Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12839

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
C/09/551442 / FA RK 18-2704
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. Aandelen in BV geschonken onder uitsluitingsclausule. Verklaring voor recht dat de aandelen niet tot de gemeenschap van goederen behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 18-2704 (echtscheiding) en FA RK 18-7133 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/551442 (echtscheiding) en C/09/560770 (verdeling)

Datum beschikking: 19 november 2020

Scheiding

Beschikking op het op 11 april 2018 ingekomen verzoek van:

[X] ,

blijkens de huwelijksakte: [X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Groenleer te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Erkens te 's-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van [beschikkingsdatum] 2018 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is iedere beslissing ten aanzien van de verdeling aangehouden. De echtscheiding is op [echtscheidingsdatum] 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • -

    het bericht van 18 februari 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 23 februari 2020, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het bericht van 24 februari 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van 23 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 24 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het bericht van 1 mei 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 1 mei 2020 van de zijde van de man;

  • -

    het bericht van 17 mei 2020, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het bericht van 18 mei 2020, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 31 mei 2020, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het bericht van 2 juni 2020, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 3 juni 2020 van de zijde van de zijde van de man;

  • -

    het bericht van 4 juni 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 22 september 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 7 oktober 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 16 oktober 2020, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het bericht van 20 oktober 2020, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 21 oktober 2020 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Groenleer en mr. Dellebeke en de man, bijgestaan door mr. Erkens. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Van de zijde van de man zijn nadere stukken (Jaaroverzicht 2018 RentePlus Rekening en overzicht afschriften banksaldi 2015 tot en met 2019) overgelegd.

Aanvullende verzoeken

De man heeft – in aanvulling op de verzoeken die al zijn weergegeven in de beschikking van [echtscheidingsdatum] 2018 – verzocht:

- ten aanzien van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] :

  • -

    primair te bepalen dat [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap en hierbij zo nodig de schenking van de aandelen aan de vrouw d.d. 12 oktober 2016 te vernietigen met terugwerkende kracht;

  • -

    subsidiair te bepalen dat een redelijke vergoeding van € 1.200.000,- ten bate komt van de gemeenschap op grond van artikel 1:95a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), of een ander bedrag in goede justitie op basis van een deskundig onderzoek te bepalen;

  • -

    meer subsidiair: de waarde van [naam B.V. 3] , [naam B.V. 4] . en [naam B.V. 5] te bepalen op basis van een deskundig onderzoek op basis van de waardering op grond van onderliggende passiva en activa, rekening houdend met stille reserves en voorzieningen en waarbij geoordeeld moet worden of een correctie voor niet betaalde goodwill moet worden toegepast;

  • -

    ten aanzien van alle B.V’s (indien deze onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap): een deskundige te benoemen die de waarde van [naam B.V. 3] , [naam B.V. 4] ., [naam B.V. 5] , [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] gaat bepalen, geconsolideerd als zijnde één bedrijf, en die tevens een boekenonderzoek (due diligence) uitvoert. Bij het onderzoek en de waardering worden alle actuele B.V’s van de vrouw betrokken om te beoordelen of er onterecht met activa en passiva is geschoven en B.V.’s die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren zijn benadeeld. De waardering dient plaats te vinden op basis van kasstromen (discounted cash flow methode);

  • -

    de huwelijksgoederengemeenschap wat betreft de bestaande geschillen tussen partijen te verdelen en te verrekenen conform het bijgevoegde formulier verreken en verdelen (productie 14);

  • -

    de vrouw opdracht te geven om van al haar rekeningen het saldo op de peildatum bekend te maken voor zover nog niet gedaan, waaronder [bankrekeningnummer] en van de [bankrekening] eindigend op [deel rekeningnummer] waarvan het overgelegde afschrift alleen het saldo op 10 april 2019 weergeeft;

  • -

    de vrouw opdracht te geven om:

