Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12797

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
09/224065-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fraude door scannen QR-code. Misbruik gemaakt van kwetsbaarheid in ING mobiel bankieren app, waardoor toegang werd verkregen tot bankrekening slachtoffers. Oplichting, computervredebreuk, diefstal met valse sleutel en witwassen. Oplegging 5 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/224065-20

Datum uitspraak: 15 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] juli 1993 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 december 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. N.J. Ros en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M. Koers naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 juli 2019 tot en met
4 november 2019 te ‘s-Gravenhage en/of Tilburg, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bewogen zijn/hun inlogna(a)m(en) en/of wachtwoord(en) en/of andere (inlog)gegevens van zijn account bij de ING bank ter beschikking te stellen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

(t.a.v. die [slachtoffer 1] )

- die [slachtoffer 1] gevraagd om € 2,00 naar zijn bankrekening over te maken en/of

- die [slachtoffer 1] een valse app getoond die leek op een ING bank app en/of

- die [slachtoffer 1] gevraagd om de QR-code te scannen;

(t.a.v. die [slachtoffer 2] )

- die [slachtoffer 2] gevraagd om via internetbankieren te mogen afrekenen voor de taxirit en/of

- de bankpas van die [slachtoffer 2] aangenomen en/of

- die [slachtoffer 2] gevraagd om in te loggen op zijn ING bank app om te controleren of het geld op zijn rekening stond en/of

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer 2] getrokken terwijl die ING bank app nog open stond en/of

- de bankpas van die [slachtoffer 2] gescand

(t.a.v. die [slachtoffer 3] )

- die [slachtoffer 3] gevraagd om € 1,40 naar zijn, verdachtes bankrekening over te maken en/of

- die [slachtoffer 3] gevraagd om een QR-code te scannen en/of

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer 3] gepakt en/of

- die [slachtoffer 3] gevraagd een bevestigingscode op zijn telefoon in te toetsen

(t.a.v. die [slachtoffer 4] )

- die [slachtoffer 4] gevraagd om € 1,00 naar zijn, verdachtes bankrekening over te maken en/of

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer 4] getrokken terwijl [slachtoffer 4] zijn ING bank app geopend had en/of deze ING bank app nog open stond;

2

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 juli 2019 tot en met
5 november 2019 te ‘s-Gravenhage en/of Tilburg, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de ING bank, althans een deel daarvan, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken heeft/hebben verworven

- met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de (inlog)gegevens voor het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord) van/bij de ING bank en/of

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde de geautoriseerde ING

klant(en) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ;

3

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 juli 2019 tot en met
5 november 2019 te ‘s-Gravenhage en/of Tilburg en/of Rotterdam en/of Hendrik Ido Ambacht, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (€ 3986,00) en/of [slachtoffer 1] (€ 995,00) en/of [slachtoffer 3] (€ 517,99) en/of [slachtoffer 4] (€ 477,20), althans één of meerdere klanten van de ING bank,

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen,

- zich (telkens) toegang verschaft tot de ING bank (internet)bankrekening(en) van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , althans van één of meerdere ING bank klanten, met gebruikmaking van aan deze klanten toebehorende (inlog)gegevens,

- waarna verdachte en/of zijn mededader(s) één of meerdere geldbedrag(en) van de

bankrekening(en) van voornoemde klanten, heeft/hebben overgemaakt naar één of meerdere

bankrekening(en) van (een) derde(n) en/of

(vervolgens) met deze/dit geldbedrag(en) kleding en/of andere goederen heeft/hebben

aangeschaft en/of (een) OV-chipkaart(en) heeft/hebben opgewaardeerd en/of deze/dit

geldbedrag(en) met behulp van één of meerdere betaalautoma(a)t(en) heeft/hebben

opgenomen/gepind;

4

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 juli 2019 tot en met
5 november 2019 te ‘s-Gravenhage en/of Tilburg en/of Rotterdam en/of Hendrik Ido Ambacht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens)

a. a) van een voorwerp, te weten één of meer geldbedragen van (in totaal) € 9640,65 de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was

en/of

b) een voorwerp, te weten één of meer geldbedragen van in totaal € 9640,65 heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig -eigen- misdrijf.

