Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
C/09/579349 / HA ZA 19-910
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige rechtspraak in vereffeningsprocedure bij de kantonrechter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0309
FJR 2021/15.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/579349 / HA ZA 19-910

Vonnis van 9 september 2020

in de zaak van

[eiseres 1] , te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.M. Vervoorn te Nieuwkoop,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Dijkstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres 1] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 april 2019 voor de rechtbank Den Haag, sector kanton;

  • -

    de akte overlegging producties van 26 april 2019, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de conclusie strekkende tot onbevoegdverklaring en verwijzing van de Staat, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    antwoord op de conclusie van onbevoegdheid en verwijzing van [eiseres 1], met productie 12;

  • -

    de brief van [eiseres 1] van 10 juli 2019 met producties 13 en 14;

  • -

    het vonnis van de rechtbank Den Haag, sector kanton, van 1 augustus 2019, waarbij de zaak is verwezen naar Team Handel van de rechtbank Den Haag;

  • -

    de brief van de Staat van 6 augustus 2019;

  • -

    het vonnis van de rechtbank Den Haag, sector kanton, van 26 september 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord van de Staat, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de akte wijziging/aanvulling (gronden) van eis van [eiseres 1];

  • -

    het op 7 januari 2020 door de Staat ingediende B-11 formulier, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het honoreren van het akteverzoek van [eiseres 1];

  • -

    de brief van de griffier van 30 januari 2020, waarin is medegedeeld dat de akte eiswijziging wordt toegelaten;

  • -

    akte houdende reactie op wijziging/aanvulling (gronden) van eis van de Staat;

  • -

    het proces-verbaal van de op 14 juli 2020 gehouden comparitie.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

Nalatenschappen en vereffening

2.1.

Op 29 augustus 2014 is mevrouw [moeder], moeder van [eiseres 1] (hierna: moeder), overleden. De erven van moeder waren de heer [echtgenoot moeder], echtgenoot van moeder en vader van [eiseres 1] (hierna: vader), en haar acht kinderen (hierna: de kinderen). Op 14 januari 2015 is vader overleden. In zijn testament heeft vader de kinderen, ieder voor een gelijk deel, tot zijn erfgenamen benoemd en twee van hen (hierna: de broers) benoemd tot executeurs.

2.2.

Op verzoek van de broers heeft de notaris, mr. Sprenkels (hierna: de notaris), op 17 februari 2015 een verklaring van executele en op 5 maart 2015 een verklaring van erfrecht en executele afgegeven. Blijkens die laatste verklaring hebben twee kinderen de nalatenschappen van vader en moeder aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. De andere kinderen, onder wie [eiseres 1], hebben zuiver aanvaard.

2.3.

Tussen de kinderen onderling is onenigheid ontstaan over de afwikkeling (door de executeurs) van de nalatenschappen.

2.4.

Bij beschikking van 12 november 2015 zijn de broers op hun verzoek door de rechtbank Midden-Nederland ontslagen als executeurs en is mr. J. Nobel, kandidaat-notaris in Utrecht, benoemd tot vereffenaar van de nalatenschappen van vader en moeder (hierna: de vereffenaar). [eiseres 1] was belanghebbende partij in deze verzoekschriftprocedure. De rechtbank heeft in de beschikking het volgende overwogen:

De wettelijke grondslag van het verzoek is artikel 4:203 lid 1 sub a BW, dat bepaalt dat de rechtbank na aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving een vereffenaar kan benoemen op verzoek van een erfgenaam.

Omdat mevrouw [X] en mevrouw [Y] de nalatenschappen van erflaatster en erflater beneficiair hebben aanvaard, zijn verzoekers als erfgenamen bevoegd de rechtbank te verzoeken een vereffenaar te benoemen.

Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers willen dat een vereffenaar wordt benoemd, omdat de onderlinge verhoudingen tussen de erfgenamen niet goed zijn en sprake is van wantrouwen jegens verzoekers, die ook executeurs zijn. Dit wantrouwen heeft ertoe geleid dat verzoekers betrokken werden in verschillende gerechtelijke procedures. Deze procedures zijn voor verzoekers aanleiding geweest om de kantonrechter te verzoeken aan hen ontslag te verlenen als executeurs. Omdat dan een vacuüm zal ontstaan voor wat betreft de bevoegdheid de nalatenschappen af te wikkelen, vragen verzoekers, in overleg met de andere erfgenamen, een vereffenaar te benoemen. Alle erfgenamen zijn het erover eens dat het nodig is dat een vereffenaar wordt benoemd. Ook volgt de rechtbank verzoekers in hun stelling dat het onder de gegeven omstandigheden nodig is dat een vereffenaar wordt benoemd.