  1. alle transacties boven de € 500,- van de rekeningen [bankrekeningnummer] , [bankrekeningnummer] , [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer] vanaf 1 januari 2017 tot peildatum inzichtelijk te maken op zodanige manier dat ook blijkt dat dit alle transacties zijn, opdat er informatie beschikbaar komt over waar het geld van de vrouw nog heen is geboekt en er meer specifiek kan worden gevraagd naar saldi van andere rekeningen op naam van de vrouw;

  2. overzicht te geven van alle onroerende zaken die op haar naam staan per peildatum 11 april 2018;

- indien de rechtbank deze opdracht niet geeft, stelt de man bij gebrek aan wetenschap over het kapitaal van de vrouw de waarde op € 700.000,- met als gevolg dat de man nog een vordering van € 350.000,- op de vrouw heeft.

De vrouw heeft aanvullend verzocht:

  • -

    de man te veroordelen de helft van het door hem meegenomen Villeroy & Boch servies aan de vrouw terug te geven, in goede staat;

  • -

    de man te veroordelen aan de vrouw te betalen € 247.229,64 wegens overbedeling;

  • -

    primair: de aandelen in [naam B.V. 3] aldus te verdelen dat 50% daarvan wordt toebedeeld aan de man en 50% aan de vrouw;

  • -

    subsidiair: [naam B.V. 3] en haar dochters te liquideren en de helft van het resterende bedrijfsvermogen na aftrek van alle kosten aan ieder der partijen toe te delen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Toelaten stukken

Namens de man is op 3 juni 2020 bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw ingediende producties (26 tot en met 30) van 2 juni 2020. De rechtbank heeft in haar brief van 6 oktober 2020 aangegeven dat mr. Erkens de gelegenheid zou worden geboden om ter zitting op deze producties te reageren. Mr. Erkens heeft dit tijdens de zitting ook gedaan. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de man voldoende in de gelegenheid is gesteld om (mondeling) verweer te voeren en dat zijn recht op een eerlijk proces op deze manier voldoende is gewaarborgd. De rechtbank zal deze stukken daarom toelaten.

Verdeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Zoals de rechtbank in voornoemde beschikking reeds heeft overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.

Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, als het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten na de sluiting van het huwelijk.

Inhoudelijke beoordeling

Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (zoals deze golden tot 1 januari 2018) moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Het uitgangspunt is dan dat de gemeenschap op grond van artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld.

Peildatum

De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 11 april 2018, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.

Omvang huwelijksgoederengemeenschap

Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de gemeenschap vallen:

  1. aandelen [naam B.V. 3] ;

  2. aandelen [naam B.V. 1] ;

  3. overige B.V.’s van de vrouw;

  4. eenmanszaak van de man;

  5. aanslag inkomstenbelasting 2017;

  6. overeenkomst van geldlening [adres] ;

  7. overeenkomst van geldlening broer van de man;

  8. overeenkomst van geldlening [naam B.V. 4] .;

  9. sieraden, waaronder een [merk 1] , [merk 2] , verlovingsring en gouden oorbellen;

  10. inboedel, waaronder een servies van Villeroy & Boch;

  11. bankrekeningen;

  12. woning in Griekenland;

  13. overig onroerend goed.

ad a en b) aandelen [naam B.V. 3] en [naam B.V. 1]

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw 100% eigenaar is van [naam B.V. 3] , dat de aandelen van [naam B.V. 3] in de gemeenschap vallen en dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de waarde van deze aandelen.

Tussen partijen is in geschil of de aandelen van [naam B.V. 1] ook in de gemeenschap vallen.

Uit de door partijen overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat [naam B.V. 1] is opgericht door de vader van de vrouw en dat de vader van de vrouw de aandelen van deze B.V. onder uitsluitingsclausule aan de vrouw heeft geschonken. In zoverre zouden de aandelen van deze B.V. niet in de gemeenschap vallen.

De man stelt echter dat de vrouw onderdelen van de bedrijfsvoering van [naam B.V. 3] , zonder dat daar een redelijke vergoeding tegenover stond, heeft overgeheveld naar [naam B.V. 1] De man wenst daarom dat een due diligence-onderzoek wordt uitgevoerd naar alle B.V.’s.