3 Bewijs

3.1

Inleiding

De verdachte wordt – kort samengevat – ervan verdacht dat hij, al dan niet samen met een of meer anderen:

  • -

    in de periode van 21 juli 2019 tot en met 4 november 2019 in Den Haag/Tilburg/ Nederland [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 4] (hierna ook: [slachtoffer 4] ) heeft opgelicht waarbij hij hen heeft bewogen de inloggegevens van hun account bij de ING bank ter beschikking te stellen (feit 1);

  • -

    in de periode van 21 juli 2019 tot en met 5 november 2019 in Den Haag/ Tilburg/ Nederland computervredebreuk heeft gepleegd met betrekking tot de internetbankierenomgeving van de ING bank (feit 2);

  • -

    in de periode van 21 juli 2019 tot en met 5 november 2019 in Den Haag/ Tilburg/ Rotterdam/ Hendrik-Ido-Ambacht/ Nederland geldbedragen heeft gestolen van de ING bankrekeningen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met gebruikmaking van inloggegevens van ING klanten (feit 3);

  • -

    in de periode van 21 juli 2019 tot en met 5 november 2019 geldbedragen heeft witgewassen (feit 4).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, voor zover de ten laste gelegde feiten zien op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Bewijsmiddelen

Aangifte [slachtoffer 3]

heeft verklaard dat hij op 15 oktober 2019 rond 22.15 uur in de stationshal van het centraal station in Tilburg werd aangesproken door een jongen die hem vroeg om € 1,40 naar zijn bankrekening over te maken, omdat hij geld tekort kwam voor het kopen van een treinkaartje. De jongen zei dat hij [slachtoffer 3] een Tikkie kon sturen met een QR-code. De jongen liet op zijn telefoon aan [slachtoffer 3] een QR-code zien. Deze telefoon zag er voor [slachtoffer 3] uit als een iPhone. [slachtoffer 3] probeerde de QR-code te scannen met zijn telefoon en gebruikte daarvoor de QR-code scanner van zijn ING bank app. Het scannen van de QR-code leek niet te lukken, waarop de jongen de telefoon van [slachtoffer 3] uit zijn handen pakte. Vervolgens probeerde de jongen meerdere malen de QR-code te scannen met de telefoon van [slachtoffer 3] . Na een paar keer proberen, moest [slachtoffer 3] op zijn telefoon de bevestigingscode intoetsen, wat hij heeft gedaan. Volgens [slachtoffer 3] ging het om een jongen van begin 20 jaar met een licht getinte huidskleur, kort zwart kroeshaar, een zwarte jas aan en een Gucci heuptas om. Toen [slachtoffer 3] op 16 oktober 2019 op zijn ING bank app keek, zag hij dat een geldbedrag van € 503,99 van zijn [bankrekeningnummer] was afgeschreven bij de [naam bedrijf] in Rotterdam. [slachtoffer 3] had dit bedrag niet zelf gepind. Van de klantenservice van de ING hoorde [slachtoffer 3] dat een nieuwe ING bankieren app was geïnstalleerd op een iPhone XR. Dit was niet de telefoon van [slachtoffer 3] .2

Uit een analyse van de ING bankrekening met [bankrekeningnummer] blijkt het volgende:

  • -

    op 16 oktober 2019 is om 00:45 uur € 14,- gepind bij de NS Rotterdam C;

  • -

    op 16 oktober 2019 is om 1:07 uur € 503,99 gepind bij de [naam bedrijf] in Rotterdam;

  • -

    op 16 oktober 2019 is om 0:09 en 0:11 uur gepoogd om in totaal € 1020,- over te maken naar een bankrekeningnummer op naam van [naam] , middels een iPhone XR.3

