Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12795

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
09/008442-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt de verdachte, projectleider bij een beveiligingsbedrijf, vrij van het feitelijk leidinggeven aan of het opdracht geven tot een poging tot zware mishandeling van een aangehouden persoon op de Westlandse Cross in 2016, nu de gedragingen van de beveiligers niet aan het beveiligingsbedrijf kunnen worden toegerekend. De rechtbank spreekt de verdachte daarnaast vrij van het beïnvloeden van de verklaringsvrijheid van beveiligers, nu niet bewezen kan worden verklaard dat sprake was van beïnvloeding van die verklaringsvrijheid door de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/008442-19

Datum uitspraak: 15 december 2020

Tegenspraak

(Vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 november 2020. Ter terechtzitting van 1 december 2020 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.M. Kampen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

primair

één of meer beveiligers op of omstreeks 19 juni 2016 te Honselersdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, toe te brengen

  • -

    die [slachtoffer] op de grond heeft/hebben geduwd en/of gehouden/gefixeerd en/of

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, aan/tot welke feiten en verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven en/of opdracht toe heeft gegeven;

subsidiair

één of meer beveiligers op of omstreeks 19 juni 2016 te Honselersdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door

  • -

    die [slachtoffer] op de grond te duwen en/of te houden/fixeren en/of

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of slaan en/of

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te schoppen,

aan/tot welke feiten en verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven en/of opdracht toe heeft gegeven;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 oktober 2016 tot en met 26 januari 2017 te Heeg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [naam beveiliger 1] en/of [naam beveiliger 2] en/of [naam beveiliger 3] heeft/hebben geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring(en) zou(den) worden afgelegd, door

  • -

    de verklaring van die [naam beveiliger 1] (sessie 1596) in het interne bedrijfsonderzoek te (laten) aanpassen en/of

  • -

    die [naam beveiliger 1] (sessie 1596) te zeggen dat hij niet meer met de politie [naam 1] ) moet praten en/of

  • -

    die [naam beveiliger 1] (sessie 1596 en 374) te zeggen dat hij niet met de politie hoeft te praten zonder dat de advocaat er bij is en/of dat het enige wat hij tegen de politie moet zeggen is dat ze antwoord op vragen krijgen via de advocaat en/of

  • -

    die [naam beveiliger 3] (sessie 1635) te zeggen dat hij zelf niks meer tegen de politie hoeft te zeggen en/of dat het enige wat hij moet zeggen is dat ze antwoord op vragen krijgen via de advocaat en/of

  • -

    die [naam beveiliger 1] en/of [naam beveiliger 2] (30439) en/of [naam beveiliger 3] te zeggen dat ze zich aan hun verklaring in het bedrijfsonderzoek moeten houden en/of deze verklaring nog een keer goed door moeten lezen.

3 De beoordeling van de tenlastelegging

3.1.

Inleiding

Op 17, 18 en 19 juni 2016 vond het festival ‘Westlandse Cross’ plaats in Honselersdijk, gemeente Westland. In de nacht van 18 op 19 juni 2016 was [slachtoffer] met een groep bekenden aanwezig op het VIP-deck van het festival. Aan het eind van die feestavond, rond 02.00 uur, kreeg de beveiliging de opdracht een persoon van het VIP-deck te verwijderen. Later is gebleken dat het ging om [naam 2] . Bij het verwijderen van deze persoon heeft beveiliger [naam beveiliger 3] , letsel opgelopen.

[slachtoffer] is in de buurt van de uitgang van het festivalterrein aangehouden door de beveiliging en meegenomen naar het backstagegebied, omdat hij er door de beveiliger(s) van werd verdacht het letsel aan [naam beveiliger 3] te hebben toegebracht. Toen de politie even later ter plaatse kwam om [slachtoffer] over te nemen, zag een politieagent dat [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag met zijn armen en benen wijd en dat hij door zes of zeven beveiligers werd geslagen en geschopt. Daarna bleek dat [slachtoffer] gewond was. De directie van het beveiligingsbedrijf waar [naam beveiliger 3] werkzaam was, heeft vervolgens besloten een intern onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen die nacht.

