet heeft gekeken op de apparatuur in de kajuit met welke snelheid hij precies voer.25

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de RHIB aanvankelijk, toen hij nog in de Oude Buitenhaven voer en net de VOR boten was gepasseerd, op een afstand van ongeveer 150 meter voor hem voer. Daarna liep hij in op die RHIB, omdat de afstand tussen de RHIB en zijn boot kleiner werd. Tevens heeft de verdachte verklaard dat voordat hij het doorhad, zijn boot bij de aanvaring schoof over de achterzijde van de RHIB. De verdachte heeft verklaard dat volgens hem in het beginstuk van de haven 6 knopen (rechtbank: ongeveer 11 km/u) mag worden gevaren, in het tweede deel van de haven 12 knopen (rechtbank: ongeveer 22 km/u).26

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

De verdachte voer op 28 juni 2018 aan het einde van de middag (samen met twee andere personen) op zijn motorboot (Axopar). In de Oude Buitenhaven zag de verdachte dat een RHIB aan bakboordzijde voor hem voer. Op het moment dat hij vanuit de Oude Buitenhaven naar de Nieuwe Buitenhaven wilde varen richting de open zee, duwde de verdachte de gashendel naar voren om snelheid te maken. De snelheid van de Axopar liep daarna geleidelijk op en hij naderde de voor hem varende RHIB steeds meer. De verdachte voer aan stuurboordwal, schuin achter die RHIB. Toen de verdachte op enig moment achtereenvolgens naar voren, naar achteren, opzij en weer naar voren keek, zag hij dat de RHIB was afgeremd en een bocht naar rechts maakte. De RHIB bevond zich op dat moment nog ongeveer 20 meter voor hem. Hij kon een aanvaring met de RHIB, die zijn koers kruiste, niet meer voorkomen. De Axopar is daarbij over een gedeelte van de RHIB gevaren.

[slachtoffer 1] lag na de aanvaring zwaar gewond aan boord van de RHIB en overleed later aan zijn verwondingen. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] raakten door de aanvaring te water en liepen letsel op.

Schuld in de zin van de artikelen 169 en/of 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)?

De belangrijkste vraag in deze zaak is of de verdachte in strafrechtelijke zin schuld heeft aan de dood van [slachtoffer 1] en het letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en/of schuld heeft aan de aanvaring met een RHIB (bestuurd door [medeverdachte] ), waardoor levensgevaar voor de opvarenden van de RHIB is ontstaan, terwijl het de dood van [slachtoffer 1] tot gevolg heeft gehad.

Schuld in de zin van de artikelen 169 en 307/308 Sr heeft een andere betekenis dan het begrip schuld dat in het normale spraakgebruik gehanteerd wordt. Van schuld is sprake als een verdachte een bepaald gevolg (bijvoorbeeld letsel of de dood) evident niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat hij anders had kunnen en moeten handelen. Daarbij is niet elke fout die iemand maakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. Anders gezegd: er moet minimaal sprake zijn van ‘aanmerkelijke schuld’ om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit vaste rechtspraak volgt dat hierbij moet worden gekeken naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De ernst van de gevolgen is niet redengevend voor de mate van schuld.

Het handelen van de verdachte

Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij aanvankelijk op een afstand van ongeveer 150 meter achter de RHIB van [medeverdachte] voer, terwijl zij beiden in de richting van de zee voeren. De koers van de Axopar lag meer aan stuurboordwal dan de koers van de RHIB.

Op grond van de bevindingen van politie gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte zijn snelheid tot kort voor de aanvaring heeft opgevoerd naar ongeveer 66 km/u. De politie heeft die vaststelling gebaseerd op de gegevens van het GPS-systeem van de Axopar. Bij de berekening van de snelheid is vermeld dat sprake is van een indicatieve snelheid. Weliswaar is de verdediging op basis van eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat de hoogste snelheid van de Axopar ongeveer 60 km/u was, maar die berekening is gebaseerd op vaarproeven die zijn gedaan onder andere omstandigheden dan de dag van het ongeval. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van dit onderdeel van het onderzoek van de politie. De bevindingen van de politie met betrekking tot de snelheid van de Axopar worden ook ondersteund door de verklaring van [getuige 2] (schipper van een andere RHIB), die werd ingehaald door de Axopar en inschatte dat de snelheid van de Axopar opliep tot ongeveer 70 km/u, omdat de boot snel op hem uitliep.

Door ongeveer 66 km/u te varen in de Nieuwe Buitenhaven, voer de verdachte aanzienlijk sneller dan de daar geldende maximumsnelheid van 7 km/u.

Uit de verklaringen van de schippers [getuige 1] , [getuige 2] en [medeverdachte] blijkt dat de RHIB zijn snelheid tot kort voor de aanvaring opvoerde naar ongeveer 35 km/u. Doordat de snelheid van de Axopar geleidelijk aan opliep naar ongeveer 66 km/u, werd de onderlinge afstand steeds kleiner. Dat blijkt ook uit de verklaring van [getuige 2] (de schipper van een andere RHIB) waaruit blijkt dat de Axopar zoveel snelheid maakte dat [getuige 2] de indruk had dat de Axopar de RHIB aan de rechterzijde wilde inhalen.

De verdachte is een schipper met ruime ervaring op open water en met snelle boten. Van een ervaren schipper als de verdachte mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende regels en aan hem mogen hoge zorgvuldigheidseisen worden gesteld. Alleen al vanwege het handelen in strijd met de Havenverordening (de overschrijding van de maximumsnelheid), hetgeen bij de verdachte bekend was, had de verdachte extra oplettend moeten zijn in de Nieuwe Buitenhaven. Bovendien had hij extra reden tot voorzichtigheid omdat zijn snelheid hoger was dan de voor hem varende RHIB en omdat hij die RHIB vanaf achteren steeds dichter naderde vanwege zijn geleidelijk oplopende snelheid. Onder deze omstandigheden had de verdachte voortdurend alert moeten zijn en alle voorzorgsmaatregelen moeten nemen (bijvoorbeeld zijn snelheid aanpassen en voldoende afstand houden) om te kunnen reageren op onverwachte manoeuvres van de overige vaartuigen in de Nieuwe Buitenhaven.