(…)

De rechtbank overweegt dat de erfgenamen verdeeld zijn over de vraag wie tot vereffenaar moet worden benoemd. Daarom zal de rechtbank een onafhankelijke deskundige tot vereffenaar benoemen. (…)

2.5.

Op verzoek van de vereffenaar heeft de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton (hierna: de kantonrechter) op 18 december 2015 de datum vastgesteld waarop schuldeisers hun vordering op de nalatenschappen van vader en moeder bij de vereffenaar kunnen indienen (zijnde 1 februari 2016). In zijn verzoek heeft de vereffenaar het volgende geschreven:

(…)

Er is geen boedelnotaris aangewezen en er is ook geen voornemen om een boedelnotaris aan te wijzen vanwege de notariële achtergrond van de vereffenaar.

(…)

De achtergrond van de vereffening is de verstoorde verhouding tussen de erfgenamen waardoor men aan verdeling van het huis en de roerende zaken niet toekwam.

De bekende schulden van de nalatenschappen zijn voldaan of kunnen gemakkelijk uit de aanwezige middelen worden voldaan.

Ik heb alle schuldeisers reeds aangeschreven en gevraagd om hun eventuele vordering voor 1 februari a.s. in te dienen. (…)

2.6.

Met uitzondering van [eiseres 1] hebben de kinderen vorderingen op de nalatenschappen van vader en moeder ingediend bij de vereffenaar.

2.7.

Bij brief van 21 december 2015 heeft de vereffenaar de kinderen bericht dat hij van hun allemaal wensen ten aanzien van de verdeling van de roerende goederen van de nalatenschappen van vader en moeder heeft ontvangen en dat hij een voorstel tot verdeling zal maken. Verder heeft hij aangegeven dat de correspondentie met de kinderen naast de verkoop van de woning van vader en moeder en algemene boedelwerkzaamheden veel van zijn tijd vraagt en dat hij inmiddels ruim 45 uur aan de vereffening heeft besteed. Gelet op de hiermee gemoeide kosten heeft hij de kinderen opgeroepen op constructieve wijze mee te werken aan de verdeling van de roerende zaken en de afwikkeling van de nalatenschappen.

2.8.

Op 15 januari 2016 heeft de vereffenaar een voorstel tot verdeling van de roerende zaken toegezonden aan de kinderen en medegedeeld dat zij de hun toebedeelde goederen op 23 januari 2016 kunnen ophalen.

2.9.

Op 24 maart 2016 heeft de vereffenaar de kantonrechter verzocht een voorschot op zijn loon vast te stellen ten bedrage van € 37.998,78 (inclusief btw). In zijn brief aan de kantonrechter heeft de vereffenaar onder meer geschreven dat de communicatie met de kinderen zeer intensief is geweest, dat de kinderen hebben ingestemd met het door hem gedane voorstel tot verdeling van de roerende zaken, dat een koopovereenkomst voor de woning van vader en moeder is gesloten, dat de door de kinderen ingediende vorderingen op de nalatenschappen door hem zijn afgewezen, dat de rekening en verantwoording en de uitdelingslijst in concept gereed zijn en dat alle schulden van de nalatenschap volledig zijn voldaan. Bij beschikking van 3 mei 2016 heeft de kantonrechter het voorschot op het loon van de vereffenaar overeenkomstig zijn verzoek vastgesteld.

2.10.

Bij brief van 25 maart 2016 heeft de vereffenaar een lijst van de door hem erkende en betwiste vorderingen in de nalatenschappen van vader en moeder ter inzage neergelegd bij de griffie van de rechtbank. De vereffenaar heeft deze lijst dezelfde dag per e-mail toegezonden aan de kinderen en daarbij vermeld dat hij alle door de kinderen ingediende vorderingen heeft afgewezen.

2.11.

Op 30 mei 2016 heeft [eiseres 1] de kantonrechter verzocht het loon van de vereffenaar te matigen en de vereffening te beëindigen.

2.12.

Op 25 juli 2016 heeft de griffier van de rechtbank [eiseres 1] bericht dat de kantonrechter voornemens is haar verzoeken af te wijzen en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om haar verzoeken nader toe te lichten.

2.13.