Camerabeelden en herkenning verdachte

Op camerabeelden van het centraal station in Tilburg van 15 oktober 2019 zag een politieagent dat [slachtoffer 3] (die zij herkende van het bij de aangifte opgegeven signalement) om 22:15:16 uur werd aangesproken door een persoon die jongen 1 wordt genoemd. Om 22:15:27 wees jongen 1 in de richting van de kaartjesautomaat en liet hij vervolgens zijn telefoon aan [slachtoffer 3] zien. Om 22:16:26, 22:16:44 en 22:17:40 uur pakte jongen 1 de telefoon van [slachtoffer 3] uit zijn handen. Om 22:18:54 uur leek jongen 1 met in zijn rechterhand de telefoon van [slachtoffer 3] iets te scannen, vanaf een andere telefoon in zijn linkerhand. Hij gaat met de mobiel meerdere keren dichter bij en dan weer verder af van de andere mobiel. Om 22:19:20 uur pakte jongen 1 weer de telefoon van [slachtoffer 3] en toetste hij wat in op het scherm van de telefoon. Jongen 1 herhaalde de handeling van het scannen van een andere mobiele telefoon. Om 22:19:42 uur kreeg [slachtoffer 3] zijn telefoon terug van jongen 1, waarna jongen 1 nog iets intoetste op het beeldscherm.

De politieagent beschreef het signalement van jongen 1 op de camerabeelden als volgt: 20 tot 25 jaar oud, licht getinte huid, baardje, zwarte jas, zwarte joggingbroek, zwarte schoenen, zwart petje met witte tekst, zwarte schoudertas met rode hengsels.4 Jongen 1 is later door verbalisanten herkend als de verdachte.5

Aangifte [slachtoffer 4]

heeft verklaard dat hij op 21 juli 2019, omstreeks 17.00 uur, op de [adres 2] in Tilburg werd aangesproken door twee mannen. Eén van de mannen vroeg of [slachtoffer 4] kon helpen door via [slachtoffer 4] telefoon één euro naar de bankrekening van de mannen over te maken om online te kunnen betalen voor parkeren. [slachtoffer 4] heeft een bankrekening bij de ING bank met [bankrekeningnummer] . [slachtoffer 4] opende zijn ING bankieren app en wilde één euro overmaken. Eén van de mannen zei dat hij een snellere manier wist om het geld over te maken. [slachtoffer 4] moest zijn telefoon geven aan de man, terwijl de man op dat moment ook zijn eigen telefoon vasthield. Ineens zei de man dat die euro niet meer hoefde te worden overgemaakt en dat er ineens 50,00 euro op zijn rekening was gestort. [slachtoffer 4] kreeg zijn telefoon terug en de mannen liepen weg in de richting van de [naam winkel] . [slachtoffer 4] omschreef de man die hem aansprak als een Antilliaanse man met een donkere huidskleur, tussen de 20 en 25 jaar, kort haar, met een pet op. De tweede man die erbij was omschreef hij als een Antilliaanse man met een donkere huidskleur, tussen de 20 en 25 jaar met een crèmekleurig hoedje op, een Gucci schoudertas om, witte kleding aan en een zonnebril op.

Later die avond zag [slachtoffer 4] dat zijn hele spaarrekening leeg was. Toen hij contact opnam met de ING bank, hoorde hij dat op 21 juli 2019, omstreeks 17.10 uur, drie keer een bedrag van € 151,95 was gepind bij de [naam winkel] in Tilburg. Verder hoorde hij dat een bedrag was gepind bij de Shell langs de A16, ter hoogte van Hendrik-Ido-Ambacht.

Uit een afschrift van de [bankrekeningnummer] blijkt het volgende:

  • -

    op 21 juli 2019 om 19:41 uur is € 21,35 gepind bij Shell Sandelingen;

  • -

    op 21 juli 2019 om 17:12 uur, 17:13 uur en 17:14 uur is telkens een bedrag van € 151,95 gepind bij [naam winkel] in Tilburg;

  • -

    op boekdatum 22 juli 2019 is € 52,49 door T-Mobile teruggeboekt met reden: “terugboeking op verzoek klant”;

  • -

    op boekdatum 22 juli 2019 is twee keer een bedrag van € 138,70 door CZ Groep Zorgverzekeraar teruggeboekt met reden: “terugboeking op verzoek klant”;

  • -

    op 21 juli 2019 is een bedrag van in totaal € 440,- van de spaarrekening overgeboekt naar de bankrekening.6

Later is uit de door de politie bij de ING bank gevorderde loggegevens van de [bankrekeningnummer] van [slachtoffer 4] gebleken dat op 21 juli 2019 een iPhone 6 was toegevoegd aan zijn bankrekening.7