Kort voor de aanvaring voer de verdachte met een snelheid van ongeveer 66 km/u aan stuurboordzijde van de voorliggende RHIB, terwijl de onderlinge afstand steeds kleiner geworden was. De verdachte voer met onverminderde snelheid door, kennelijk in de veronderstelling dat de RHIB net als hij naar zee zou varen. De verdachte heeft (zo verklaarde hij) zijn zicht enkele seconden afgewend van de RHIB om om zich heen te kijken, terwijl juist in die paar seconden de RHIB afremde en een manoeuvre naar rechts inzette. Op dat moment bevond de RHIB zich nog maar 20 meter voor de boot van de verdachte, hetgeen - gelet op de snelheid van de verdachte en de onderlinge posities van de vaartuigen - zo is gebleken, te weinig afstand was om, toen de RHIB de koers van de Axopar kruiste, een aanvaring te voorkomen.

Tussenconclusie

De verdachte had de aanvaring kunnen voorkomen door zijn snelheid aan te passen en voldoende afstand te houden tot de RHIB van [medeverdachte] . Dat heeft de verdachte niet gedaan, terwijl dat onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank wel geboden was.

De verweren van de verdediging op dit punt worden verworpen. Dat de gemeente Den Haag en de bedrijven [bedrijfsnaam 1] , [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] een verwijt zouden kunnen worden gemaakt omdat sprake was van een onveilig evenement, doet - indien dit al juist zou zijn - niets af aan het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt. Ook is niet gebleken dat de RHIB voorafgaand aan de aanvaring niet veilig was.

Dat de verdachte in de Nieuwe Buitenhaven niet bedacht hoefde te zijn op een abrupte stuurbeweging naar stuurboord van de RHIB, vindt zijn weerlegging in voorgaande bewijsoverwegingen. In dit verband wijst de rechtbank nog op de verklaring van [naam 2] dat, indien wel aan hem als havenmeester bekend was gemaakt dat de RHIB’s in de haven zouden blijven, die informatie niet was gedeeld met de andere schipper en een beroep was gedaan op zijn goed zeemanschap. Kortom, de verdachte moest in alle gevallen handelen in overeenstemming met de (ongeschreven) vaarregels en de eisen van goed zeemanschap en alle voorzorgsmaatregelen nemen om een ongeval als dit te voorkomen.

Om deze reden kan dan ook in het midden blijven welke koers de boten hebben gevaren, onder welke hoek de stuurbeweging van de RHIB is geweest en onder welke hoek de Axopar tegen de RHIB is aan gevaren, onderwerpen waarop uitvoerig is ingegaan in de rapporten van [naam onderzoeker] .

De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat tussen het handelen van de verdachte en de gevolgen van de aanvaring een causaal verband bestaat, zodat dat ingetreden gevolg redelijkerwijs aan het handelen van de verdachte kan worden toegerekend. Dat handelen is naar het oordeel van de rechtbank een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg (de dood van [slachtoffer 1] en het letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ).

Kwalificatie: schuld aan de gevolgen van het ongeval (feit 1) en aan de aanvaring (feit 2)

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit naar het oordeel van de rechtbank kan worden afgeleid dat de verdachte zich zo buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen, dat daardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen waarvan de verdachte zich bewust was of had moeten zijn. Daarom kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte roekeloos heeft gevaren. Daarvan zal de verdachte onder feit 1 dan ook worden vrijgesproken.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, waardoor een aanvaring is ontstaan met de RHIB van [medeverdachte] en waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] daardoor is overleden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] letsel hebben opgelopen (feit 1).

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 2] af dat hij fors letsel heeft opgelopen, dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en dat hij nog altijd aan het revalideren is en niet kan werken. Ten aanzien van [slachtoffer 3] leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat hij ernstig letsel heeft opgelopen en dat het herstel langer dan een half jaar heeft geduurd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank bij deze slachtoffers sprake van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet de aanvaring tussen de RHIB en de Axopar, maar het nadien bieden van hulp aan [slachtoffer 1] heeft geleid tot het letsel aan de duim bij [medeverdachte] . De verdachte zal dan ook van de onder feit 1 ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel door schuld ten aanzien van [medeverdachte] worden vrijgesproken.

Ten slotte is de rechtbank op grond van dezelfde bewijsmiddelen die gelden voor feit 1 ook van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen, zodat het (mede) aan zijn schuld te wijten is dat zijn motorboot in aanvaring is gekomen met de RHIB van [medeverdachte] , waardoor die RHIB werd beschadigd en waardoor levensgevaar voor de opvarenden van die RHIB ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [medeverdachte] ) is ontstaan, terwijl het de dood van opvarende [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad (feit 2 primair). Bij het ontstaan van levensgevaar voor alle opvarenden van de RHIB is hier van belang dat de verdachte met aanzienlijke snelheid met een zware motorboot gedeeltelijk over de RHIB, een open boot, is gevaren.

Eindconclusie

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de onder 1 ten laste gelegde dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld en de onder 2 primair ten laste gelegde schuld aan een aanvaring, waardoor levensgevaar voor de opvarenden van de RHIB is ontstaan, terwijl die aanvaring de dood van [slachtoffer 1] als gevolg heeft gehad, wettig en overtuigend bewezen acht, één en ander zoals hierna bewezen wordt verklaard.

Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging

Verzoek 1: de rechtbank heeft de rapporten van [naam onderzoeker] niet voor het bewijs gebruikt. Voor zover al aan de door de verdediging opgeworpen voorwaarde is voldaan, wordt dit verzoek afgewezen, nu de rechtbank zich, zoals hiervoor is gebleken, voldoende voorgelicht acht om de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv te kunnen beantwoorden.

