Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12906

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
NL20.18748
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, authenticiteit stukken, veiligheidssituatie in Afghanistan, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18748


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.18749, plaatsgevonden op 19 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten.

2. Op 6 november 2015 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 21 juli 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Dit staat in rechte vast1.

3. Op 7 augustus 2017 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend, nadat hij eerder op 23 januari 2017 een schriftelijke kennisgeving M35-O heeft ingediend. Bij besluit van 9 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 7 september 2017 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard2. De Afdeling3 heeft deze uitspraak op 31 juli 2018 bevestigd4. Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep daartegen is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 10 december 2019 ongegrond verklaard5.

4. Op 18 juni 2020 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend via een schriftelijke kennisgeving M35-O. Nadat verweerder op 18 juni 2020 een voornemen heeft uitgebracht tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag, heeft eiser op 29 juni 2020 opnieuw een schriftelijke kennisgeving M35-O ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een verklaring heeft verkregen van de Afghaanse ambassade waaruit volgt dat de door eiser in de vorige procedure overgelegde politieoproepen authentiek zijn. Daarnaast doet eiser een beroep op de beleidswijziging middels WBV 2019/18.

5. Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de politieoproepen in de vorige procedure door Bureau Documenten niet konden worden beoordeeld op authenticiteit wegens het ontbreken van referentiemateriaal. De door eiser aangestelde contra-expert van het NFO heeft de documenten aangemerkt als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet authentiek. De nu overgelegde verklaring van de Afghaanse ambassade is niet gebaseerd op een onderzoek van de originele documenten en daarnaast is de wijze van totstandkoming van deze verklaring niet toegelicht. Deze verklaring kan daarom niet afdoen aan de eerdere negatieve beoordelingen over de authenticiteit van de politieoproepen. Tot slot kan in WBV 2019/18 geen grond worden gevonden voor inwilliging van de aanvraag.

6. Eiser kan zich niet verenigen met dit besluit. Wat hij daartegen aanvoert, wordt hierna besproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verklaring van de Afghaanse ambassade

7. Eiser heeft in beroep een nadere verklaring van de Afghaanse ambassade, gedateerd 10 november 2020, overgelegd. In deze verklaring staat dat de ambassade de door eiser overgelegde politieoproepen naar het Afghaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verstuurd, die vervolgens heeft geoordeeld dat de politieoproepen authentiek zijn. Volgens eiser is hiermee het door verweerder gewenste inzicht gegeven in de totstandkoming van de authenticiteitsbeoordeling door de ambassade.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen tegenwerpen dat uit de verklaringen van de ambassade niet blijkt op grond waarvan de ambassade tot haar conclusie omtrent de authenticiteit is gekomen. Uit de verklaring van 10 november 2020 blijkt slechts welke instantie de documenten heeft beoordeeld, maar daarmee wordt geen inzicht gegeven in de onderzoeksmethode die is gebruikt om de authenticiteit vast te stellen. Dit inzicht heeft verweerder wel mogen verlangen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom niet ten onrechte overwogen dat verklaring van de Afghaanse ambassade niet kan afdoen aan het deskundigenoordeel van Bureau Documenten en de contra-expertise van het NFO uit de vorige procedure van eiser. Met de verklaring van de Afghaanse ambassade heeft eiser de authenticiteit van de politieoproepen dan ook niet alsnog aangetoond.

Veiligheidssituatie in Afghanistan

9. Eiser voert aan dat de veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd. Kabul, de geboorteplaats van eiser, is niet veilig genoeg om naar terug te keren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een artikel overgelegd van het Afghanistan Analysts Network van 27 oktober 2020 (‘Behind the Statistics: Drop in civilian casualties masks increased Taleban violence’). Eiser wijst op de door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, gestelde prejudiciële vragen6 over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn7.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aan hef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c-situatie). De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 december 20198 overwogen dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan weliswaar is verslechterd ten opzichte van juni 2018, het eindpunt van de verslagperiode waarover de eerdere uitspraak van de Afdeling over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ging, maar dat de veiligheidssituatie niet in alle provincies even ernstig is en het geweld niet overal even wijdverbreid is. Ook is het aantal burgerslachtoffers en ontheemden - hoewel zorgwekkend - gelet op het totale inwoneraantal van Afghanistan niet zo hoog dat alleen al daarom moet worden gesproken van een 15c-situatie en is er nog altijd een basale veiligheidsstructuur aanwezig. Het voorgaande heeft de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 9 januari 20209, waarbij de Afdeling ook heeft overwogen dat Kabul in het algemeen kan gelden als vestigingsalternatief. Eiser heeft met het door hem overgelegde artikel niet aannemelijk gemaakt dat de algemene situatie in Afghanistan of specifiek in Kabul sinds deze laatste Afdelingsuitspraak significant is verslechterd. Zo volgt uit het artikel dat het totale aantal burgerslachtoffers in Afghanistan in 2020 is gedaald ten opzichte van 2019. Er is dus geen sprake van relevante wijzigingen in dat opzicht, en ook niet van de aanwezigheid van een 15c-situatie.

11. Eiser behoort voorts niet tot een aangewezen risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.

Conclusie

12. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid vanmr. W. van Loon, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 1 september 2016 (NL16.1839 en NL16.1840) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2016 (201606967/1/V2)

2 Zaaknummers NL17.6720 en NL17.6723

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4 Zaaknummer 201707386/1/V2

5 Zaaknummers NL19.23734 en NL19.23736

6 Uitspraak van 19 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10488

7 Richtlijn 2011/95/EU

8 ECLI:NL:RVS:2019:4200

9 ECLI:NL:RVS:2020:42