Camerabeelden en herkenning verdachte

Op de camerabeelden van de [adres 2] in Tilburg van 21 juli 2019 zag [Verbalisant] om 16:59:00 uur twee mannen die voldeden aan het signalement dat [slachtoffer 4] had genoemd.
De verbalisant omschreef het signalement van man 1 als volgt: donkere huidskleur, baard, zwarte pet met een witte sticker erop, T-shirt van het merk Adidas en Manchester United team logo, zwarte trainingsbroek, zwarte tas om zijn nek, zwart gekleurd vest/trainingsjack om zijn middel, zwarte sneakers.

De verbalisant omschreef het signalement van man 2 als volgt: donkere huidskleur, crèmekleurige hoed met rode strepen, crèmekleurige zomerjas, zonnebril op, tas tussen zijn linkerarm en lichaam, grijs/zwarte spijkerbroek, witte schoenen.

Op de camerabeelden van de [naam winkel] in Tilburg van 21 juli 2019 om 17:05:56 uur zag [Verbalisant] dat eerdergenoemde mannen de [naam winkel] binnenliepen. De verbalisant zag dat de signalementen overeenkwamen met de eerder omschreven signalementen van de mannen op de beelden van de [adres 2] . De verbalisant zag dat man 1 twee telefoons vasthield en in gesprek was met de kassamedewerker. Vervolgens wilde man 1 contactloos betalen met een van de telefoons. De mannen probeerden een product af te rekenen met een telefoon. Om 17:14:58 uur ging de kassalade open en gaf de kassamedewerker geld aan man 2. Man 2 pakte twee producten en wilde deze ook afrekenen. Hierop hebben de mannen nog een contactloze transactie verricht en kregen zij om 17:15:48 uur geld van de kassamedewerker. De derde en laatste contactloze transactie werd om 17:16:17 uur door de mannen verricht en daarbij kregen zij wederom geld van de kassamedewerker.

[Verbalisant] heeft ook foto’s van de camerabeelden van het Shell tankstation (de rechtbank begrijpt: Shell Sandelingen in Hendrik-Ido-Ambacht) bekeken. Hij zag daarop dezelfde mannen als de mannen die bij de [naam winkel] in Tilburg hadden gepind. Verder zag hij dat man 1 degene was die met een telefoon contactloos betaalde en het geld aannam van de kassamedewerker van de Shell.8 Man 1 is later door verbalisanten aan de hand van de foto’s van de camerabeelden van de Shell herkend als de verdachte.9

Installeren ING app op extra toestel

Uit een bericht op de website van de ING bank blijkt dat het mogelijk was om door het scannen van een QR-code de ING mobiel bankieren app op een extra toestel te installeren. Deze mogelijkheid is inmiddels verwijderd, omdat het aantal meldingen van oplichting door middel van het installeren van een tweede toestel toenam.10

Bewijsoverwegingen

Feit 1: oplichting

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat de jongen die hem op 15 oktober 2019 bij het centraal station in Tilburg vroeg om € 1,40 naar zijn bankrekening over te maken, zei dat hij [slachtoffer 3] een Tikkie kon sturen met een QR-code, hij [slachtoffer 3] een QR-code op zijn telefoon toonde en [slachtoffer 3] die QR-code probeerde te scannen met zijn telefoon. De jongen pakte [slachtoffer 3] telefoon uit de handen van [slachtoffer 3] en probeerde meerdere malen de QR-code te scannen met [slachtoffer 3] telefoon. Daarna moest [slachtoffer 3] een bevestigingscode op zijn telefoon invoeren. Uit de camerabeelden blijkt dat een persoon – die later als de verdachte wordt herkend – de telefoon van [slachtoffer 3] uit zijn handen pakte, iets leek te scannen met een andere telefoon en iets intoetste op het scherm van de telefoon van [slachtoffer 3] . De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte op dat moment, door het scannen van de QR-code, de toegang heeft gekregen tot de ING-bankrekening van [slachtoffer 3] . Uit de informatie op de website van de ING bank blijkt immers dat het mogelijk was om de ING mobiel bankieren app op een extra toestel te installeren door middel van het scannen van een QR-code. Bovendien bleek uit navraag van [slachtoffer 3] bij de ING bank dat de ING mobiel bankieren app was geïnstalleerd op een hem onbekende iPhone XR.