De vrouw betwist uitdrukkelijk dat er ondernemingsactiviteiten vanuit [naam B.V. 3] zonder vergoeding zijn verschoven naar [naam B.V. 1] De lopende projecten van [naam B.V. 3] en haar dochters zijn volgens haar door de betreffende vennootschappen uitgevoerd en afgerond – en omdat het gaat om bedrijven die zich bezighouden met het opkopen, opknappen en doorverkopen van woningen gaat het om eenvoudig identificeerbare en afgebakende projecten – en de lopende verplichtingen zijn door deze vennootschappen voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Daargelaten dat een due diligence onderzoek zoals de man dat lijkt voor te staan, in deze familierechtelijke procedure niet thuishoort, is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw onrechtmatig onderdelen van de bedrijfsvoering van [naam B.V. 3] naar [naam B.V. 1] heeft overgeheveld. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan dit standpunt van de man.

De rechtbank volgt de andere stellingen van de man – die verband houden met een groot aantal civielrechtelijke leerstukken en die de rechtbank hierna één voor één zal nalopen – evenmin. Om te beginnen kan de man niet met succes een beroep doen op het leerstuk van Selbsteintritt als bedoeld in artikel 3:68 BW, nu dit leerstuk beoogt de volmachtgever (de vader van de vrouw) te beschermen, terwijl uit de door de vrouw overgelegde stukken bovendien blijkt dat haar vader – om discussie hierover te voorkomen – de schenking achteraf heeft bekrachtigd op de wijze als omschreven in artikel 3:69 BW (productie 16). Verder heeft de man gesteld dat niet is voldaan aan één van constitutieve vereisten voor een rechtsgeldige schenking als genoemd in artikel 7:175 BW (vermogensverschuiving), omdat de aandelen waardeloos zouden zijn. Vast staat echter dat het geplaatst kapitaal bij de oprichting € 1,- bedroeg. Derhalve staat vast dat het bij uitsluiting geschonkene in ieder geval enige waarde had ten tijde van de schenking. Voor zover de man stelt dat de gift op grond van artikel 1:88/89 BW vernietigbaar is, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtshandeling (gift) als bedoeld in artikel 1:88/89 BW, verricht door de ene echtgenoot (in dit geval: de vrouw), waarmee de gemeenschap is benadeeld (de vrouw heeft niets geschonken, haar vader heeft haar geschonken). Bovendien is de man bij de bewuste rechtshandeling geen partij, en zorgt vernietiging er slechts voor dat [naam B.V. 1] weer aan de schenker (de vader van de vrouw) toekomt. Voor zover de man heeft gesteld dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld in de zin van artikel 1:164 BW, is de rechtbank van oordeel dat de man dit standpunt onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Ook het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet; met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat uitgesloten goederen niet op grond van de redelijkheid en billijkheid toch tot de gemeenschap kunnen gaan behoren. Daar komt bij dat de man en de vrouw ter zitting hebben verklaard dat, toen [naam B.V. 1] werd opgericht, zij beiden al een gescheiden financiële huishouding voerden (de man hield zijn inkomen uit arbeid voor zichzelf en de vrouw is een nieuw bedrijf begonnen met een nieuw op te knappen pand), zodat van de constructie die de vrouw met haar vader en de fiscaal-juridisch adviseurs heeft opgezet, ook in die zin niet kan worden geoordeeld dat deze onredelijk of onbillijk uitwerkt. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis. De rechtbank zal daarom aan al deze standpunten van de man voorbij gaan.

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de aandelen van [naam B.V. 3] wel in de gemeenschap vallen, maar dat de aandelen van [naam B.V. 1] niet in de gemeenschap vallen. Derhalve zal de rechtbank, zoals door de vrouw is verzocht, voor recht verklaren dat de aandelen in [naam B.V. 1] niet tot de gemeenschap van goederen behoren. Daarbij overweegt de rechtbank dat ook het beroep van de man op artikel 1:95a BW (zoals dat sinds 1 januari 2018 geldt), waarin is bepaald dat indien een onderneming buiten de gemeenschap valt, ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding komt, niet slaagt. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat dit artikel bedoeld is voor de (nieuwe) beperkte gemeenschap. Nu partijen vóór 1 januari 2018 in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, is dit artikel in dit geval niet van toepassing.