Verzoek 2: omdat de rechtbank geen gebruik maakt van de door [slachtoffer 5] verstrekte informatie, behoeft het daarop betrekking hebbende verzoek van de verdediging geen nadere bespreking.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, door als schipper van een schip (motorboot, merk Axopar), met dat schip te varen op het voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande vaarwater, te weten de Nieuwe Buitenhaven van Scheveningen en tijdens dat varen

- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid in die Nieuwe Buitenhaven van een aantal schepen, te weten RHIB’s die daar voeren;

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur in die Nieuwe Buitenhaven heeft gevaren in de richting van het zeegat en;

- niet (tijdig) zijn snelheid heeft geminderd toen een links voor hem varend schip (RHIB), rechts afsloeg en;

- niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap en door omstandigheden waarin de Axopar zich bevond waren geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en;

- tegen dat voor hem varend schip (RHIB) aan is gevaren en aan is gebotst en die RHIB heeft overvaren;

A.

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat een opvarende van die RHIB, te weten de heer [slachtoffer 1] , is overleden

en;

B

waardoor het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat opvarenden van die RHIB, te weten, de heer [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde slachtoffers was ontstaan, te weten:

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 2] ) (onder meer) schedelbasisfracturen en meerdere hersenbloedingen en een gebroken bekken en een blaasfractuur en een afgescheurde urinebuis en een gebroken arm en;

- ( ten aanzien van die [slachtoffer 3] ) (onder meer) meerdere ribfracturen en een klaplong en een hersenschudding;

2.

hij op 28 juni 2018 in Scheveningen (gemeente ’s-Gravenhage) als schipper van een schip (motorboot, merk Axopar), zich tijdens het varen met dat schip zodanig heeft gedragen dat het (mede) aan zijn schuld te wijten is geweest dat die motorboot “Axopar” in aanvaring is gekomen met een ander schip, te weten een RHIB welke werd bestuurd door [medeverdachte] , waardoor die RHIB is beschadigd, immers heeft/is verdachte toen aanmerkelijk onoplettend

- zijn snelheid niet aangepast aan de situatie ter plaatse, waaronder de aanwezigheid in die Nieuwe Buitenhaven van een aantal schepen, te weten RHIB’s die daar voeren en;

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur in die Nieuwe Buitenhaven gevaren in de richting van het zeegat en;

- niet (tijdig) zijn snelheid geminderd toen een links voor hem varend schip (RHIB) rechts afsloeg en;

- niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap en door omstandigheden waarin de Axopar zich bevond waren geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en;

- tegen dat voor hem varende schip (RHIB) aan gevaren en aan gebotst en die RHIB overvaren;

waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van die RHIB, te weten de heer

[slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 3] en mevrouw

[slachtoffer 4] en de heer [slachtoffer 5] en de heer [medeverdachte] ,

terwijl het de dood van opvarende die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, vanwege de bepleite integrale vrijspraak, geen standpunt ingenomen met betrekking tot een op te leggen straf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het bewezenverklaarde

De verdachte is op 28 juni 2018 -tijdens het evenement Volvo Ocean Race in Scheveningen- betrokken geweest bij een aanvaring tussen de door hem bestuurde motorboot en een voor hem varende RHIB met daarop zeven passagiers. De verdachte voer met een snelheid van ongeveer 66 km/u richting de zee, terwijl hij een voor hem varende RHIB, die een stuk langzamer voer, steeds dichter naderde aan stuurboordzijde. Toen de RHIB, afremde en een stuurbeweging naar stuurboord maakte, was de afstand tussen de motorboot van de verdachte en de RHIB te weinig om nog te kunnen reageren en een aanvaring te voorkomen. De verdachte heeft onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen om tijdig te kunnen reageren op de snelheidsvermindering en stuurbeweging van de RHIB.

Als gevolg van de aanvaring is [slachtoffer 1] aan zijn verwondingen overleden. Hiermee is de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed toegebracht en zullen zij moeten leven met het plotselinge verlies van hun dierbare.

Verder hebben de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , die bij de aanvaring te water zijn geraakt, zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Tijdens het uitoefenen van het spreekrecht is namens [slachtoffer 2] indringend duidelijk gemaakt hoe zijn leven compleet en onherstelbaar is veranderd. Hij heeft fors (hersen)letsel opgelopen, is meermalen geopereerd en is, tweeëneenhalf jaar later, nog altijd aan het revalideren. Voor het ongeval had hij werkweken van 80 uur en nam hij deel aan marathons, maar na het ongeval kan zijn lichaam dat niet meer. Werken lukt niet meer en de inschatting is dat zijn herstel jaren zal gaan duren en ook dan nog niet volledig zal zijn. Ook [slachtoffer 3] heeft tijdens de uitoefening van het spreekrecht toegelicht wat de gevolgen voor hem zijn. Hij heeft ernstig letsel opgelopen en het herstel heeft maandenlang geduurd. Ook hij is nog altijd niet volledig hersteld. Voor beide slachtoffers geldt ook dat deze strafzaak een grote impact heeft gehad.

Door de aanvaring is voorts ook levensgevaar ontstaan voor de andere opvarenden van de RHIB. Uit hun verklaringen volgt dat, alhoewel zij niet lichamelijk gewond zijn geraakt, de aanvaring een gebeurtenis is die een grote indruk op hen heeft gemaakt, waarbij een van hen zich heeft moeten laten behandelen ter verwerking van het trauma.

De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte] , de schipper van de RHIB, ook schuldig is aan de aanvaring. Dat neemt de schuld van de verdachte aan de aanvaring echter niet weg. Als de verdachte zijn snelheid (eerder) had aangepast en voldoende voorzorgsmaatregelen had genomen om tijdig te kunnen reageren op een onverwachte stuurbeweging van de RHIB, had hij de aanvaring kunnen voorkomen.