Bij brief van 27 juli 2016 heeft de vereffenaar een rekening en verantwoording en een uitdelingslijst ter griffie van de rechtbank neergelegd ter inzage. In deze brief heeft hij tevens verzocht om een aanvullend voorschot op zijn loon ten bedrage van € 12.547,96.

2.14.

Op 12 augustus 2016 heeft [eiseres 1] per brief gereageerd op het voornemen van de kantonrechter om haar verzoeken van 30 mei 2016 af te wijzen. Zij heeft haar verzoeken aangevuld met het verzoek tot ontslag van de vereffenaar op gewichtige gronden, een bevel tot beëindiging dan wel opheffing van de vereffening, ambtshalve matiging van het loon van de vereffenaar en een bevel tot uitbetaling aan de kinderen van de gelden die de vereffenaar van de erfgenomen onder zich heeft conform de door haar genoemde verdeling.

2.15.

Bij brief van 14 augustus 2016 heeft een aantal kinderen de kantonrechter verzocht om de vereffenaar de vereffening te laten afmaken.

2.16.

Op 24 juni 2016 en 6 oktober 2016 is [eiseres 1] per brief aan de kantonrechter in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst. In deze laatste brief heeft [eiseres 1] de kantonrechter verzocht het loon van de vereffenaar op nihil te stellen wegens afwezigheid van schulden in de nalatenschappen, de door de vereffenaar bestede tijd voor zijn eigen rekening te laten komen en veroordeling van de kosten van de procedure inclusief “loon” voor rekening van de vereffenaar. De andere kinderen zijn eveneens in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst, omdat zij meenden dat de vereffenaar ten onrechte hun vorderingen op de nalatenschappen heeft betwist en vorderingen van derden heeft erkend.

2.17.

Op 25 november 2016 heeft de vereffenaar de rechtbank verzocht een aanvullend voorschot op zijn loon ten bedrage van € 9.802,64 vast te stellen.

2.18.

Op 30 november 2016 heeft de kantonrechter het verzet tegen de uitdelingslijst, de verzoeken van [eiseres 1] en het verzoek tot vaststelling van het loon van de vereffenaar ter zitting, in aanwezigheid van de kinderen en de vereffenaar, behandeld.

2.19.

Bij beschikking van 20 maart 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [eiseres 1] niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot matiging van het loon van de vereffenaar wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag op grond waarvan een erfgenaam kan verzoeken het loon te matigen of te beperken, dat hij ook geen aanleiding ziet om het gevraagde loon te matigen en dat de vereffenaar bij wijze van (tweede) voorschot aan loon uit de boedel een bedrag van € 22.350,60 mag opnemen. Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

Niet is gebleken dat de vereffenaar te veel uren in rekening heeft gebracht of een te hoog tarief heeft gehanteerd. Dat, zoals de vereffenaar heeft toegelicht, de wijze waarop verzoekers zich tot elkaar en tot hem verhouden, leidt tot veel werk, acht de kantonrechter zeer aannemelijk. Verzoekers verkeren in ernstige onmin met elkaar. Zij lijken niet van plan te zijn om elkaar op enige constructieve en oplossingsgerichte wijze tegemoet te treden: ook ter zitting vlogen verwijten over en weer, strooiden zij zout in elkaars (oude) wonden en was van enige terughoudendheid in de kwalificatie van elkaars intenties en persoon geen sprake. Dat verzoekers sub 2 [[eiseres 1], rechtbank], 3 en 4 de nalatenschappen als juridisch niet complex beschouwen doet daar niet aan af. Daargelaten het antwoord op de vraag of deze nalatenschappen juridisch complex zijn, wordt de complexiteit van deze vereffening in ieder geval gevormd door vorenbedoelde verhoudingen.

De kantonrechter heeft daarnaast het verzoek van [eiseres 1] om de vereffening op te heffen afgewezen, omdat niet aan het wettelijk vereiste van artikel 4:209 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) werd voldaan. Het verzoek van [eiseres 1] tot ontslag van de vereffenaar is eveneens afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat, anders dan [eiseres 1] heeft aangevoerd, de vereffening nog niet is voltooid (en dus op de vereffenaar nog taken rusten) nu het overschot van de nalatenschap nog niet is afgegeven. De kantonrechter heeft evenmin aanleiding gezien de vereffenaar te bevelen over te gaan tot uitbetaling aan de kinderen conform de door [eiseres 1] voorgestane verdeling, omdat de verdeling naar zijn oordeel geen onderdeel uitmaakt van de uitdelingslijst. De kantonrechter heeft tevens het verzet van [eiseres 1] en de andere kinderen tegen de uitdelingslijst ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de kantonrechter de volgende aanwijzingen gegeven aan de vereffenaar:

a. de vereffenaar dient uiterlijk binnen acht weken na heden een definitieve uitdelingslijst aan de kantonrechter te overleggen, waarin (de financiële gevolgen van) de beslissingen in deze beschikking zijn verwerkt en waarin alle PM-posten zijn verdwenen, dan wel nader ingevuld. Indien deze termijn niet dreigt te worden gehaald, dient de vereffenaar gemotiveerd om uitstel te verzoeken;

b. uiterlijk zes weken na heden dient de vereffenaar een verzoek tot vaststelling van zijn loon in;

c. de definitieve uitdelingslijst dient slechts weer te geven wat de omvang van de nalatenschap is en welk deel daarvan aan welke schuldeisers van de nalatenschap wordt uitgekeerd;

d. de uitdelingslijst “eindigt” met de vermelding van het overschot van de nalatenschap: de vereffenaar dient geen conceptverdeling op te stellen;

e. de aldus aangepaste uitdelingslijst wordt ter informatie aan de verzoekers toegezonden. De vereffenaar stelt hen daarbij in de gelegenheid om hem, binnen vier weken na dagtekening van zijn brief waarbij de uitdelingslijst wordt toegezonden, schriftelijk en eensluidend te berichten op welke wijze de verdeling dient plaats te vinden;

f. indien zo’n verklaring niet binnen die termijn van vier weken door de vereffenaar wordt ontvangen geeft de vereffenaar het saldo van de boedelrekening binnen vier weken na het verstrijken van die termijn aan de Staat af, een en ander conform artikel 4:226 BW.”

2.20.

Op 10 mei 2017 heeft de vereffenaar de kantonrechter verzocht zijn loon definitief vast te stellen ter hoogte van de reeds toegekende voorschotten te vermeerderen met een bedrag van € 1.905,15, derhalve een totaalbedrag van € 62.254,53 (inclusief btw). Bij beschikking van 9 juni 2017 heeft de kantonrechter dit verzoek toegewezen “gelet op de door de verzoeker [vereffenaar, rechtbank] gegeven onderbouwing van de werkzaamheden ten behoeve van de vereffening en de daaraan bestede tijd”.

2.21.

Op 12 mei 2017 heeft de kantonrechter de beschikking van 20 maart 2017 op enkele administratieve punten aangepast.

2.22.

Op 22 mei 2017 heeft de vereffenaar aan de kinderen een brief over de definitieve uitdelingslijst toegezonden. Op 31 mei 2017 heeft de vereffenaar per e-mail aan de kinderen bericht dat hij zo snel mogelijk de uitkering wil verzorgen op grond van de verdeling die de kinderen hebben gemaakt.

2.23.

Op 9 juni 2017 heeft de vereffenaar een bedrag uitgekeerd aan [eiseres 1].

Tuchtklachten

2.24.

Op 25 juli 2017 heeft de kamer van het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: kamer van het notariaat) de klachten van [eiseres 1] dat de vereffenaar (a) op onbevredigende wijze communiceert met de erfgenamen, (b) zijn benoeming niet had moeten aanvaarden, (c) een onjuiste uitvoering aan de vereffening heeft gegeven en (d) een onjuiste loonvordering heeft ingediend, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de kamer voor het notariaat onder meer het volgende overwogen:

“5.4 De rechtbank heeft de kandidaat-notaris benoemd tot vereffenaar. De kandidaat-notaris behoort aan die benoeming uitvoering te geven. Daaraan kan niet afdoen dat klaagster van mening is dat de kandidaat-notaris zijn taak niet had mogen uitoefenen. Overigens is, in tegenstelling tot dat wat klaagster aanvoert, in voldoende mate aannemelijk geworden dat de nalatenschappen schulden bevatten, zoals boedelkosten, erfbelasting en vorderingen van de erfgenamen. Voor vereffening was dus wel zeker aanleiding. (…)

