Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12796

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
09/224069-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fraude door scannen QR-code. Misbruik gemaakt van kwetsbaarheid in ING mobiel bankieren app, waardoor toegang werd verkregen tot bankrekening slachtoffer. Oplichting, computervredebreuk, diefstal met valse sleutel en witwassen. Oplegging 4 maanden gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/224069-20

Datum uitspraak: 15 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1996 [geboorteplaats] ,

[adres] ,

nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 december 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. N.J. Ros en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Gunning naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 november 2019 tot en met
4 november 2019 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bewogen zijn/hun inlogna(a)m(en) en/of wachtwoord(en) en/of andere (inlog)gegevens van zijn account bij de ING bank ter beschikking te stellen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

(t.a.v. die [slachtoffer 1] )

- die [slachtoffer 1] gevraagd om € 2,00 naar zijn bankrekening over te maken en/of

- die [slachtoffer 1] een valse app getoond die leek op een ING bank app en/of

- die [slachtoffer 1] gevraagd om de QR-code te scannen

(t.a.v. [slachtoffer 2] )

- die [slachtoffer 2] gevraagd om via internetbankieren te mogen afrekenen voor de taxirit en/of

- de bankpas van die [slachtoffer 2] aangenomen en/of

- die [slachtoffer 2] gevraagd om in te loggen op zijn ING bank app om te controleren of het geld op

zijn rekening stond en/of

- de telefoon uit de handen van die [slachtoffer 2] getrokken terwijl die ING bank app nog open stond

en/of

- de bankpas van die [slachtoffer 2] gescand;

2

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 november 2019 tot en met 5 november 2019 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de ING bank, althans een deel daarvan, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken heeft/hebben verworven

- met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de (inlog)gegevens voor het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord) van/bij de ING bank en/of

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde de geautoriseerde ING

klant(en) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ;

3

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 november 2019 tot en met 5 november 2019 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (€ 3986,00) en/of [slachtoffer 1] (€ 995,00), althans één of meerdere klanten van de ING bank, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen,

- zich (telkens) toegang verschaft tot de ING bank (internet)bankrekening(en) van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , althans van één of meerdere ING bank klanten, met gebruikmaking van aan deze klanten toebehorende (inlog)gegevens,

- waarna verdachte en/of zijn mededader(s) één of meerdere geldbedrag(en) van de bankrekening(en) van voornoemde klanten, heeft/hebben overgemaakt naar één of meerdere

bankrekening(en) van (een) derde(n), en/of (vervolgens) met deze/dit geldbedrag(en) kleding heeft/hebben aangeschaft en/of (een) OV-chipkaart(en) heeft/hebben opgewaardeerd en/of deze/dit geldbedrag(en) met behulp van één of meerdere betaalautoma(a)t(en) heeft/hebben opgenomen/gepind;

4

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 november 2019 tot en met 5 november 2019 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens)

a. a) van een voorwerp, te weten één of meer geldbedragen van (in totaal) € 8191,18 de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was

en/of

b) een voorwerp, te weten één of meer geldbedragen van in totaal € 8191,18 heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig -eigen- misdrijf.

3 Bewijs

3.1

Inleiding

De verdachte wordt – kort samengevat – ervan verdacht dat hij, al dan niet samen met een of meer anderen:

  • -

    in de periode van 3 tot en met 4 november 2019 in Den Haag/Nederland [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] ) heeft opgelicht, waarbij hij hen heeft bewogen de inloggegevens van hun account bij de ING bank ter beschikking te stellen (feit 1);

  • -

    in de periode van 3 tot en met 5 november 2019 in Den Haag/Nederland computervredebreuk heeft gepleegd met betrekking tot de internetbankierenomgeving van de ING bank (feit 2);

  • -

    in de periode van 3 tot en met 5 november 2019 in Den Haag/Nederland geldbedragen heeft gestolen van de ING bankrekeningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met gebruikmaking van inloggegevens van ING klanten (feit 3);