Alhoewel de rechtbank begrijpt dat het nooit de bedoeling van de verdachte is geweest dat een aanvaring als deze zou plaatsvinden, met de verschrikkelijke gevolgen voor een ieder die hierbij betrokken was, neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij op deze wijze gehandeld heeft.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 9 oktober 2020 blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Er is een reclasseringsadvies over de verdachte opgemaakt van 26 maart 2020. De reclassering vermeldt in het advies dat de verdachte tijdens het gesprek met de rapporteur blijk gaf van intense inleving in het leed van de slachtoffers, waarbij hij zijn eigen leed wegcijfert. De verdachte kampt met een traumatische stress, die zijn dagelijks levens sinds het ongeval beheerst. Hij heeft traumabegeleiding en EMDR gehad. Hij keert zich naar binnen en hij ervaart veel verdriet, omdat hij niet meer de partner en vader kan zijn die hij voor het ongeval was. Verder beschrijft de reclassering dat de verdachte na het ongeval niet meer goed in staat was leiding te geven aan zijn bedrijf, zodat hij het algemeen directeurschap (eerder dan gepland) heeft overgedragen aan zijn zoon. Daardoor moet hij opnieuw invulling geven aan zijn dagelijks leven. De verdachte kent een beschermend sociaal netwerk en van problematisch middelengebruik is geen sprake.

Ten slotte concludeert de reclassering dat sprake is van een laag recidiverisico en dat interventies of toezicht niet nodig worden geacht. Omdat de verdachte worstelt met psychische klachten, het leed van de slachtoffers en de zorgen die heeft omtrent zijn naasten, zou zelf georganiseerde professionele ondersteuning daarvoor op zijn plaats zijn. Geadviseerd wordt om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Redelijke termijn

Ambtshalve heeft de rechtbank geconstateerd dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM is overschreden, aangezien ruim 28 maanden na aanvang van de redelijke termijn

- te weten het eerste verhoor als verdachte op 29 juni 2018, nadat hij op 28 juni 2018 in verzekering was gesteld - vonnis wordt gewezen. De rechtbank houdt rekening met de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging nog twee getuigen zijn gehoord op 18 mei 2020. Gelet daarop en op de beperkte overschrijding van de redelijke termijn, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt zij daaraan geen rechtsgevolgen.

De op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf moet naar het oordeel van de rechtbank voor ogen worden gehouden dat de verdachte, zoals ook eerder overwogen, nooit de bedoeling heeft gehad om een aanvaring te veroorzaken, laat staan een aanvaring met een dode en twee zwaar gewonden tot gevolg. De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ook gezien dat de verdachte zichtbaar is aangedaan door (de gevolgen van) het ongeval.

Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen reden om verschil te maken in de op te leggen straf aan de verdachte en aan de andere bij het ongeval betrokken schipper, in die zin dat aan de één een groter verwijt zou kunnen worden gemaakt dan aan de ander, waarom de één een hogere straf zou moeten krijgen dan die ander.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden is.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 788,72. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.951,74. Dit bedrag bestaat uit € 1.951,74 aan materiële schade en

€ 2.000,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 330.546,64. Dit bedrag bestaat uit € 270.546,64 aan materiële schade en € 60.000 aan immateriële schade. Daarnaast vordert [slachtoffer 2] vergoeding van € 1.482,25 aan proceskosten.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat gevorderd is deze te vermeerderen met de wettelijke rente en dat is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van de tegen de verdachte ingediende vorderingen benadeelde partij. Daarnaast heeft de officier van justitie betoogd dat de vorderingen jegens de verdachte niet zijn verjaard, gelet op het bepaalde in artikel 3:310, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 5] - [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , steeds vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van ieder van de benadeelde partijen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich - primair - op het standpunt gesteld dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd is om op de vorderingen van de benadeelde partijen te beslissen, gelet op het bepaalde in artikel 625 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het beoordelen van de vorderingen in de onderhavige strafprocedure zou ook in strijd zijn met de goede procesorde van reeds aanhangige en nog te voeren civielrechtelijke procedures, omdat eerst onderzoek plaats moet vinden naar de verdeling van aansprakelijkheid en schuld tussen verschillende bij het vaarongeluk betrokken partijen en instanties.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren omdat er, kort gezegd, ingewikkelde civiel- en verdragsrechtelijke kwesties aan de orde zijn. Om die reden moeten de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdediging heeft - meer subsidiair - betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen jegens [verdachte] verjaard zijn, gelet op het bepaalde in artikel 8:1793 BW. Nog meer subsidiair is aangevoerd dat de (eigenaar van de) RHIB - als vervoerder van de benadeelde partijen - op grond van de artikelen 8:970 en 8:974 BW aansprakelijk is voor de ontstane schade. [verdachte] heeft volgens de verdediging geen fout gemaakt die leidt tot ‘schuld van het schip’ zoals bedoeld in titel 11 van Boek 8 BW. In ieder geval is er geen grondslag voor aansprakelijkheid van [verdachte] jegens de benadeelde partijen.

Op meer specifieke standpunten ten aanzien van de verschillende schadeposten zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

8.4

Nadere toelichting benadeelde partijen

Ter terechtzitting hebben de benadeelde partijen hun vorderingen nader toegelicht of doen toelichten. Mr. Van der Kraats heeft namens [slachtoffer 2] de vordering toegelicht en daarbij onder meer naar voren gebracht dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op grond van het Wetboek van Strafvordering bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [slachtoffer 2] en dat de verjaring van de vordering jegens [verdachte] met een brief van 14 juni 2020 is gestuit.

8.5

De beoordeling van de vorderingen

8.5.1

Algemene overwegingen

Bevoegdheid van de rechtbank

Namens de verdachte is allereerst aangevoerd dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de rechtbank Rotterdam exclusief bevoegd is om kennis te nemen van civielrechtelijke vorderingen voortvloeiend uit aanvaring en schadevaring (artikel 625 Rv).