Het voorgaande heeft geleid tot de start van een onderzoek door de politie, genaamd Dürrenhorn. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het Openbaar Ministerie [slachtoffer] aangemerkt als verdachte van (een poging tot) (zware) mishandeling van beveiliger [naam beveiliger 3] . Aan beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf] en projectleider [verdachte] is - in verschillende varianten - tenlastegelegd dat zij [slachtoffer] hebben mishandeld en dat zij de verklaringsvrijheid van verschillende in het onderzoek betrokken personen hebben beïnvloed. Dit laatste is eveneens aan de directeur van het beveiligingsbedrijf, [medeverdachte] , tenlastegelegd, in die zin dat hij daar feitelijk leiding aan heeft gegeven.

In deze zaak ligt de vraag voor of [verdachte] , de verdachte in deze zaak, zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan het al dan niet medeplegen van (een poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer] en of hij al dan niet in vereniging de verklaringsvrijheid van [naam beveiliger 1] , [naam beveiliger 3] en [naam beveiliger 2] heeft beïnvloed.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, met uitzondering van het schoppen in het gezicht. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring, met uitzondering van het in vereniging plegen.

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf van 240 uren op te leggen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

De rechtbank zal – indien nodig – onder 3.4 nader ingaan op specifieke standpunten van de officier van justitie en de raadsman.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de officier van justitie kennelijk heeft bedoeld ten laste te leggen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven of opdracht heeft gegeven aan de gedragingen van één of meer beveiligers, zijnde natuurlijke personen, welke gedragingen kunnen worden toegerekend aan een rechtspersoon, te weten [naam beveiligingsbedrijf] (bij wie deze beveiligers in dienst zijn of door wie zij zijn ingehuurd) en in die zin door [naam beveiligingsbedrijf] zijn gepleegd. Het verwijt dat de officier van justitie de verdachte wil maken, is echter niet op deze manier tenlastegelegd nu de rechtspersoon in de tenlastelegging niet wordt genoemd. De rechtbank zal de tenlastelegging verbeterd lezen, nu uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdediging de tenlastelegging ook in die zin heeft begrepen.

De rechtbank stelt voorop dat voorafgaand aan de vraag of sprake is van feitelijk leidinggeven moet worden vastgesteld of sprake is van daderschap van de rechtspersoon. Om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit te komen, moet de rechtbank dan ook allereerst de vraag beantwoorden of bewezen kan worden verklaard dat één of meer natuurlijke personen [slachtoffer] hebben gepoogd zwaar te mishandelen dan wel hebben mishandeld en, zo ja, of deze gedragingen kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon [naam beveiligingsbedrijf] . Pas als die vraag bevestigend is beantwoord, komt de rechtbank toe aan de vraag of [verdachte] aan die gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven of daartoe opdracht heeft gegeven.

3.4.1.1. De tenlastegelegde handelingen

Zijn de geweldshandelingen gepleegd door de beveiligers?

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij een flinke klap in zijn nek voelde en met zijn gezicht in het gras en de modder viel. [slachtoffer] voelde hierna dat hij diverse trappen tegen zijn hoofd en zijn lichaam kreeg en dat zijn rechter oor ging suizen. Vervolgens kreeg hij een trap in zijn rechterzij die hem de adem ontnam. Op het politiebureau bleek dat op het hoofd van [slachtoffer] bebloede beschadigingen zaten. In het ziekenhuis werd vastgesteld dat daarnaast sprake was van bloeduitstortingen in zijn rechter oorschelp en een gaatje in het trommelvlies van het rechter oor.

[naam 3] , vrijwilliger bij de EHBO, heeft verklaard dat de man die door de beveiligers naar binnen was gedragen op de grond lag en dat de beveiligers om hem heen stonden. [naam 3] zag dat de man zich een keer wist los te rukken uit zijn liggende positie, maar dat de beveiligers hem al snel weer onder controle hielden.

[naam 4] , een medewerkster van het Rode Kruis, heeft verklaard dat zij een man op de grond zag liggen met zijn handen ter bescherming om zijn hoofd gevouwen. Om de man heen stonden ongeveer 8 à 10 beveiligingsmedewerkers. [naam 4] zag dat deze beveiligers op de man op de grond intrapten. Ondanks het feit dat [naam 4] de beveiligers heeft toegeroepen dat zij moesten stoppen, gingen de beveiligers door met het mishandelen van de man op de grond.