5.5

In klachtonderdeel 3.c somt klaagster een groot aantal bijzonderheden op waaruit moet worden afgeleid dat de kandidaat-notaris zijn taak als vereffenaar niet correct heeft uitgevoerd. (…) Een vereffenaar is belast met het beheer van de nalatenschap. In die hoedanigheid was de kandidaat-notaris bevoegd de woning te verkopen. Van de juistheid van de stelling van klaagster dat de kandidaat-notaris zou weigeren de vereffening te beëindigen, is niet gebleken. Integendeel. De kandidaat-notaris heeft bij de erfgenamen erop aangedrongen hun geschillen bij te leggen en hun vorderingen in te trekken, zodat de nalatenschappen sneller konden worden vereffend. De erfgenamen wensten daaraan evenwel geen gehoor te geven. (…)

5.6

De kandidaat-notaris heeft zijn loonvordering, onderbouwd met een urenspecificatie, ingediend. Bij het indienen van declaraties moet een (kandidaat-)notaris de in artikel 93 lid 1 Wna neergelegde norm in acht nemen en aan de hand van die norm dient de tuchtrechter te beoordelen of sprake is geweest van excessief declareren. De kamer overweegt dat daarvan in dit geval geen sprake is geweest. (…) De stelling van klaagster dat de kandidaat-notaris de erfgenamen tegen elkaar opzet is onvoldoende onderbouwd en van de juistheid is ook niet gebleken. Dit laatste geldt eveneens voor het verwijt dat de kandidaat-notaris weigert het overschot van de vereffening uit te keren. De kandidaat-notaris heeft immers klaagster en de overige erfgenamen aangeschreven met het verzoek – voor zoveel nog nodig – hun identificatie en rekeningnummers aan hem ter beschikking te stellen, zodat zo snel mogelijk tot een verdeling kan worden gekomen. (…)

2.25.

[eiseres 1] heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Op 20 februari 2018 heeft de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de klachten tegen de vereffenaar moeten worden afgewezen. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

Klachtonderdeel b

6.4. (…)

Dat de nalatenschappen wel degelijk schulden bevatten, zoals boedelkosten, erfbelasting en vordering van de erfgenamen, is voldoende aannemelijk geworden, zodat voor vereffening ook wel degelijk aanleiding bestond. (…)

(…)

Klachtonderdeel d

6.6.

Uit de stukken volgt dat de kantonrechter in zijn beschikking van 20 maart 2017 de loonvordering van de kandidaat-notaris heeft beoordeeld en vervolgens heeft vastgesteld. Daarmee liggen de bedragen, die aan de kandidaat-notaris toekomen, vast. De kamer heeft in de bestreden beslissing ten aanzien van dit klachtonderdeel, samengevat, het volgende overwogen. Het betoog van klaagster, dat de loonvordering onjuist is en niet verifieerbaar, dat de kandidaat-notaris zijn tijd verkeerd heeft besteed en dat hij te veel tracht te declareren, moet worden gepasseerd. Voorts is de stelling van klaagster dat de kandidaat-notaris de erfgenamen tegen elkaar opzet onvoldoende onderbouwd en is van de juistheid niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de kandidaat-notaris weigert het voorschot van de vereffening uit te keren. De kandidaat-notaris heeft immers klaagster en de overige erfgenamen aangeschreven met het verzoek – voor zover nog nodig – hun identificatie en rekeningnummers aan hem ter beschikking te stellen, zodat zo snel mogelijk tot een verdeling kan worden gekomen. De kamer heeft geoordeeld dat ook dit klachtonderdeel niet kan slagen.

6.7.

Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer, de gronden waarop dit oordeel berust en neemt dit oordeel over. Het hof voegt hieraan toe dat (ook) het hof niet is gebleken van excessief declareren door de kandidaat-notaris. Dit klachtonderdeel is, zoals ook de kamer heeft geoordeeld, eveneens ongegrond.

2.26.

In april 2018 heeft [eiseres 1] opnieuw klachten ingediend tegen de vereffenaar. Op 21 augustus 2018 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden deze klachten deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. De plaatsvervangend voorzitter heeft hieraan toegevoegd dat indien [eiseres 1] opnieuw een klacht zal indienen over (de moeite die zij heeft met de) vereffening, dat deze klacht op grond van het ne-bis-in-idem beginsel niet in behandeling zal worden genomen.

2.27.