Dit verweer wordt verworpen. Hoewel bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in het strafproces het materiële burgerlijk recht van toepassing is, moet de strafrechter de vorderingen beoordelen met inachtneming van het strafprocesrecht. De vraag naar de relatieve bevoegdheid van de strafrechter kan slechts worden beantwoord binnen het kader van artikel 348 Sv. Dat moet de rechter doen op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, waarbij onder meer de ten laste gelegde pleegplaats van belang is. Als de strafrechter zich bevoegd acht tot kennisneming van het ten laste gelegde feit, dan strekt deze bevoegdheid zich uit tot de gehele beoordeling van de strafzaak, met inbegrip van de vorderingen van de benadeelde partijen die zich in het strafproces hebben gevoegd. De wet biedt geen ruimte voor een afzonderlijke beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter ten aanzien van die vorderingen.

Doorkruising van civiele beperkingenprocedure

Namens de verdachte is daarnaast aangevoerd dat de vorderingen ook in strijd zijn met een goede procesorde in het civielrechtelijk deel van de zaak, omdat de omvang van de aansprakelijkheid moet worden vastgesteld via een beperkingsprocedure zoals bedoeld in art. 642a Rv e.v. Tussen de verdachte en zijn verzekeraar enerzijds en de benadeelde partijen anderzijds is reeds een beperkingsprocedure aanhangig gemaakt en toewijzing van (een deel van) de vorderingen van de benadeelde partijen zou die procedure doorkruisen of onder druk zetten.

Dit verweer wordt verworpen. De beperkingsprocedure van artikel 642a Rv staat open voor degene die zijn eventuele aansprakelijkheid jegens een ander wil beperken. Dat die mogelijkheid open staat voor de verdachte en zijn verzekeraar betekent echter niet dat de benadeelde partijen niet langer vergoeding van hun schade kunnen vorderen in het strafproces tegen de personen die hen schade hebben toegebracht. Het is juist de bedoeling geweest van de wetgever om benadeelde partijen in staat te stellen op eenvoudige wijze de schade te verhalen die door een strafbaar feit is ontstaan. Uit de wet blijkt niet dat de beperkingsprocedure van artikel 642a Rv daaraan in de weg staat. Dat zou anders kunnen zijn als de civiele rechter al een oordeel heeft gegeven over (een deel van) de gevorderde schade, maar daarvan is in dit geval geen sprake.

Grondslag van de vordering

Namens de verdachte is verder aangevoerd dat de vorderingen op basis van het vervoersrecht van Boek 8 BW moeten worden beoordeeld. Dat betekent dat de vorderingen alleen kunnen worden ingediend bij de partij die vervoersrechtelijk aansprakelijk is (in dit geval is dat volgens de verdediging de eigenaar van de RHIB). De verdachte als schipper kan niet aansprakelijk worden gehouden omdat alle aansprakelijkheid wordt gekanaliseerd naar de scheepseigenaar ( [bedrijfsnaam 4] ), die in deze strafzaak niet terecht staat.

Ook dit verweer wordt verworpen. In dit geval is sprake van samenloop van de aanvaringsregeling en de algemene regeling inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, waarbij bij deze rechtsgronden elk op zichzelf van toepassing zijn. Daarbij is het uitgangspunt dat zij cumulatief van toepassing zijn.27 Kunnen de rechtsgevolgen van de ene regeling niet gelijktijdig intreden met die van de andere regeling, dan heeft de rechthebbende de keuze tussen beide regelingen (alternativiteit). Dit één en ander lijdt slechts uitzondering als de wet voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt dat toepasselijkheid van de ene regeling toepasselijkheid van de andere regeling uitsluit (exclusiviteit).

Dat de aansprakelijkheidsregeling in Boek 8 BW exclusief geldt ten opzichte van de aansprakelijkheidsregeling in Boek 6 BW, blijkt niet uit de wet en evenmin uit de parlementaire geschiedenis. De artikelen 8:1005 en 1006 BW zien uitsluitend op de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar en daarin wordt, anders dan namens de verdachte is bepleit, de aansprakelijkheid van de schipper niet uitgesloten. Artikel 8:1003 BW vormt evenmin een afwijking van de algemene aansprakelijkheidsregeling in Boek 6 BW. Dit artikel geeft slechts een afbakening tussen ongevallen die worden beheerst door het zeerecht en ongevallen die worden beheerst door het binnenvaartrecht. Wel kan op specifieke onderdelen sprake zijn van een exclusieve regeling in Boek 8 BW ten opzichte van Boek 6 BW, zoals de Hoge Raad heeft overwogen ten aanzien van de verjaringsregeling van artikel 8:1793 BW.28 Daarop wordt hierna ingegaan.

Er is dus geen enkel beletsel voor diegenen die schade lijden door een aanvaring om, naast de scheepseigenaar, ook andere personen aan te spreken, bijvoorbeeld degene aan wiens fout de schade te wijten is of degene in wiens bedrijf de foutieve handeling werd gepleegd.29

Verjaring

Namens de verdachte is vervolgens aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen zijn verjaard, omdat een verjaringstermijn van twee jaar van toepassing is (artikelen 8:1790 en 1793 BW) en die termijn inmiddels is verstreken.

Ook dit verweer wordt verworpen. Weliswaar zijn de verjaringstermijnen van Boek 8 BW exclusief van toepassing ten opzichte van de algemene verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid BW30, maar toch zijn de vorderingen in deze zaak niet verjaard.