[verbalisant] kwam ter plaatse om [slachtoffer] als verdachte van de mishandeling van [naam beveiliger 3] over te brengen naar het politiebureau. [verbalisant] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] bij aankomst op zijn buik zag liggen met zijn armen gespreid. Om [slachtoffer] heen stonden 4 à 7 beveiligers. [verbalisant] zag dat [slachtoffer] diverse klappen en schoppen kreeg van de beveiligers, terwijl hij geen weerstand bood. [verbalisant] zag dat één beveiliger [slachtoffer] twee maal met een vuist aan de rechterzijde in zijn gezicht sloeg. Daarnaast zag hij dat [slachtoffer] een vuistslag in zijn rechterzij kreeg en dat hij twee schoppen in zijn linkerzij kreeg van twee verschillende beveiligers. Er stonden zo veel mensen [slachtoffer] heen, dat hij niet op kon staan.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat meerdere beveiligers de tenlastegelegde geweldshandelingen hebben gepleegd, met uitzondering van het schoppen in het gezicht.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat de daders - kort gezegd vanwege de afwijkende kleding - geen medewerkers van [naam beveiligingsbedrijf] waren c.q. niet onder verantwoordelijkheid van [naam beveiligingsbedrijf] vielen, en overweegt daartoe als volgt. Uit het draaiboek van de Westlandse Cross blijkt dat [naam beveiligingsbedrijf] is ingehuurd voor het uitvoeren van de beveiligingswerkzaamheden tijdens het evenement. Uit het dossier is voorts gebleken dat [naam beveiligingsbedrijf] , naast de inzet van haar eigen werknemers, ook beveiligers van andere beveiligingsbedrijven had ingehuurd om in te zetten tijdens het evenement.

Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel?

Het door meerdere beveiligers slaan tegen het gezicht, het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] en het schoppen tegen zijn lichaam terwijl hij weerloos op de grond lag, is naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de beveiligers met hun handelen de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook willens en wetens hebben aanvaard en dat hun opzet - op zijn minst genomen - in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat meerdere beveiligers zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .

3.4.1.2. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van [naam beveiligingsbedrijf]

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte, rechtspersoon [naam beveiligingsbedrijf] , strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het handelen van de beveiligers.

Juridisch kader

Uit artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat strafbare feiten ook kunnen worden begaan door rechtspersonen. De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van drie vragen:

1. Is de rechtspersoon geadresseerde van de norm? Met andere woorden: kan het delict worden gepleegd door de rechtspersoon?

2) Kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – aan de rechtspersoon worden toegerekend?

3) Kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?

De beantwoording van de vraag of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):

a. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan blijkens het tweede lid van artikel 51 Sr ook strafvervolging worden ingesteld en kunnen straffen tegen de rechtspersoon worden uitgesproken.

Toepassing op het onderhavige feit

Wat betreft de eerste vraag of de rechtspersoon geadresseerde is van de norm, overweegt de rechtbank dat zij niet op voorhand uitsluit dat een rechtspersoon als pleger van een geweldsdelict kan worden aangemerkt. De wet spreekt bij elke delictsomschrijving, dus ook bij de omschrijving van geweldsdelicten, over “hij die”. In deze bewoordingen leest de rechtbank geen uitzondering voor rechtspersonen.

Voor de beantwoording van de tweede vraag of de poging tot zware mishandeling (hierna ook: de gedraging) in dit geval aan de rechtspersoon [naam beveiligingsbedrijf] kan worden toegerekend, zal de rechtbank aan de hand van voornoemde gezichtspunten vaststellen of de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De rechtbank overweegt als volgt:

Ad a)

De rechtbank heeft onder 3.4.1.1. vastgesteld dat [slachtoffer] door beveiligers is mishandeld en dat alle op het evenement aanwezige beveiligers onder verantwoordelijkheid van [naam beveiligingsbedrijf] vielen. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] een handelen betreft dat is verricht door beveiligers uit hoofde van een dienstbetrekking en/of door beveiligers die uit anderen hoofde werkzaam waren ten behoeve van [naam beveiligingsbedrijf] .