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij zijn telefoon waarop hij was ingelogd op de ING mobiel bankieren app, moest geven aan de man die hem op 21 juli 2019 omstreeks 17:00 uur op de [adres 2] in Tilburg vroeg om één euro naar hun bankrekening over te maken. Na het teruggeven van de telefoon aan [slachtoffer 4] , liep de man weg in de richting van de [naam winkel] . Uit het afschrift van [slachtoffer 4] blijkt dat ongeveer tien minuten later kort achter elkaar drie bedragen van zijn bankrekening werden gepind bij de [naam winkel] in Tilburg en diezelfde avond een bedrag bij de Shell in Hendrik-Ido-Ambacht. De persoon die dat heeft gedaan, is op de camerabeelden herkend als de verdachte. De verdachte is ook te zien op beelden van de [adres 2] , gemaakt omstreeks het moment dat [slachtoffer 4] werd aangesproken. Van het gebeurde met [slachtoffer 4] zijn geen beelden, maar gelet op het korte tijdsverloop tussen het aanspreken van [slachtoffer 4] op de [adres 2] tot de pintransacties bij de [naam winkel] (ongeveer tien minuten) en gelet op het overeenkomende signalement, gaat de rechtbank ervan uit dat het ook de verdachte was die [slachtoffer 4] aansprak en zijn telefoon in handen had en dat de verdachte op dat moment de toegang heeft gekregen tot de ING-bankrekening van [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] verklaart niet dat dat is gebeurd door het scannen van een QR-code, maar de rechtbank gaat daarvan wel uit. Uit loggegevens van de bank is immers gebleken dat op 21 juli 2019 een iPhone is toegevoegd aan de bankrekening van [slachtoffer 4] , terwijl uit de informatie op de website van de ING bank blijkt dat het mogelijk was om de ING mobiel bankieren app op een extra toestel te installeren door middel van het scannen van een QR-code.

De rechtbank ziet in het handelen van de verdachte listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. De verdachte heeft [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in strijd met de waarheid laten denken dat verdachte geld op zijn bankrekening nodig had voor het op het station kopen van een treinkaartje, dan wel op straat voor online parkeren, waardoor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een bedrag naar zijn bankrekening zouden overmaken. Die onjuiste voorstelling van zaken heeft [slachtoffer 3] bewogen tot het scannen van een QR-code en [slachtoffer 4] tot het afgeven van zijn telefoon en daarmee – zonder dat zij het wisten – tot het beschikbaar stellen van de inloggegevens die nodig waren om de ING app op de telefoon van de verdachte zo in te stellen dat de verdachte met die ING app toegang verkreeg tot de bankrekeningen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Feit 3: diefstal met valse sleutel

Op de bankrekening van [slachtoffer 3] hebben kort na het gebeurde bij het station in Tilburg buiten zijn medeweten meerdere transacties plaatsgevonden. Hoewel camerabeelden ontbreken, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte deze transacties heeft verricht. Daartoe is redengevend het korte tijdsverloop van het gebeurde in Tilburg tot de transacties (minder dan drie uur), het feit dat volgens de klantenservice van de ING een nieuwe ING bankieren app was geïnstalleerd op een iPhone XR, die niet de telefoon van [slachtoffer 3] was, en het feit dat bij twee pogingen om geld van de rekening van [slachtoffer 3] af te schrijven een iPhone XR is gebruikt. [slachtoffer 3] heeft bij de jongen die hem aansprak ook een telefoon gezien die eruit zag als een iPhone.

Op de camerabeelden van [naam winkel] in Tilburg is te zien dat de verdachte bij de kassa betaalt met een mobiele telefoon. Uit de bankafschriften van [slachtoffer 4] blijkt dat op ongeveer hetzelfde tijdstip bedragen van zijn bankrekening zijn afgeschreven bij [naam winkel] in Tilburg. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte heeft betaald met het saldo op de bankrekening van [slachtoffer 4] . Op foto’s van camerabeelden van de Shell in Hendrik-Ido-Ambacht is ook te zien dat een persoon – die later als de verdachte werd herkend – betaalde met een mobiele telefoon. Op het bankafschrift van [slachtoffer 4] komt ook een transactie met een Shell tankstation voor. In aanmerking genomen dat dit alles zich op dezelfde dag afspeelt, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte ook deze transactie heeft verricht.