  • -

    in de periode van 3 tot en met 5 november 2019 in Den Haag/Nederland geldbedragen heeft witgewassen (feit 4).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Bewijsmiddelen

Aangifte [slachtoffer 1]

De aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 3 november 2019 bij het station Hollands Spoor in Den Haag werd aangesproken door een man die hem vroeg om twee euro naar zijn bankrekening over te maken, omdat hij geld tekort kwam voor het kopen van een treinkaartje. De man vroeg hem om een QR-code te scannen die op zijn telefoon stond. [slachtoffer 1] zag dat de man op de ING app was ingelogd. De man heeft [slachtoffer 1] de twee euro gegeven. De QR-code werkte op dat moment niet, waarna de man wegliep. Volgens [slachtoffer 1] ging het om een man met een donker getinte huidskleur, tussen de 20 en 25 jaar, met een capuchon op zijn hoofd en een trainingspak aan. Toen [slachtoffer 1] op 4 november 2019 op zijn ING app keek, zag hij dat twee keer een geldbedrag van € 995,- naar zijn [bankrekeningnummer] was overgemaakt door een voor hem onbekende persoon. [slachtoffer 1] zag dat 1 keer een geldbedrag van € 995,- van zijn bankrekening was gepind bij de [naam winkel] Amsterdam. Verder waren meerdere bedragen op zijn bankrekening teruggeboekt en was een ov-chipkaart voor een bedrag van € 10,- opgeladen via zijn bankrekening. [slachtoffer 1] had de bij- en afschrijvingen niet zelf gedaan en had hier ook geen toestemming voor gegeven.2

Uit een analyse van de bankrekening met [bankrekeningnummer] , op naam van de aangever [slachtoffer 1], blijkt het volgende:

  • -

    op 4 november 2019 is twee keer een bedrag van € 995,- bijgeschreven. Beide bedragen zijn afkomstig van het rekeningnummer [bankrekeningnummer ] op naam van
    [slachtoffer 2] ;

  • -

    op 4 november 2019 is om 15:05 uur € 995,- gepind bij de [naam winkel] . Amsterdam;

  • -

    op 4 november 2019 is twee keer een bedrag van € 13,99 bestemd voor Netflix teruggeboekt met reden ‘terugboeking op verzoek klant’;

  • -

    op 4 november 2019 is twee keer een bedrag van € 8,99 bestemd voor Videoland teruggeboekt met reden ‘terugboeking op verzoek klant’;

  • -

    op 4 november 2019 is € 7,60 bestemd voor Felyx Sharing teruggeboekt met reden ‘terugboeking op verzoek klant’;

  • -

    op 4 november 2019 is een ov-chipkaart opgeladen voor € 10,-.3

Camerabeelden

Op camerabeelden met zicht op de drie ingangen aan de voorzijde van het station Hollands Spoor te Den Haag zag een politieagent – na ontvangst van een foto van [slachtoffer 1] – dat [slachtoffer 1] om 14:44:07 uur werd aangesproken door een persoon die NN1 wordt genoemd. Om 14:44:30 uur deden NN1 en [slachtoffer 1] iets met hun mobiele telefoon. Vervolgens legde [slachtoffer 1] zijn mobiele telefoon op de mobiele telefoon van NN1. Om 14:45:07 uur legde [slachtoffer 1] zijn mobiele telefoon nogmaals op de mobiele telefoon van NN1, waarna [slachtoffer 1] en NN1 weer iets met hun telefoon deden.4

Op camerabeelden van de [naam winkel] te Amsterdam van 4 november 2019 zag en hoorde een politieagent dat een persoon die NN1 wordt genoemd om 15:05:16 uur een jas voor een bedrag van € 995,- afrekende door zijn mobiele telefoon tegen de pinautomaat aan te leggen. Om 15:05:38 uur was de transactie gelukt en even later gaf de medewerker de bon en de tas met daarin de jas aan NN1.5