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tevens gaat om een nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, te weten projectleider en leidinggevende [verdachte] .


De rechtbank overweegt hierover het volgende. [verdachte] heeft verklaard dat hij projectleider was op het evenement en de leiding had over de beveiligers, dat hij aanwezig was bij de aanhouding van [slachtoffer] en dat hij betrokken was bij het overbrengen van [slachtoffer] naar het backstagegebied. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of hij direct hierna weg is gegaan of dat hij nog aanwezig is gebleven tijdens het fixeren van [slachtoffer] . Getuigen [naam beveiliger 2] en [getuige] hebben hierover bij de politie verklaard dat [slachtoffer] in het backstagegebied door onder meer [verdachte] naar de grond is begeleid, wat betekent dat [verdachte] toen in ieder geval nog aanwezig was. De rechtbank stelt op grond van deze getuigenverklaringen dan ook vast dat [verdachte] betrokken is geweest bij het fixeren van [slachtoffer] . Of [verdachte] hierna nog aanwezig was bij het door de beveiligers uitgeoefende geweld en of hij hier mogelijk zelf aan deel heeft genomen, is uit het dossier niet duidelijk geworden. Ook is niet gebleken dat [verdachte] opdracht aan de beveiligers heeft gegeven om [slachtoffer] te mishandelen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat [verdachte] op de hoogte was van het plegen van de overige geweldshandelingen en dat hij hierbij heeft nagelaten in te grijpen. De rechtbank concludeert dan ook dat niet kan worden bewezen dat sprake is van nalaten door iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.

Ad b)

In de normale bedrijfsuitvoering van beveiligingswerkzaamheden valt het doen van een aanhouding en het zo nodig fixeren van de aangehouden verdachte in afwachting van de komst van de politie. In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] niet in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon past. Er zijn geen aanwijzingen dat geweldshandelingen, zoals die zich in het backstagegebied hebben afgespeeld, gebruikelijk zijn bij [naam beveiligingsbedrijf] .

Ad c)

De poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] is [naam beveiligingsbedrijf] niet dienstig geweest. Het heeft de rechtspersoon immers geen voordeel opgeleverd.

Ad d)
Zoals onder a) uiteen is gezet, kan de rechtbank niet vaststellen dat [verdachte] na het fixeren van [slachtoffer] ter plaatse aanwezig is gebleven en dus ook niet dat [verdachte] kon ingrijpen bij het plegen van de geweldshandelingen, nog daargelaten of dat tot het oordeel zou leiden dat het gedrag van [verdachte] in dit concrete geval aan de rechtspersoon had moeten worden toegerekend. Het dossier bevat daarnaast ook geen andere aanwijzingen waaruit kan worden opgemaakt dat [naam beveiligingsbedrijf] erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet plaats zou vinden. Zoals hiervoor overwogen, is voorts niet uit het dossier gebleken dat eerder sprake is geweest van zodanige of vergelijkbare gedragingen door beveiligers van [naam beveiligingsbedrijf] of dat in de instructies staat dat de beveiligers geweld mogen gebruiken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat [naam beveiligingsbedrijf] dergelijk gedrag aanvaardt of zou aanvaarden.

Het voorgaande in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de gedraging niet heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] niet aan [naam beveiligingsbedrijf] kan worden toegerekend.

Nu er geen sprake is van een strafbaar feit gepleegd door [naam beveiligingsbedrijf] komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [verdachte] aan de strafbare gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven of daartoe opdracht heeft gegeven.

3.4.1.3. Conclusie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken.

3.4.2.

Ten aanzien van feit 2

3.4.2.1. Het juridisch kader van artikel 285a Sr

De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van beïnvloeding van personen zoals bedoeld in artikel 285a Sr strekt tot bescherming van de vrijheid van personen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te kunnen leggen (vgl. HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7093). Van “beïnvloeden” in de zin van voormeld artikel is sprake als de uiting ertoe strekt deze verklaringsvrijheid aan te tasten. Voor een bewezenverklaring van beïnvloeding is niet vereist dat sprake is geweest van intimidatie, hoewel intimidatie in de regel wel een sterke aanwijzing oplevert dat de desbetreffende uitlating ertoe strekt om de verklaringsvrijheid aan te tasten. Voldoende is dat vast komt te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de verklaringsvrijheid te beïnvloeden, zonder dat wordt vereist dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7910).