Bij meerdere hiervoor genoemde transacties is gebruik gemaakt van een mobiele telefoon. Dat moet gebeurd zijn met gebruikmaking van de ING mobiel bankieren app die was ingesteld met de door oplichting verkregen inloggegevens van [slachtoffer 3] , respectievelijk [slachtoffer 4] . De verdachte was niet bevoegd van die inloggegevens gebruik te maken, dus is sprake van een valse sleutel. Daarmee heeft de verdachte in totaal weggenomen van de bankrekening van [slachtoffer 3] € 517,99 (€ 14,00 + € 503,99) en van de bankrekening van [slachtoffer 4] € 477,20 (€ 21,35 + 3 x € 151,95). De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Feit 2: computervredebreuk

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de verdachte zich op meerdere momenten de toegang heeft verschaft tot de bankrekeningen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met gebruikmaking van de ING mobiel bankieren app. In ieder geval heeft hij dat gedaan op het station in Tilburg, op de [adres 2] in Tilburg, en telkens als hij een transactie verrichtte met de bankrekeningen. Daarmee is de verdachte binnengedrongen in een (deel van een) geautomatiseerd werk, namelijk de beveiligde internetbankierenomgeving van de ING bank. Hij heeft dat gedaan met inloggegevens tot het gebruik waarvan hij niet bevoegd was, en door zich voor te doen als geautoriseerde gebruiker, dus is sprake van een valse sleutel en een valse hoedanigheid. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Feit 4: witwassen

Tot slot concludeert de rechtbank dat de verdachte op tijdstippen in de periode van 21 juli 2019 tot en met 16 oktober 2019 de beschikking heeft gehad over de rekeningen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en dat hij daarom verantwoordelijk kan worden gehouden voor alle uitgaande transacties en terugboekingen op die rekeningen, die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in die periode niet zelf hebben verricht. De rechtbank gaat op basis van de analyse van de bankrekening van [slachtoffer 3] uit van een geldbedrag van totaal € 1.537,99 (€ 14,- + € 503,99 + € 1.020,-). De rechtbank gaat op basis van de analyse van de bankrekening van [slachtoffer 4] uit van een geldbedrag van totaal € 1.247,09 (€ 21,35 + 3 x € 151,95 + € 52,49 + 2 x € 138,70 + € 440,-). De rechtbank stelt vast dat de verdachte aldus totaal een geldbedrag van € 2.785,08 voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt. De verdachte wist dat dit geldbedrag uit zijn eigen misdrijven, de oplichtingen, de diefstallen en de computervredebreuken, afkomstig was en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het witwassen van dat geldbedrag. De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Partiële vrijspraak medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) heeft gehandeld. Weliswaar is op alle camerabeelden te zien dat de verdachte in het gezelschap is van een of meer andere personen, maar onduidelijk is gebleven wat hun precieze rol is geweest bij de ten laste gelegde feiten. Dat het hier gaat om delicten die alleen door gezamenlijk opererende daders kunnen worden gepleegd en dat de andere personen dus wel een wezenlijke bijdrage moeten hebben geleverd aan de delicten, zoals de officier van justitie heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Dat mogelijk ook anderen hebben geprofiteerd van de door de verdachte gepleegde feiten, maakt hen nog geen medeplegers. De rechtbank zal de verdachte dus in zoverre vrijspreken.