Artikel 3:310, vierde lid, BW houdt in dat als de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet van toepassing is, de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbare feit heeft begaan, niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen. De wetgever vindt het ongewenst dat in deze gevallen de civielrechtelijke verjaringstermijn kan zijn voltooid, terwijl dit voor wat betreft strafvorderlijke bevoegdheden naar aanleiding van deze delicten nog niet het geval is. Deze bepaling wil voorkomen dat het slachtoffer van een misdrijf geen schadevergoeding meer kan vorderen, terwijl de schuldige aan het misdrijf nog als verdachte in een strafprocedure betrokken is.31

Bovendien zijn de vorderingen tijdig gestuit. Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de vordering op de verdachte gestuit bij brief van 4 juni 2020. De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn gestuit doordat zij zich (in 2018 respectievelijk 2019) in deze strafzaak hebben gevoegd als benadeelde partij. Een rechtsgeldige voeging als benadeelde partij geldt als het ‘instellen van een eis’ als bedoeld in art. 3:316, eerste lid, BW, waardoor de verjaring van de vordering van de benadeelde partij wordt gestuit. Daarvoor is niet relevant wanneer de verdachte op de hoogte is gekomen van die voeging.32

Overige verweren

Namens de verdachte is nog aangevoerd dat hij is belemmerd in zijn verdediging doordat zijn civiele advocaten niet in de rechtszaal aanwezig mochten zijn, maar die stelling is onvoldoende onderbouwd. Namens de verdachte waren bovendien al twee advocaten in de rechtszaal aanwezig. Door coronamaatregelen waren de plaatsen in de rechtszaal beperkt en hebben de civiele advocaten de terechtzitting digitaal bij kunnen wonen. Met het oog op die situatie hebben de civiele advocaten ook de mogelijkheid gekregen om de standpunten schriftelijk uiteen te zetten en op voorhand toe sturen en is aan de verdediging de gelegenheid geboden om te overleggen met de civiele advocaten nadat zij bekend waren geworden met de standpunten van de officier van justitie en de benadeelde partijen over de vorderingen. Van die mogelijkheden is ruim gebruik gemaakt.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen onvoldoende zijn onderbouwd (waarover hierna meer) en dat geen sprake is van schuld aan de zijde van de verdachte. Ook deze stellingen worden gepasseerd. Uit de hierboven opgenomen bewijsmotivering blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat wel degelijk sprake is van schuld aan de zijde van de verdachte, en zelfs in die mate dat dit een misdrijf oplevert. Dat dit ook geldt voor de andere schipper, [medeverdachte] , doet aan de schuld van de verdachte niet af. Het is bovendien - anders dan de verdediging heeft bepleit - niet aan de rechtbank om in dit stadium van de procedure de onderlinge verdeling van de schuld en medeschuld vast te stellen.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat zij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen, dat de vorderingen niet zijn verjaard en dat de behandeling van de ingediende vorderingen niet zonder meer een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De waardering van de gevorderde schadebedragen wordt hierna per vordering besproken.

8.5.2

De vordering van [slachtoffer 4]

vordert vergoeding van de kosten voor psychologische hulp ter grootte van € 788,72.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat de benadeelde partij haar vordering voldoende heeft onderbouwd in de mondelinge en schriftelijke toelichting daarop en door middel van een overzicht van haar ziektekostenverzekering. Daaruit blijkt dat de aanvaring voor de benadeelde partij traumatisch is geweest en dat zij om die reden is verwezen door de huisarts, waarop zij in de periode tussen 16 juli en 27 september 2018 psychologische hulp heeft ontvangen in de vorm van behandeling uit het pakket ‘Basis GGZ Middel’. De kosten van deze behandeling heeft de benadeelde partij vanuit haar eigen risico moeten voldoen. Deze kosten vormen schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 4] ter grootte van € 788,72 dan ook integraal toewijzen.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 november 2018, omdat de vordering op die datum is ingediend.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat naast de verdachte een ander (te weten: [medeverdachte] , verdachte in de zaak met parketnummer 09/994501-19) in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het ontstaan van de schade, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 788,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2018 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4] .

8.5.3.

De vordering van [slachtoffer 3]

vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

4 dagen verblijf Haaga Ziekenhuis

€ 120,00

Eigen risico zorgverzekering

€ 785,00

Reiskosten bezoek door partner / afhalen vanuit ziekenhuis

€ 19,76

Reiskosten bezoek apotheek

€ 4,94

Reiskosten bezoek medisch specialist / spoed ivm ontstoken wond

€ 4,94

Reiskosten bezoek medisch specialist

€ 4,94

Reiskosten bezoek medisch specialist

€ 4,94

Reiskosten rechtsbijstand advocaat (kantoor Arag Rotterdam)

€ 7,22

Broek / T-Shirt / Schoenen (Schoenen kwijtgeraakt, broek en T-shirt verknipt bij opname)

€ 250,00

Zonnebril op sterkt (kwijtgeraakt bij ongeval)

€ 200,00

Apple SE (defect door waterschade)

€ 375,00

Kosten vervolg behandelingen en revalidatie

€ 175,00

Totaal

€ 1.951,74

Daarnaast vordert [slachtoffer 3] een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade vanwege het (hersen)letsel dat hij bij de aanvaring heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij maanden heeft moeten revalideren. Pas in februari 2019 was hij voldoende hersteld om zijn werk weer volledig te hervatten en hij ervaart ook nu nog dagelijks hoofdpijn. Daarnaast heeft hij psychologische hulp ingeschakeld om het trauma van het ongeval te verwerken en de blijvende fysieke gevolgen te leren accepteren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade niet op de juiste wijze is begroot en dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zou om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Materiële schade

De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat de benadeelde partij zijn vordering ter zake van de materiële schade voldoende heeft onderbouwd in de mondelinge en schriftelijke toelichting daarop. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de kleding, de zonnebril en de mobiele telefoon van de benadeelde partij bij of kort na de aanvaring zijn beschadigd dan wel zoekgeraakt. Ook kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij vier dagen in het Haga Ziekenhuis heeft moeten verblijven en dat hij (en/of zijn partner ten behoeve van hem) reiskosten heeft moeten maken voor bezoek, voor nadere behandeling door een medisch specialist en voor het ophalen van medicatie bij de apotheek. Verder staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat een deel van de medische kosten zijn voldaan uit het door de benadeelde partij betaalde eigen risico. De rechtbank zal dan ook alle op het voorgaande betrekking hebbende posten toewijzen, omdat deze posten schade betreffen die de benadeelde partij heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten.