3.4.2.2. De feitelijke gedragingen en de toepassing van voornoemd juridisch kader

[verdachte] heeft ontkend dat hij de verklaringsvrijheid van de in de tenlastelegging genoemde personen heeft willen beïnvloeden en heeft verklaard dat de door hem gedane uitingen geruststellend en/of adviserend bedoeld waren, onder andere omdat [naam beveiliger 1] en enkele andere beveiligers als verdachte werden ontboden op het politiebureau, terwijl zij eerder nog als getuige werden aangemerkt.

De raadsman heeft daarnaast ten aanzien van het eerste gedachtestreepje aangevoerd dat de tenlastegelegde gedraging allereerst ziet op het interne bedrijfsonderzoek en niet op het politieonderzoek, zodat geen sprake is van een verklaring ten overstaan van een ambtenaar. Voorts is, mede naar aanleiding van het beluisteren van tapgesprek 1596 ter terechtzitting, niet duidelijk of deze passage van het tapgesprek überhaupt wel ziet op de verklaring van [naam beveiliger 1] in het interne bedrijfsonderzoek, aldus de raadsman.

Het eerste gedachtestreepje

De rechtbank overweegt dat uit de tenlastegelegde bewoordingen “de verklaring van die [naam beveiliger 1] in het interne bedrijfsonderzoek te (laten) aanpassen” volgt dat het niet gaat om een verklaring die tegenover een rechter of ambtenaar wordt afgelegd. Van beïnvloeding in de zin van 285a Sr is om die reden al geen sprake, nog daargelaten de vraag of het tapgesprek, dat deels in het Sneekers dialect wordt gevoerd, correct is uitgewerkt.

Het tweede en derde gedachtestreepje

De feitelijke gedragingen onder het tweede en derde gedachtestreepje zijn afgeleid uit een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] en een telefoongesprek tussen [verdachte] en [naam beveiliger 1] .

De rechtbank heeft de betreffende tapgesprekken beluisterd. Aan het gesprek tussen [verdachte] en [naam beveiliger 1] valt op dat [verdachte] [naam beveiliger 1] op kalme, geruststellende wijze onder meer uitleg geeft over wat [naam beveiliger 1] van het verhoor kan verwachten en wat de rol van mr. Van der Goot is in de procedure. Uit het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] blijkt dat [naam beveiliger 1] zich zorgen maakt over het feit dat hij als verdachte is aangemerkt. [verdachte] legt vervolgens aan [medeverdachte] uit wat hij die middag tegen [naam beveiliger 1] heeft gezegd. [medeverdachte] zegt hierna dat zij ook al tegen hem (de rechtbank begrijpt: [naam beveiliger 1] ) had gezegd dat hij zich niet druk moest maken.

Uit de gehele inhoud van de tapgesprekken en de geruststellende wijze waarop [verdachte] tegen [naam beveiliger 1] spreekt, kan de rechtbank niet afleiden dat [verdachte] de verklaringsvrijheid van [naam beveiliger 1] heeft willen beïnvloeden. De tenlastegelegde uitingen dienen naar het oordeel van de rechtbank in de context van de gesprekken te worden opgevat als adviezen aan [naam beveiliger 1] op procedureel vlak nu hij als verdachte wordt aangemerkt. Het tweede en derde tenlastegelegde gedachtestreepje leveren dan ook geen beïnvloeding in de zin van artikel 285a Sr op.

Het vierde gedachtestreepje

De feitelijke gedragingen onder het vierde gedachtestreepje zijn afgeleid uit een telefoongesprek tussen [verdachte] en [naam beveiliger 3] . In dit gesprek vertelt [verdachte] op kalme wijze aan [naam beveiliger 3] dat ‘die jongens’ (de rechtbank begrijpt: [naam beveiliger 1] , [naam beveiliger 4] , [naam beveiliger 5] , [naam beveiliger 2] en [naam beveiliger 6] ) als verdachte van mishandeling in vereniging worden aangemerkt en legt hij [naam beveiliger 3] uit dat met mr. Van der Goot besproken is wat er nu gaat gebeuren.

