Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1292

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
NL20.1339 NL20.1341
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin-Spanje, eenheid gezin, medische omstandigheden, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.1339 en NL20.1341

V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

mede namens haar minderjarige kind [naam 2]

(gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 januari 2019 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL20.1340 en NL20.1442, plaatsgevonden op 7 februari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Overwegingen

  1. In geschil is of verweerder terecht heeft besloten om de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kind niet te behandelen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling.

  2. Aangezien dit asielverzoek op beiden betrekking heeft, hoefde voor het minderjarige kind niet afzonderlijk beroep te worden ingesteld, zoals eiseres heeft gedaan. Nu er belang is bij het instellen van een beroep en er overigens geen redenen zijn om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, wordt het beroep inhoudelijk beoordeeld.

  3. Eiseres heeft in beroep aangetoond dat zij tijdig een zienswijze op het voornemen heeft ingediend. Nu verweerder die zienswijze niet heeft betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit, is dat besluit niet zorgvuldig voorbereid en dient het te worden vernietigd. De beroepen zijn om die reden gegrond. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

4. Vaststaat dat eiseres en haar kind samen via Spanje het grondgebied van de Europese Unie zijn binnengekomen en dat aldaar van eiseres vingerafdrukken zijn afgenomen. Deze staan geregistreerd in Eurodac. Met die registratie wordt als vaststaand aangenomen dat eiseres in Spanje heeft verzocht om internationale bescherming. Verder hebben de Spaanse autoriteiten met het terugnameakkoord bevestigd dat eiseres mede namens haar kind in Spanje om asiel heeft verzocht. De enkele ontkenning van eiseres is onvoldoende voor een andere conclusie. Dat haar in Nederland verblijvende echtgenoot niet bekend is in Eurodac is evenmin voldoende. Hun intentie om alleen in Nederland om asiel te vragen is niet relevant bij de uitvoering van de Dublinverordening1 die juist bedoeld is om asielshoppen tegen te gaan.

5. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat Spanje de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres en haar minderjarige kind.

6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de eenheid van het gezin met haar echtgenoot en vader van het minderjarige kind zich verzet tegen de overdracht aan Spanje. De echtgenoot bevindt zich weliswaar in de asielprocedure in Nederland, maar zijn asielaanvraag hier dateert van latere datum dan de aanvraag van eiseres in Spanje. De gezinsbepalingen uit de Dublinverordening zijn niet van toepassing. Nederland heeft daarentegen Spanje willen vragen om met het oog op gezinshereniging ook de echtgenoot over te nemen, maar eiseres heeft geweigerd om de daarvoor vereiste instemmingsverklaring te tekenen. Voor zover het gezin feitelijk uit elkaar zal worden gehaald bij overdracht is dat dan ook het gevolg van die keuze van eiseres, zoals verweerder haar vooraf ook heeft voorgehouden. Van schending van artikel 8 van het EVRM2 is geen sprake.

7. Eiseres heeft zich beroepen op haar gezondheidstoestand en die van haar kind. Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij in verband daarmee bijzondere opvangbehoeften heeft, waarin Spanje niet kan voorzien. De ter zitting gestelde slechte mentale gesteldheid van eiseres en haar kind is niet met medische stukken onderbouwd. Er is dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek door het BMA.3

8. Verweerder heeft in de medische omstandigheden van eiseres en haar kind geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de inhoudelijke behandeling van de aanvraag aan zich te trekken. Eerst in beroep is een afschrift van de patiëntendossiers overgelegd. Daaruit blijkt niet van de noodzaak van medisch-specialistische behandeling. Bovendien is er op grond van de Opvangrichtlijn4 ook in Spanje aanspraak op medisch noodzakelijke zorg.

9. Voor zover eiseres heeft gesteld dat haar zwangerschap en bevalling zich op enig moment zullen verzetten tegen overdracht aan Spanje, geldt dat verweerder daarmee rekening houdt door een aantal weken voor en na de bevalling niet feitelijk over te dragen.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van de twee samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier, op 7 februari 2020.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

1 Verordening (EU) 604/2013.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Bureau Medische Advisering

4 Richtlijn 2013/33/EU