De man heeft ter zitting aangegeven dat het volgens hem geen nut heeft om alleen de aandelen van [naam B.V. 3] te laten waarderen, indien de rechtbank van oordeel is dat de aandelen van [naam B.V. 1] niet in de gemeenschap vallen. De vrouw wenste sowieso geen waardering te laten plaatsvinden. Zij heeft primair verzocht de helft van de aandelen aan ieder van partijen toe te delen en subsidiair te bepalen dat [naam B.V. 3] en haar dochters moeten worden geliquideerd, waarna het resterende bedrijfsvermogen bij helfte moet worden gedeeld.

Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel is dat de aandelen van [naam B.V. 1] buiten de gemeenschap vallen en partijen in dat geval geen waardering van de aandelen van [naam B.V. 3] wensen, komt de rechtbank niet toe aan het benoemen van een register valuator teneinde de aandelen te waarderen. Omdat de man heeft aangegeven dat hij geen eigenaar wenst te worden van 50% van de aandelen van [naam B.V. 3] (de vrouw zou in dat scenario dan de andere helft houden), zijn partijen het erover eens dat [naam B.V. 3] geliquideerd moet worden. De rechtbank zal, conform het subsidiaire verzoek van de vrouw daartoe, in het dictum van deze beschikking vastleggen dat daartoe overgegaan moet worden. Partijen zullen dit in onderling overleg moeten regelen en zij zijn ieder gerechtigd tot de helft van het resterende bedrijfsvermogen, hetgeen volgens de vrouw € 100.000,- à € 150.000,- zal bedragen.

ad c) overige B.V.’s van de vrouw

Voor zover de man heeft gesteld dat er nog meer B.V.’s van de vrouw zijn die in de gemeenschap vallen, overweegt de rechtbank dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze B.V.’s na de peildatum zijn opgericht. De rechtbank zal daarom ten aanzien van deze B.V.’s niets beslissen.

ad d) eenmanszaak van de man

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat ook de eenmanszaak van de man tot de gemeenschap van goederen behoort, overweegt de rechtbank dat, zoals de man heeft aangevoerd, de eenmanszaak als zodanig geen goed is en dat het vermogen van de eenmanszaak volledig is verwerkt in de banksaldi van de man. De rechtbank zal daarom ook ten aanzien van deze eenmanszaak niets beslissen.

ad e) aanslag inkomstenbelasting 2017

Partijen zijn het erover eens dat de man een vordering van € 16.218,- op de vrouw heeft in verband met de aanslag inkomstenbelasting 2017. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de vrouw € 16.218,- aan de man moet voldoen.

ad f) overeenkomst van geldlening [adres]

De man stelt dat hij een vordering heeft op [naam B.V. 2] van € 10.000,-. Hij verzoekt te bepalen dat deze vordering aan de vrouw wordt toebedeeld onder vergoeding van de volledige waarde ervan aan de man, omdat hij de kans groot acht dat deze vordering niet verhaalbaar is op de B.V.

De vrouw stelt dat de man zijn vordering bij de B.V. moet indienen en niet bij haar. De B.V. is echter geen partij in deze procedure. Zij verzoekt daarom het verzoek van de man af te wijzen.

De rechtbank volgt in dit opzicht het standpunt van de vrouw, aangezien uit productie 7 van de man blijkt dat het gaat om een vordering van de man op de B.V. Nu de B.V. geen partij is in deze echtscheidingsprocedure, kan de rechtbank dit verzoek van de man niet toewijzen. Het enkele vermoeden van de man dat hij deze vordering niet op de B.V. kan verhalen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

ad g) overeenkomst van geldlening broer van de man

De man stelt dat hij enkele jaren geleden een lening heeft afgesloten bij zijn broer voor in totaal € 65.000,- ten behoeve van zijn eenmanszaak tegen 6% rente. Elk jaar wordt de hoogte van de schuld tussen de man en zijn broer opnieuw bepaald en vastgelegd, zo ook op 1 januari 2018 (productie 8 van de man). Er is nooit afgelost of rente betaald. De schuld valt volgens de man in de gemeenschap. Op de peildatum bedroeg de schuld, gelet op de rente,

€ 77.359,74. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de schuld aan de man moet voldoen en dat de man de schuld als eigen schuld draagt.