Partiële vrijspraak [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten hebben mede betrekking op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die ook aangifte hebben gedaan van bankfraude. Buiten medeweten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben er transacties plaatsgevonden van hun bankrekeningen. Op camerabeelden van het moment dat [slachtoffer 1] wordt opgelicht op station Hollands Spoor in Den Haag, en van het moment dat er daarna een betaling wordt gedaan van [slachtoffer 1] bankrekening bij de winkel [naam winkel] in Amsterdam, is de verdachte herkend. De rechtbank ziet daarin sterke aanwijzingen dat de verdachte hierbij op enige wijze betrokken was, maar kan de exacte betrokkenheid niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen. Hoewel de verdachte op de camerabeelden is herkend, lijkt hij namelijk geen actieve rol te spelen bij het plegen van de daarop waar te nemen delicten. Met betrekking tot [slachtoffer 2] ontbreken camerabeelden. De signalementen die [slachtoffer 2] heeft gegeven van de mannen die iets met zijn telefoon hebben gedaan, zijn te algemeen, ook indien rekening wordt gehouden met de straat waar [slachtoffer 2] de mannen met zijn taxi heeft afgezet en waar de vriendin van de verdachte zou wonen. Zelfs als wordt uitgegaan van de betrokkenheid van de verdachte, dan blijft onduidelijk wat zijn rol precies was en dus of hij (mede)pleger was. De verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, zoals hierna vermeld.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 21 juli 2019 tot en met 15 oktober 2019 te Tilburg, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bewogen hun inloggegevens van hun account bij de ING bank ter beschikking te stellen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

t.a.v. die [slachtoffer 3]

- die [slachtoffer 3] gevraagd om € 1,40 naar zijn, verdachtes bankrekening over te maken en

- die [slachtoffer 3] gevraagd om een QR-code te scannen en

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer 3] gepakt en

- die [slachtoffer 3] gevraagd een bevestigingscode op zijn telefoon in te toetsen

t.a.v. die [slachtoffer 4]

- die [slachtoffer 4] gevraagd om € 1,00 naar zijn, verdachtes bankrekening over te maken;

2

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 21 juli 2019 tot en met 16 oktober 2019 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten servers van de beveiligde internetbankieren omgeving van de ING bank, althans een deel daarvan, waarbij verdachte telkens de toegang tot de geautomatiseerde werken heeft verworven

- met behulp van een valse sleutel, te weten de inloggegevens voor het internetbankieren bij de ING bank en

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde de geautoriseerde ING

klanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ;

3

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 21 juli 2019 tot en met 16 oktober 2019 Tilburg en Rotterdam en Hendrik-Ido-Ambacht, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer 3] (€ 517,99) en [slachtoffer 4] (€ 477,20), waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft verdachte,

- zich telkens toegang verschaft tot de ING bank internetbankrekeningen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met gebruikmaking van aan deze klanten toebehorende inloggegevens,

- waarna verdachte met deze geldbedragen goederen heeft aangeschaft en/of deze geldbedragen met behulp van één of meerdere betaalautomaten heeft opgenomen/gepind;

4

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 21 juli 2019 tot en met 16 oktober 2019 te Tilburg en Rotterdam en Hendrik–Ido-Ambacht, telkens een voorwerp, te weten geldbedragen van in totaal € 2785,08 voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop van feit 1 en feit 2, van feit 2 en feit 3 en van feit 4 en feit 2. Met de oplichtingen, de diefstallen en het witwassen pleegde de verdachte telkens ook computervredebreuk. Daarmee is telkens sprake van een in die mate samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex, dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat feit 3 geen voortgezette handeling is van feit 1, omdat aan de oplichtingen enerzijds en de diefstallen anderzijds meerdere wilsbesluiten van de verdachte ten grondslag liggen.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht bij de strafmaat rekening te houden met het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2020, de eendaadse samenloop en het feit dat de verdachte een zoon heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een geraffineerde vorm van fraude. Hij heeft onder valse voorwendselen en door misbruik te maken van een kwetsbaarheid in de mobiel bankieren app van de ING bank, de toegang verkregen tot de bankrekeningen van zijn slachtoffers. Met die bankrekeningen heeft de verdachte vervolgens buiten medeweten van zijn slachtoffers transacties verricht. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van de slachtoffers, die de verdachte wilden helpen een treinkaartje te kopen of parkeergeld te betalen. De verdachte heeft de slachtoffers vervolgens financiële schade berokkend. Ook heeft de verdachte het vertrouwen in de integriteit van het (digitale) betalingsverkeer geschaad. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. De rechtbank weegt verder in het nadeel van de verdachte mee dat hij geen inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen.