Reiskosten van de benadeelde partij die worden gemaakt om naar zijn of haar advocaat of naar de terechtzitting te reizen, zijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad33 proceskosten en kunnen niet als schade worden toegewezen.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, in totaal een bedrag van (€ 1.951,74 - € 7,22 =)

€ 1.944,52 aan materiële schade toewijzen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan verder worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is ook dit onderdeel van de vordering voldoende onderbouwd. Gelet op wat de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering heeft aangevoerd over de aard en ernst van zijn letsel en de lange duur van zijn herstel, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.000,-.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de vordering van [slachtoffer 3] toewijzen tot een bedrag van € 3.944,52, bestaande uit € 1.944,52 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 1.944,52 toewijzen met ingang van 10 november 2018, omdat de vordering op die datum is ingediend.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 2.000,- toewijzen met ingang van 28 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op € 7,22 aan reiskosten, zoals gevorderd. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat naast de verdachte een ander (te weten: [medeverdachte] , verdachte in de zaak met parketnummer 09/994501-19) in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het ontstaan van de schade, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.944,52, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.944,52 vanaf 10 november 2018, en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 28 juni 2018, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

8.5.4

De vordering van [slachtoffer 2]

vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

Materiële schade, begroot tot en met december 2020

Reiskosten, parkeerkosten, taxikosten : € 3.362,49

Kosten huishoudelijke hulp, persoonlijke : € 9.100,63

verzorging en verlies zelfverdiencapaciteit

Medische kosten : € 8.773,75

Diversen (o.a. kosten telefoon, bril, horloge, : € 3.669,66

matras en levenstestament)

Wonen : € 405,-

Buitengerechtelijke kosten (procedure tegen : € 74.173,87

Axopar)

Verlies arbeidsvermogen : € 171.061,24

Totaal : € 270.546,64

Immateriële schade (smartengeld), begroot : € 60.000,-

tot en met december 2020

Totaal : € 330.546,64

Proceskosten onderhavige strafprocedure : € 1.482,25

Materiële schade

Reiskosten, parkeerkosten, taxikosten

De benadeelde partij vordert vergoeding van reis- en parkeerkosten in relatie tot medische afspraken, en taxikosten die hij zonder zijn letsel niet had hoeven maken.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte is dit onderdeel van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 3.362,49 dan ook toewijzen.

Huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en verlies zelfverdiencapaciteit

De benadeelde partij vordert vergoeding van kosten voor hulp in de huishouding, persoonlijke verzorging en kosten voor werkzaamheden in de tuin, die hij zelf niet meer kan verrichten.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte is dit onderdeel van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 9.100,63 dan ook toewijzen.

Medische kosten

De benadeelde partij vordert vergoeding van medische kosten, bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2018-2020, kosten voor psycholoog en fysiotherapeut, daggeldvergoeding, medicatie en kosten voor (medische) hulpmiddelen, waaronder hoortoestellen. Voor wat betreft die laatste post is – naar aanleiding van de betwisting door de verdediging van het rechtstreekse verband tussen de aanvaring en deze kosten – namens de benadeelde partij toegelicht dat deze hoortoestellen medisch geïndiceerd zijn in verband met hersenletsel, veroorzaakt door de aanvaring.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte is dit onderdeel van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 8.773,75 dan ook toewijzen.

Diversen en wonen

De benadeelde partij vordert vergoeding van kosten van (de vervanging van) zijn telefoon, bril, horloge en kleding, kosten voor foto’s en een whiteboard voor geheugenstimulering, kosten voor een matras, wandbeugels en pensionkosten voor huisdieren. Ook is vergoeding van de kosten voor het opmaken van een levenstestament gevorderd. Voor wat betreft die laatste post is – naar aanleiding van de betwisting door de verdediging van het rechtstreekse verband tussen de aanvaring en deze kosten – namens de benadeelde partij toegelicht dat dit noodzakelijk was voor de behartiging van de belangen van de benadeelde partij, die door zijn ernstige (hersen)letsel niet in staat was zijn eigen belangen te behartigen.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk en onderbouwd dat voormelde kosten zijn gemaakt in verband met het letsel van de benadeelde partij, en dat de benadeelde partij deze schade dus rechtstreeks heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Namens de verdachte zijn deze onderdelen van de vordering niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 3.669,66 en € 405,- dan ook toewijzen.

Buitengerechtelijke kosten

[slachtoffer 2] vordert vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt in de civielrechtelijke (beperkingen)procedure tegen de verzekeraar en/of de eigenaar van de Axopar.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet zijn aan te merken als schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde moet dan ook in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Verlies arbeidsvermogen

[slachtoffer 2] vordert vergoeding van verlies aan arbeidsvermogen tot en met december 2020, voor een bedrag van € 171.061,24.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering met betrekking tot verlies van arbeidsvermogen onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten verlies van arbeidsvermogen heeft geleden. De rechtbank is echter, met de verdediging, van oordeel dat de beoordeling van de omvang van deze schade, vanwege de complexiteit en de beperkingen van het partijdebat die de behandeling van een vordering in het kader van een strafprocedure met zich brengt, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Voor zover de vordering betrekking heeft op de post verlies arbeidsvermogen, zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

[slachtoffer 2] vordert € 60.000,- als vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden tot en met december 2020.

De verdediging heeft betoogd dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft bij de aanvaring ernstig letsel opgelopen. Hij heeft lange tijd in het ziekenhuis en revalidatiecentrum moeten doorbrengen en hij heeft herhaaldelijk in levensgevaar verkeerd. [slachtoffer 2] heeft veel pijn geleden en diverse risicovolle operaties moeten ondergaan. Zijn letsel, waaronder hersenletsel, is deels blijvend van aard, waardoor [slachtoffer 2] blijvend arbeidsongeschikt is geraakt. De aanvaring heeft dan ook een grote, blijvende impact op zijn leven.