Aan de hand van de gehele inhoud van het gesprek leidt de rechtbank af dat [verdachte] [naam beveiliger 3] heeft gebeld om hem te informeren over de huidige stand van zaken in het politieonderzoek. Voorts valt naar het oordeel van het de rechtbank uit het gesprek af te leiden dat mr. Van der Goot heeft geadviseerd dat de werknemers van [naam beveiligingsbedrijf] en ook [verdachte] zelf, gezien de aanmerking van een aantal beveiligers als verdachte, geen vragen van de politie meer moeten beantwoorden (de rechtbank begrijpt: buiten enig politieverhoor om). In dat kader moeten de tenlastegelegde uitingen van [verdachte] worden opgevat als een doorgegeven advies aan [naam beveiliger 3] . Het vierde tenlastegelegde gedachtestreepje levert derhalve geen beïnvloeding in de zin van artikel 285a Sr op.

Het vijfde gedachtestreepje

De officier van justitie heeft over de onder het vijfde gedachtestreepje genoemde feitelijke gedragingen aangegeven dat deze zijn afgeleid uit een telefoongesprek tussen [verdachte] en [naam beveiliger 2] en uit WhatsAppberichten van [verdachte] aan [naam beveiliger 2] en [naam beveiliger 1] . De rechtbank leidt uit het telefoongesprek tussen [verdachte] en [naam beveiliger 2] af dat [naam beveiliger 2] [verdachte] heeft gebeld met de vraag waarom de advocaat (de rechtbank begrijpt: mr. Van der Goot) om de tafel wil gaan zitten. [verdachte] legt [naam beveiliger 2] uit dat de advocaat hem waarschijnlijk hetzelfde wil adviseren wat hij [verdachte] zelf heeft geadviseerd. [verdachte] legt vervolgens uit wat hem is geadviseerd en wat hem is uitgelegd over de gang van zaken bij het verhoor. Een aantal dagen later heeft [verdachte] aan [naam beveiliger 2] en [naam beveiliger 1] een WhatsAppbericht gestuurd dat zij hun verklaring nog even goed door moeten lezen.

Uit de gehele inhoud van het tapgesprek tussen [verdachte] en [naam beveiliger 2] leidt de rechtbank af dat de zin “Nou, als jullie je gewoon aan je verklaring houden, dan is het gewoon klaar” moet worden gelezen in de context van de adviezen die mr. Van der Goot aan [verdachte] heeft gegeven, waarover [verdachte] aan [naam beveiliger 3] vertelt. De rechtbank kan uit deze passage niet afleiden dat [verdachte] hiermee de verklaringsvrijheid van [naam beveiliger 3] heeft willen beïnvloeden. Ook in de WhatsAppberichten aan [naam beveiliger 2] en [naam beveiliger 1] ziet de rechtbank niet meer dan een advies om hun verklaringen nog even goed door te lezen. De rechtbank acht, mede in onderlinge samenhang met het telefoongesprek met [naam beveiliger 2] , niet bewezen dat [verdachte] door deze bewoordingen te gebruiken de verklaringsvrijheid van [naam beveiliger 2] en [naam beveiliger 1] heeft willen beïnvloeden. Ook het vijfde tenlastegelegde gedachtestreepje levert naar het oordeel van de rechtbank dus geen beïnvloeding in de zin van artikel 285a Sr op.

3.4.2.3. Conclusie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank heeft onder 3.4.2.2. vastgesteld dat geen van de tenlastegelegde gedachtestreepjes beïnvloeding in de zin van artikel 285a Sr oplevert. Dit betekent dat de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht en dat zij de verdachte hiervan zal vrijspreken.

Gelet op deze conclusie behoeven de overige standpunten van de officier van justitie en de raadsman ten aanzien van dit feit geen bespreking meer.

4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 60.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. De benadeelde partij heeft verzocht voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard voor zover het de materiële schade betreft, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd dat naar billijkheid een bedrag van € 250,- dient te worden toegewezen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard of dat de vordering moet worden afgewezen, gelet op de door hem bepleitte vrijspraak.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P.M. Loos, voorzitter,

mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter,

mr. J. Barensen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2020.

Mr. Barensen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.