De door de man opgevoerde schuld is volgens de vrouw een door hem gefingeerde, niet bestaande schuld. Zij voert ter onderbouwing van haar standpunt aan dat een gedagtekende overeenkomst van geldlening waaruit volgt dat de man geld is verschuldigd aan zijn broer ontbreekt. De man brengt diverse stukken in het geding maar nergens blijkt uit dat er ooit een overeenkomst van geldlening is gesloten. Er is volgens de vrouw sprake van een onsamenhangend en ongeloofwaardig verhaal. Op 16 oktober 2020 heeft de vrouw op dit punt een bewijsaanbod gedaan, in die zin dat zij stelt te beschikken over een geluidsopname waarop te horen is dat de man erkent dat de lening gefingeerd is.

De rechtbank volgt ten aanzien van dit verzoek het standpunt van de vrouw, nu uit de door de man overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende blijkt dat sprake is van een schuld bij zijn broer. De man heeft nagelaten de oorspronkelijke overeenkomst van geldlening over te leggen. Ook heeft hij, noch aan de hand van bankafschriften noch aan de hand van de boekhouding van zijn eenmanszaak, laten zien dat de hoofdsom destijds daadwerkelijk aan hem is overgemaakt, wat – zeker nu het gaat om een niet-zakelijke lening die in de familiesfeer is aangegaan – wel mag worden gevergd. Bovendien geldt dat de bedragen genoemd in de door de man overgelegde tussentijdse overzichten (producties 8 en 23) niet aansluiten bij de door de man genoemde hoofdsom van

€ 65.000,-. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.

ad h) overeenkomst van geldlening [naam B.V. 4] .

De man stelt dat hij met het geld van zijn broer een lening heeft verstrekt aan [naam B.V. 4] . tegen een rente van 12%. Op de peildatum bedroeg de schuld, gelet op de rente, volgens de man € 95.478,57. De vrouw heeft zelf € 75.000,- verstrekt aan [naam B.V. 4] . Zij heeft vervolgens echter zitten ‘rommelen’ en nu zijn de vorderingen van partijen op de B.V. omgebogen in een schuld aan de B.V. van ongeveer € 80.000. De man wenst daarom dat zijn vordering ter grootte van € 95.478,57 op de peildatum, te vermeerderen met de overeengekomen rente tot op de datum van de verdeling, aan de vrouw wordt toegekend onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij een vordering van € 95.478,57 op de B.V. heeft. De man heeft slechts een ‘Loan agreement’ en verklaring van zijn broer ingediend (producties 8 en 26). De rechtbank kan derhalve niet vaststellen wat er precies met deze vordering van partijen is gebeurd. De vrouw daarentegen heeft een verklaring van [kantoor] ingediend waaruit blijkt dat op de peildatum sprake was van een rekeningcourant schuld van de B.V. aan partijen van

€ 20.456,-, waarvan volgens de vrouw nu nog € 10.467,- resteert (producties 9 en 23). Nu de B.V. bovendien geen partij is in deze procedure, kan de rechtbank ten aanzien van de B.V. niets bepalen, maar de rechtbank verwacht van de vrouw dat zij haar toezegging – dat zij ervoor zal zorgen dat [naam B.V. 4] . aan ieder van partijen € 5.233,50 zal uitbetalen – gestand doet.

ad i) sieraden

[merk 1]

De man stelt dat de vrouw beschikt over een gouden [merk 1] [type] ingelegd met diamanten ter waarde van circa € 18.000,-.

Nu uit de door de vrouw overgelegde producties (1, 22 en 26) blijkt dat het horloge eigendom is van haar moeder en ook door haar moeder is betaald, is de rechtbank van oordeel dat dit horloge niet in de gemeenschap van goederen valt. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het standpunt van de man.