Gelet op enerzijds het grote leed dat [slachtoffer 2] ten deel is gevallen, maar anderzijds de al eerder genoemde beperkingen die de behandeling van een vordering binnen de kaders van een strafprocedure voor het partijdebat meebrengt, zal de rechtbank het gevorderde smartengeld (begroot tot en met december 2020) toewijzen tot een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien een nadere onderbouwing en de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zouden opleveren. De benadeelde partij kan ook dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 65.311,53, bestaande uit € 25.311,53 aan materiële schade en € 40.000,- aan immateriële schade.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat aan [slachtoffer 2] verschillende bedragen zijn betaald. Deze bedragen, te weten een betaling ‘onder algemene titel onder betwisting van aansprakelijkheid’ van € 22.500,-, leningen van in totaal € 150.000,- en uitkeringen door de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [slachtoffer 2] , zouden op de vordering in mindering moeten worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat deze betaling, de verstrekte leningen en de uitkeringen van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar niet op de hiervoor toegewezen bedragen in mindering moeten worden gebracht. De betaling, de leningen en de uitkeringen van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar zijn immers niet aan de benadeelde partij betaald ter voldoening van de hier toegewezen vergoedingen van schade.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 25.311,53 toewijzen met ingang van 30 oktober 2020, omdat de vordering op die datum is ingediend.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 40.000,- toewijzen met ingang van 28 juni 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van die kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures, waarbij in dit geval op basis van het liquidatietarief een vergoeding van € 2.402,- per procespunt aan de orde zou zijn. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.482,25 aan proceskosten gevorderd en heeft dit bedrag ook onderbouwd. De rechtbank begroot de voor deze strafprocedure gemaakte proceskosten dan ook op de gevorderde € 1.482,25. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat naast de verdachte een ander (te weten: [medeverdachte] , verdachte in de zaak met parketnummer 09/994501-19) in strafrechtelijke zin verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schade, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 65.311,53, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 25.311,53 vanaf 30 oktober 2020, en over een bedrag van € 40.000,- vanaf 28 juni 2018, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 55, 57 169, 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

de eendaadse samenloop van:

feit 1:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn;

en

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd;

en

feit 2, primair:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig beschadigd wordt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat, meermalen gepleegd;

en

aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig beschadigd wordt, terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 100 (honderd) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 (vijftig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

de vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 788,72 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2018 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en in de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 788,72 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2018 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

[slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 3.944,52 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 1.944,52 vanaf 10 november 2018 en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 28 juni 2018, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 7,22, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.944,52, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.944,52 vanaf 10 november 2018, en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 28 juni 2018, beide tot de dag waarop deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

[slachtoffer 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 65.311,53 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 25.311,53 vanaf 30 oktober 2020 en over een bedrag van € 40.000,- vanaf 28 juni 2018, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het gevorderde bedrag van € 74.173,87 (buitengerechtelijke kosten) niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het gevorderde bedrag van € 191.061,24 niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 1.482,25, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 65.311,53 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van

€ 25.311,53 vanaf 30 oktober 2020 en over een bedrag van € 40.000,- vanaf 28 juni 2018, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 339 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.K. Spros, voorzitter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

mr. B.A. Sturm, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH2R018054 (onderzoek STORK), van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 707).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 500 en 501; brief gemeente Den Haag aan [bedrijfsnaam 1] V. inhoudende een vergunningverlening, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen vergunningen Volvo Ocean Race, p. 45; verklarende woordenlijst, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen Scheepvaartongeval, p. 275.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [naam ] , p. 471-474.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] , p. 475-477; proces-verbaal verhoor van getuige [naam 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 mei 2020, afzonderlijk opgenomen in het dossier.

5 Proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), p. 80 en 81.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] (6 augustus 2018), p. 491-495; proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] (3 juni 2019), p. 613-615.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] (met bijlage), p. 508-512.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] (met bijlagen), p. 294-298.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] (met bijlagen), p. 301-303.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] , p. 312-315.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , p. 306-307.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] , p. 309-310.

13 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] (met bijlage), p. 320-330.

14 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] (met bijlage), p. 383-389.

15 Schouwverslag [naam 3] (gemeentelijk lijkschouwer), p. 504 en 505.

16 Geneeskundige verklaring inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 2] , opgemaakt op 4 juli 2018, p. 522.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.

18 De afzonderlijk in het dossier gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] d.d. 30 oktober 2020.

19 Geneeskundige verklaring inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 3] , opgemaakt op 6 augustus 2018, p. 530.

20 Een afzonderlijk in het dossier gevoegd e-mailbericht d.d. 14 oktober 2020 van [slachtoffer 3] .

21 De tube is een flexibele opblaasbare buis die is geconstrueerd op het gangboord van een solide, gevormde romp. De tube zorgt voor behoud van het drijfvermogen (zie dossierpagina p. 275).

22 Proces-verbaal Expert Team Visualisatie en Reconstructie (met bijlagen), p. 99-203, meer specifiek p. 111, 112 en 114. Foto’s bijgevoegd op p. 164-193; proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval, p. 212.

23 Proces-verbaal van Expert Team Visualisatie en Reconstructie (met bijlagen), p. 99-123, en de daarbij gevoegde tekening met daarop ingetekende snelheden op bepaalde tijdstippen, p. 203; proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval (met bijlagen), p. 205-223.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 573-582.

25 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 november 2020.

26 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] (met bijlage), p. 550-560 (meer specifiek p. 555 en 556).

27 HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1414 (Fernhout/Essent), r.o. 4.2.

28 HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1414 (Fernhout/Essent), r.o. 4.2.

29 [naam 4] (e.a.) (red.), Algemeen-Bijzonder, Den Haag: BJU 2003, p. 117.

30 HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1414 (Fernhout/Essent).

31 Kamerstukken II 2010/11, 32853, 3, punten 1-4.

32 HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1457.

33 ECLI:NL:HR:2018:2338.