Herkenning verdachte

[verbalisant] heeft de camerabeelden van het station Hollands Spoor en [naam winkel] bekeken. Zij omschreef het signalement van NN1 op beide camerabeelden als volgt: man, getinte huidskleur, donkerkleurige schoenen, grijze broek, gelijkend op een joggingbroek met op de rechterkant van de broek een donkerkleurige streep vanaf de heup tot net boven de knie, donkerkleurige jas met capuchon, donkerkleurig schoudertasje dat hij schuin op zijn lichaam draagt. Op de camerabeelden van het station Hollands Spoor zag de verbalisant dat NN1 de capuchon van zijn jas over zijn hoofd droeg. Verder zag de verbalisant op de camerabeelden van beide locaties twee andere personen, NN2 en NN3. De verbalisant omschreef het signalement van NN2 op de camerabeelden van beide locaties als volgt: man, kort haar, getinte huidskleur, donkergekleurde schoenen, donkerblauwe broek gelijkend op een trainingsbroek met daarop roodkleurige strepen (of iets gelijkends daarop), roodkleurig petje, donkerkleurig shirt met witte letters, ketting om zijn nek. Het signalement van NN3 op de camerabeelden van beide locaties omschreef de verbalisant als volgt: man, getinte huidskleur, donkerblauwe broek gelijkend op een trainingsbroek met op beide zijkanten drie roodkleurige emblemen, donkerkleurige jas met capuchon, donkerkleurige schoenen. Gelet op de overeenkomsten tussen de signalementen en de combinatie van personen op de camerabeelden van beide locaties kan volgens de verbalisant worden gesteld dat het hier om dezelfde personen gaat.6NN1 is later door verbalisanten aan de hand van de beelden van [naam winkel] herkend als de verdachte.7

Installeren ING app op extra toestel

Uit een bericht op de website van de ING bank blijkt dat het mogelijk was om door het scannen van een QR-code de ING mobiel bankieren app op een extra toestel te installeren. Deze mogelijkheid is inmiddels verwijderd, omdat het aantal meldingen van oplichting door middel van het installeren van een tweede toestel toenam.8

Bewijsoverwegingen

Is de verdachte de persoon op de beelden?

De camerabeelden van [naam winkel] in Amsterdam zijn van voldoende kwaliteit om op basis daarvan een herkenning te kunnen doen. Op de beelden zijn de gezichtskenmerken van de afgebeelde persoon goed waar te nemen. Meerdere verbalisanten hebben de verdachte op die beelden herkend. Zij hebben bovendien opgeschreven waarvan zij de verdachte kennen en waaraan zij hem op de beelden herkend hebben. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen en is van oordeel dat de verdachte de persoon is die is aangeduid als NN1 op de camerabeelden van [naam winkel] .

De camerabeelden van station Hollands Spoor in Den Haag zijn van minder goede kwaliteit. Gezichtskenmerken zijn daarop niet goed waar te nemen, maar postuur, huidskleur en kleding wel. Eén verbalisant heeft het signalement van de drie mannen op deze camerabeelden beschreven en vergeleken met het signalement van de drie mannen op de camerabeelden van [naam winkel] . Nu de omschrijving en met name de kleding van de drie mannen op de camerabeelden van beide locaties tot in detail overeenkomt, zij op beide locaties gedrieën in elkaars gezelschap verkeerden, en de camerabeelden op opeenvolgende dagen zijn gemaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat het om dezelfde drie personen gaat en dat de verdachte dus ook NN1 op de camerabeelden van station Hollands Spoor is.

Feit 1: oplichting

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de man die hem op 3 november 2019 bij het station Hollands Spoor aansprak hem een app op zijn telefoon toonde, waarop op dat moment een QR-code in de ING app zichtbaar was, en hem vroeg om die te scannen. Een dag later waren er buiten zijn medeweten transacties verricht op zijn bankrekening. Op de camerabeelden van station Hollands Spoor is te zien dat de verdachte [slachtoffer 1] aanspreekt, dat zij beiden iets met hun telefoon doen en dat [slachtoffer 1] op enig moment zijn telefoon op de telefoon van de verdachte legt. Die handeling past bij het scannen van een QR-code. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte op dat moment, door het door [slachtoffer 1] laten scannen van de QR-code op de telefoon van de verdachte, de toegang heeft gekregen tot de ING-bankrekening van [slachtoffer 1] . Uit de informatie op de website van de ING bank blijkt immers dat het mogelijk was om de ING mobiel bankieren app op een extra toestel te installeren door middel van het scannen van een QR-code.