[merk 2]

De vrouw stelt dat de man een [merk 2] horloge heeft met een waarde van circa

€ 50.000,-.

Nu de man ontkent dat hij over een [merk 2] horloge beschikt en de vrouw haar stelling niet met objectief bewijs heeft onderbouwd, zal de rechtbank voorbij gaan aan dit standpunt van de vrouw.

Verlovingsring

Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat de man aan de vrouw een gouden verlovingsring met een één-karaatsdiamant van ongeveer € 5.000,- heeft gegeven. De rechtbank zal voorbij gaan aan het beroep van de vrouw op verknochtheid in de zin van artikel 1:94, derde lid, BW (zoals dit artikel gold tot 1 januari 2018), aangezien daar volgens vaste jurisprudentie strenge eisen aan worden gesteld – zo is het feit dat de ene partner de andere partner een sieraad cadeau heeft gedaan, dat het exclusief door die ontvangende partner wordt gedragen en dat deze daaraan zeer gehecht is, onvoldoende om te oordelen dat het sieraad niet tot de gemeenschap behoort, zie hof Amsterdam, 12 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1425 en hof Arnhem-Leeuwarden 19 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8191 – en de vrouw heeft nagelaten dit standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank zal daarom de verlovingsring aan de vrouw toedelen, onder de voorwaarde dat zij € 2.500,- aan de man zal voldoen.

Gouden oorbellen

Nu de vrouw ter zitting heeft erkend dat zij deze oorbellen in haar bezit heeft en de man onweersproken heeft gesteld dat de waarde daarvan op € 5.000,- moet worden geschat en onder verwijzing naar de hierboven aangehaalde jurisprudentie ook van deze sieraden niet kan worden geoordeeld dat deze aan de vrouw verknocht zijn, zal de rechtbank deze oorbellen eveneens aan de vrouw toedelen, onder de voorwaarde dat zij € 2.500,- aan de man zal voldoen.

Overige sieraden

Voor zover de man heeft gesteld dat hij de waarde van de overige sieraden van de vrouw op € 5.000,- schat, overweegt de rechtbank dat de man heeft nagelaten dit standpunt concreet te onderbouwen. Nu de vrouw bovendien heeft betwist dat zij nog over andere sieraden met een dergelijke waarde beschikt, zal de rechtbank voorbij gaan aan dit standpunt van de man.

ad j) inboedel, waaronder een servies van Villeroy & Boch

De vrouw stelt dat zij uitsluitend de kindermeubels zou meenemen, maar dat de man deze in de zomer van 2019 op Marktplaats heeft verkocht voor € 2.000,-. Daarnaast hebben de ouders van de vrouw een Villeroy & Boch servies aan de vrouw geschonken, maar de man heeft de helft van dit servies meegenomen zodat het niet meer bruikbaar is. Zij verzoekt te bepalen dat de man € 2.000,- aan haar voldoet en haar de helft van het servies geeft.

Nu uit de door de man overgelegde stukken (producties 17 en 31) blijkt dat de inboedel en het Villeroy & Boch servies al tussen partijen zijn verdeeld, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.

ad k) bankrekeningen

Uit de door partijen overgelegde producties blijkt dat de volgende bankrekeningen in de gemeenschap vallen:

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van partijen gezamenlijk;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] , op naam van de man.

Van de door de man in zijn formulier verdelen & verrekenen opgevoerde rekening met nummer [bankrekeningnummer] heeft de vrouw met productie 6 aangetoond dat die pas na de peildatum (op 16 april 2018) is geopend. Van de rekening met nummer [bankrekeningnummer] heeft de vrouw met productie 27 laten zien dat deze ruim voor de peildatum (op 1 december 2016) al was opgeheven. Deze beide rekeningen zullen verder dan ook buiten beschouwing blijven.