Strafblad

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte d.d. 10 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer vermogensdelicten. De rechtbank weegt dat als strafverzwarend mee. De rechtbank houdt er ten nadele van de verdachte rekening mee dat de verdachte enkele maanden voor het plegen van de strafbare feiten door de rechter-commissaris was geschorst onder voorwaarden in een andere strafzaak waarin hij van soortgelijke feiten werd verdacht. Op 25 november 2020 is de verdachte (niet onherroepelijk) veroordeeld voor onder meer soortgelijke strafbare feiten als de onderhavige tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 29 oktober 2020. Hieruit is gebleken dat het schorsingstoezicht, dat de verdachte in een andere zaak was opgelegd, moeizaam verloopt. De houding van de verdachte is omschreven als verwijtend, externaliserend, berekenend en dwingend. De reclassering heeft geconcludeerd dat het voortzetten van een toezicht geen meerwaarde heeft, omdat de verdachte zich niet coöperatief opstelt. De reclassering adviseert oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat geen andere dan een vrijheidsbenemende straf passend is. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Zij komt tot oplegging van een kortere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij de verdachte vrijspreekt van een deel van de tenlastelegging.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 318,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 53,02, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 176,78 aan proceskosten.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde telefoonkosten en kosten aangifte politiebureau met een totaalbedrag van € 6,78, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. Volgens de officier van justitie dient de gevorderde rente van de persoonlijke lening te worden afgewezen nu deze rente niet door de vader van de benadeelde partij aan de benadeelde partij in rekening is gebracht. Volgens de officier van justitie komen de gevorderde proceskosten van € 176,78 voor toewijzing in aanmerking. De officier van justitie heeft hoofdelijke veroordeling gevorderd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de overige benadeelde partijen in hun vorderingen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 6,78 en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verder heeft de verdediging verzocht om de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 4] af te wijzen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van [slachtoffer 4]

De vordering van [slachtoffer 4] , voor zover deze betrekking heeft op de posten: telefoonkosten en reiskosten aangifte politiebureau (een bedrag van € 6,78), is door de verdediging niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De vordering komt in zoverre voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank is ten aanzien van de post rente persoonlijke lening van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de gevorderde rente van de persoonlijke lening daadwerkelijk is betaald en daarmee daadwerkelijk is geleden. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6,78, bestaande uit materiële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 juli 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 176,78. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [benadeelde]

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd, terwijl heropening van het onderzoek teneinde de benadeelde partij in staat te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen.

Verder zal de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

Dit brengt mee dat de bovenstaande benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer [slachtoffer 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6,78, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 4]

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van oplichting, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feiten 2 en 3:

eendaadse samenloop van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feiten 2 en 4:

eendaadse samenloop van witwassen, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

verklaart de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering:

  • -

    [slachtoffer 3]

  • -

    [benadeelde]

veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 6,78 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 176,78, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6,78, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4]

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.W. Mulder, voorzitter,

mr. S.M. van der Schenk, rechter,

mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kalkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met de nummers PL2000-2019259438 en PL2000-2019174204, van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 131).

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 8-10.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 25.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-18 met fotobijlage p. 19-24.

5 Proces-verbaal van herkenning, p. 111 met fotobijlage p. 112; proces-verbaal van bevindingen, p. 113-114; proces-verbaal van herkenning, p. 126-127 met fotobijlage p. 128; proces-verbaal van bevindingen, p. 130-131.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 36-38 met bijlage p. 40-41.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 63.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 45-47 met fotobijlage p. 48-59.

9 Proces-verbaal van herkenning, p. 115-116 met fotobijlage p. 117; proces-verbaal van herkenning, p. 119 met fotobijlage p. 120; proces-verbaal van herkenning, p. 121-122 met fotobijlage p. 123; proces-verbaal van bevindingen, p. 124-15; proces-verbaal van herkenning, p. 126-127 met fotobijlage p. 129; proces-verbaal van bevindingen, p. 130-131.

10 Een geschrift, te weten een uitdraai van de website https://www.ing.nl/de-ing/veilig-bankieren/belangrijke-mededelingen/ing-app-op-tweede-toestel-installeren-aangepast.html, geraadpleegd op 30 november 2020.