De rechtbank ziet in het handelen van de verdachte listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. De verdachte heeft [slachtoffer 1] in strijd met de waarheid laten denken dat hij, door het scannen van de QR-code, een bedrag van twee euro naar de bankrekening van de verdachte zou overmaken. Die onjuiste voorstelling van zaken op een treinstation, in combinatie met de mededeling van de verdachte dat hij twee euro tekort kwam voor het kopen van een treinkaartje en het overhandigen van een contant geldbedrag van twee euro, heeft [slachtoffer 1] bewogen tot het scannen van de QR-code en daarmee – zonder dat hij het wist – tot het beschikbaar stellen van de inloggegevens die nodig waren om de ING app op de telefoon van de verdachte zo in te stellen dat de verdachte met die ING app toegang verkreeg tot de bankrekening van [slachtoffer 1]. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde in zoverre bewezen.


Feit 3: diefstal met valse sleutel

Op de camerabeelden van [naam winkel] in Amsterdam is te zien en horen dat de verdachte op 4 november 2019 om 15:05 uur met zijn telefoon een jas van € 995,- afrekent, terwijl uit de analyse van de bankrekening van [slachtoffer 1] blijkt dat op precies hetzelfde tijdstip een bedrag van € 995,- van de bankrekening van aangever [slachtoffer 1] werd afgeschreven bij [naam winkel] in Amsterdam. Daarbij komt dat de verdachte kort daarvoor, te weten een dag eerder, door het door de [slachtoffer 1] laten scannen van de QR-code bij het station Hollands Spoor de toegang had verkregen tot de inloggegevens van de bankrekening van [slachtoffer 1] middels de ING app. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte bij het betalen van de jas gebruik heeft gemaakt van de ING mobiel bankieren app op zijn telefoon. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte aldus de jas heeft betaald van het saldo op de bankrekening van [slachtoffer 1] . De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte ook degene is geweest die een ov-chipkaart voor een bedrag van € 10,- heeft opgeladen van het saldo op de bankrekening van [slachtoffer 1] , nu dit heeft plaatsgevonden op dezelfde dag als de aankoop van de jas door de verdachte. Daarmee heeft de verdachte in totaal € 1.005,- weggenomen van de bankrekening van aangever [slachtoffer 1] . De verdachte was niet bevoegd van de inloggegevens van de bankrekening van [slachtoffer 1] gebruik te maken, dus is sprake van een valse sleutel. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Feit 2: computervredebreuk

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de verdachte zich op meerdere momenten de toegang heeft verschaft tot de bankrekening van aangever [slachtoffer 1] met gebruikmaking van de ING mobiel bankieren app. In ieder geval heeft hij dat gedaan op station Hollands Spoor, en daarna ook nog eens toen hij de jas afrekende en toen hij de ov-chipkaart oplaadde. Daarmee is de verdachte binnengedrongen in een (deel van een) geautomatiseerd werk, namelijk de beveiligde internetbankierenomgeving van de ING bank. Hij heeft dat gedaan met inloggegevens tot het gebruik waarvan hij niet bevoegd was, en door zich voor te doen als geautoriseerde ING-klant, dus is sprake van een valse sleutel en een valse hoedanigheid. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Feit 4: witwassen

Tot slot concludeert de rechtbank dat de verdachte in de periode van 3 tot en met
4 november 2019 beschikking heeft gehad over de bankrekening van [slachtoffer 1] en dat hij daarom verantwoordelijk kan worden gehouden voor alle uitgaande transacties en terugboekingen op die rekening, die [slachtoffer 1] in die periode niet zelf heeft verricht. De rechtbank gaat op basis van de analyse van de bankrekening van [slachtoffer 1] uit van een geldbedrag van € 1058,56 (€ 995,- + € 13,99 + € 13,99 + € 8,99 + € 8,99 + € 7,60 + € 10,-). De rechtbank stelt vast dat de verdachte aldus totaal een geldbedrag van € 1.058,56 voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt. De verdachte wist dat dit geldbedrag uit (eigen) misdrijven, oplichting, computervredebreuk en diefstal, afkomstig was en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het witwassen van die geldbedragen. De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde in zoverre bewezen.