Tussen partijen is ter zitting een discussie ontstaan over de saldi van de bankrekeningen op de peildatum, nu de door de vrouw overgelegde productie met betrekking tot de rekening [bankrekeningnummer] bankafschrift van 10 april 2018 (in plaats van 11 april 2018) betreft (productie 3) en de door de man ter zitting overgelegde stukken met betrekking tot [bankrekeningnummer] , [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer] jaaroverzichten zijn waarop alleen de saldi aan het begin en aan het eind van het jaar zichtbaar zijn (en niet dat op de peildatum van 11 april 2018). De rechtbank stelt vast dat zij op basis van de door partijen overgelegde stukken ten aanzien van voornoemde rekeningen net zo min als partijen kan vaststellen wat de saldi op de peildatum waren. De rechtbank zal daarom bepalen dat ieder de eigen bankrekeningen behoudt en dat, ongeacht de discussie van partijen ter zitting, de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte te dienen worden gedeeld. De gezamenlijke bankrekening zal moeten worden opgeheven en het saldo zal ook per peildatum bij helfte dienen te worden gedeeld. De rechtbank overweegt daarbij dat partijen verplicht zijn om elkaar over en weer inzage te geven in de saldi per de peildatum.

Voor zover de man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw verplicht is inzage te geven in alle transacties boven de € 500,- vóór de peildatum, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om dit verzoek van de man – dat door de vrouw is aangeduid als ‘fishing expedition’ – toe te wijzen.

ad l) woning in Griekenland

De vrouw stelt dat de man 58% eigenaar van het huis in Griekenland is. Zij schat de waarde op € 400.000,-. Dit betekent volgens haar dat zij recht heeft op 29% daarvan, te weten

€ 116.000,-.

Voor zover de vrouw heeft betoogd dat de constructie met de lening van de man bij zijn moeder teneinde zijn aandeel in het huis te financieren niet klopt, overweegt de rechtbank dat dit er niet toe doet aangezien uit de door de man overgelegde producties blijkt dat deze woning op 29 maart 2018 aan de broer van de man is geleverd (producties 32 tot en met 34). De rechtbank stelt daarmee vast dat deze woning op de peildatum niet meer (deels) tot de gemeenschap behoorde. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

ad m) overig onroerend goed

Voor zover de man heeft verzocht de vrouw opdracht te geven van alle onroerende zaken die op haar naam stonden op de peildatum opgaaf te doen, overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij aan een dergelijke bewijsopdracht – die zou betekenen dat de vrouw moet bewijzen dat er niet méér is dan zij in deze procedure reeds opgegeven heeft – voldoet. De vrouw heeft verklaard dat zij op de peildatum alleen de woning op de [adres] , samen met de man, in eigendom had en de rechtbank heeft op basis van de stukken geen reden aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de aandelen in [naam B.V. 1] niet tot de gemeenschap van goederen behoren;

verstaat dat [naam B.V. 3] en haar dochters geliquideerd zullen worden, waarna aan ieder der partijen de helft van het resterende bedrijfsvermogen wordt toegedeeld, na aftrek van alle kosten;

bepaalt dat de vrouw € 16.218,- aan de man moet voldoen ter zake van de aanslag inkomstenbelasting 2017;

stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt vast:

- aan de man worden toebedeeld:

- de volgende bankrekeningen:

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de man,

  • -

    [bankrekeningnummer] , op naam van de man;

onder de voorwaarde dat hij de helft van de saldi van deze bankrekeningen per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- aan de vrouw worden toebedeeld:

- de volgende bankrekeningen:

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw;

  • -

    [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw,

onder de voorwaarde dat zij de helft van de saldi van deze bankrekeningen per peildatum aan de man zal voldoen;

- de verlovingsring voor een waarde van € 5.000,-, onder de voorwaarde dat zij

€ 2.500,- aan de man zal voldoen;

- de gouden oorbellen voor een waarde van € 5.000,-, onder de voorwaarde dat zij

€ 2.500,- aan de man zal voldoen;

bepaalt dat de bankrekening [bankrekeningnummer] op naam van beide partijen moet worden opgeheven en dat het saldo per peildatum bij helfte moet worden gedeeld;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.W. van Ravenstein, rechter, bijgestaan door

mr. I.B. van Angeren als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2020.