Partiële vrijspraak medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) heeft gehandeld. Weliswaar is op de camerabeelden van zowel station Hollands Spoor als de [naam winkel] te zien dat de verdachte in het gezelschap is van twee andere personen, maar onduidelijk is gebleven wat hun rol is geweest bij de ten laste gelegde feiten, zodat een nauwe en bewuste samenwerking niet kan worden bewezen. Dat het hier gaat om delicten die alleen door gezamenlijk opererende daders kunnen worden gepleegd en dat de twee andere personen dus wel een wezenlijke bijdrage moeten hebben geleverd aan de delicten, zoals de officier van justitie heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Zo is bijvoorbeeld op de camerabeelden van station Hollands Spoor te zien dat de andere personen pas komen aanlopen nadat [slachtoffer 1] zijn telefoon op die van de verdachte heeft gelegd. De oplichting is op dat moment dus al voltooid. Dat mogelijk ook anderen hebben geprofiteerd van de door de verdachte gepleegde feiten, maakt hen nog geen medeplegers. De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken van het medeplegen.

Partiële vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 2]

De onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten hebben mede betrekking op aangever
[slachtoffer 2] , die ook aangifte heeft gedaan van bankfraude. Buiten medeweten van [slachtoffer 2] hebben er transacties plaatsgevonden van zijn ING bankrekening, onder meer een overboeking van € 995,- naar de rekening van aangever [slachtoffer 1] , kort nadat de verdachte voor dat bedrag een jas kocht bij [naam winkel] . De rechtbank ziet daarin sterke aanwijzingen dat de verdachte hierbij op enige wijze betrokken was, maar kan dit niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen. Camerabeelden van de ten laste gelegde oplichting ontbreken, en de signalementen die aangever [slachtoffer 2] heeft gegeven van de mannen die iets met zijn telefoon hebben gedaan, zijn te algemeen, ook indien rekening wordt gehouden met de straat waar aangever [slachtoffer 2] de mannen met zijn taxi heeft afgezet en waar de vriendin van een medeverdachte zou wonen. En zelfs als wordt uitgegaan van de betrokkenheid van de verdachte, dan blijft onduidelijk wat zijn rol precies was en dus of hij (mede)pleger was. De verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, zoals hierna vermeld.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 3 november 2019 te ‘s-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] heeft bewogen zijn inloggegevens van zijn account bij de ING bank ter beschikking te stellen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- die [slachtoffer 1] gevraagd om € 2,00 naar zijn bankrekening over te maken en

- die [slachtoffer 1] een app getoond en

- die [slachtoffer 1] gevraagd om de QR-code te scannen;

2

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 3 november 2019 tot en met 5 november 2019 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten servers van de beveiligde internetbankieren omgeving van de ING bank, althans een deel daarvan, waarbij verdachte telkens de toegang tot het geautomatiseerde werk heeft verworven

- met behulp van een valse sleutel, te weten de inloggegevens voor het internetbankieren bij de ING bank en

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als de geautoriseerde ING klant [slachtoffer 1] ;

3

hij op 4 november 2019 in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft verdachte

- zich toegang verschaft tot de ING bank internetbankrekening van [slachtoffer 1] met gebruikmaking van aan deze klant toebehorende inloggegevens,

- waarna verdachte met een geldbedrag kleding heeft aangeschaft en een OV-chipkaart heeft opgewaardeerd;

4

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 3 november 2019 tot en met 5 november 2019 in Nederland, telkens een voorwerp, te weten geldbedragen van in totaal € 1058,56, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bepleit dat gelet op de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot fraude een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend zou zijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een geraffineerde vorm van fraude. Hij heeft onder valse voorwendselen en door misbruik te maken van een kwetsbaarheid in de mobiel bankieren app van de ING bank, toegang verkregen tot de bankrekening van zijn slachtoffer. Met die bankrekening heeft de verdachte vervolgens buiten medeweten van zijn slachtoffer transacties verricht. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van het slachtoffer, dat de verdachte wilde helpen een treinkaartje te kopen. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens financiële schade berokkend. Ook heeft de verdachte het vertrouwen in de integriteit van het (digitale) betalingsverkeer geschaad. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. De rechtbank weegt verder in het nadeel van de verdachte mee dat hij geen inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte d.d. 13 november 2020. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer ter zake van vermogensdelicten tot gevangenisstraffen, en dat verdachte in een proeftijd liep. Ook was de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten nog geen twee maanden door de rechter-commissaris geschorst onder diverse voorwaarden in een andere strafzaak.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d.
16 november 2020. De reclassering rapporteert dat er op sociaal-maatschappelijk vlak meerdere praktische problemen zijn, dat de verdachte geen inkomen heeft, geen dagbesteding heeft en geen relevante diploma’s of werkervaring heeft. De reclassering heeft geconcludeerd dat een toezicht evenwel geen meerwaarde heeft, gezien verdachtes negatieve hulpverleningsverleden en gebrek aan probleembesef en intrinsieke motivatie. De reclassering adviseert oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Strafmodaliteit en strafmaat

Gelet op de aard en ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat geen andere dan een vrijheidsbenemende straf passend is. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Zij komt tot oplegging van een kortere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij de verdachte vrijspreekt van een deel van de tenlastelegging.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 318,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 53,02, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 176,78 aan proceskosten.

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 180,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 310,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 110,- aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 360,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 180,- aan materiële schade en € 180,- aan immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde telefoonkosten en kosten aangifte politiebureau met een totaalbedrag van € 6,78, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. Volgens de officier van justitie dient de gevorderde rente van de persoonlijke lening te worden afgewezen nu deze rente niet door de vader van de benadeelde partij aan de benadeelde partij in rekening is gebracht. Volgens de officier van justitie komen de gevorderde proceskosten van € 176,78 voor toewijzing in aanmerking. De officier van justitie heeft hoofdelijke veroordeling gevorderd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de overige benadeelde partijen in hun vorderingen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien aan de benadeelde partijen niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 57, 63, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van oplichting en computervredebreuk;

ten aanzien van feiten 2 en 3:

eendaadse samenloop van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feiten 2 en 4:

eendaadse samenloop van witwassen, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

verklaart de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering:

  • -

    [slachtoffer 3] ;

  • -

    [slachtoffer 4] ;

  • -

    [slachtoffer 5] ;

  • -

    [slachtoffer 6] ;

  • -

    [slachtoffer 7] ;

  • -

    [slachtoffer 8] ;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.W. Mulder, voorzitter,

mr. S.M. van der Schenk, rechter,

mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kalkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019310157, van de politie Eenheid Den Haag, district Den Haag centrum, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 458).

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 63 en 64; proces-verbaal van bevindingen, p. 86 en 87.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 170-173 met bijlage p. 175.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 88-89 met fotobijlage p. 90 en 95-97.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 103 met fotobijlage p. 105, 107 en 108.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 113-114 met fotobijlage p. 116-119.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 120-121; proces-verbaal van bevindingen p. 125 met fotobijlage p. 127; proces-verbaal van herkenning, p. 416-417 met fotobijlage p. 418-420.

8 Een geschrift, te weten een uitdraai van de website https://www.ing.nl/de-ing/veilig-bankieren/belangrijke-mededelingen/ing-app-op-tweede-toestel-installeren-aangepast.html, geraadpleegd op 30 november 2020.