Op 6 september 2017 heeft de kamer van het notariaat de klacht van [eiseres 1] tegen de notaris, inhoudende dat hij de broers onjuist heeft geadviseerd waardoor zij hebben gehandeld alsof zij onbeperkt beschikkingsbevoegd waren, gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Naar het oordeel van de kamer van het notariaat heeft de notaris in zijn advies aan de broers onvoldoende onder de aandacht gebracht dat hun bevoegdheid om zelfstandig goederen te gelde te maken aan beperkingen onderhevig was en is ook de tekst van de verklaring van erfrecht en executele onvoldoende duidelijk over de beschikkingsbevoegdheid van de broers, waardoor de broers op het verkeerde been zijn gezet en zij zonder instemming van de overige erfgenamen meer uit de nalatenschapsboedel zijn gaan verkopen dan noodzakelijk was en enkele erfgenamen, waaronder [eiseres 1], een kort gedingprocedure hebben moeten voeren om dit handelen van de broers een halt toe te roepen.

Overige klachten

2.28.

Bij brief van 2 maart 2018 heeft [eiseres 1] een klacht tegen de kantonrechter ingediend bij het gerechtsbestuur van de rechtbank Midden-Nederland. Zij heeft zich erover beklaagd dat de kantonrechter op meerdere momenten loon heeft toegekend aan de vereffenaar, dat het erg lang heeft geduurd voordat de kantonrechter de beschikking van 20 maart 2017 wees en dat de kantonrechter onjuist heeft gehandeld door de vereffenaar toe te staan het overschot van de nalatenschap aan de Staat toe te kennen.

2.29.

De president van de rechtbank Midden-Nederland heeft [eiseres 1] bij brief van 4 april 2018 bericht dat zij de klacht over de doorlooptijd gegrond acht gelet op de periode tussen de zitting en de beschikking, maar dat zij de overige klachten niet in behandeling kan nemen. Als reden hiervoor heeft zij aangedragen dat het gerechtsbestuur niet kan treden in rechterlijke beslissingen en dat een rechterlijke beslissing bovendien niet door het indienen van een klacht ter discussie kan worden gesteld.

2.30.

In reactie hierop heeft [eiseres 1] bij brief van 17 april 2018, gericht aan het gerechtsbestuur, de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de beslissing van de kantonrechter om loon toe te kennen aan de vereffenaar en de lange duur van de procedure heeft geleden.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres 1] vordert na haar eis te hebben gewijzigd – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Staat jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld ter zake diverse in het lichaam van de dagvaarding genoemde gronden en dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 7.681,74, te vermeerderen met de (zakelijke) wettelijke rente, ingaande vanaf het moment van uitkeren tot de datum van de dagvaarding van € 1.820,08, alsmede de zakelijke wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot het moment van uitkering aan [eiseres 1], plus € 390, en tot betaling van € 8.000, vermeerderd met kosten.

3.2.

[eiseres 1] legt aan vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Daartoe voert zij aan dat de vereffenaar misbruik heeft gemaakt van het wettelijk systeem van vereffening door ten laste van de nalatenschappen van vader en moeder een aanzienlijk loon op te strijken voor werkzaamheden waartoe hij niet bevoegd was (het verdelen en afwikkelen van de nalatenschappen). De kantonrechter heeft aan dit misbruik en de vereffening geen einde gemaakt en in plaats hiervan beloningen toegekend aan de vereffenaar, terwijl hij wist dat er geen schuldeisers waren en er niets te vereffenen viel en dat de kinderen niet in hoger beroep konden opkomen tegen zijn beslissingen. De kantonrechter heeft de kinderen bewust voor de gek gehouden en een spel met hen gespeeld. Meer in het bijzonder stelt [eiseres 1] dat de kantonrechter de volgende fouten heeft gemaakt:

  1. De kantonrechter heeft ten onrechte de vereffenaar benoemd, althans de vereffening niet beëindigd of opgeheven;

  2. De kantonrechter heeft fouten gemaakt bij het bepalen van het vereffeningsloon;

  3. De kantonrechter heeft niet goed toezicht gehouden op het handelen van de vereffenaar;

  4. De kantonrechter heeft ten onrechte de vereffenaar de aanwijzing gegeven dat het overschot van de nalatenschap aan de Staat moet worden afgegeven indien de kinderen geen overeenstemming bereiken over de wijze van verdeling hiervan;

  5. De kantonrechter heeft tijdens de zitting op 30 november 2016 lasterlijke opmerkingen richting [eiseres 1] gemaakt;

  6. Het vereffeningstraject heeft door toedoen van de kantonrechter veel te lang geduurd, zodat artikel 6 EVRM is geschonden;

  7. [eiseres 1] heeft geen rechtsmiddel kunnen instellen tegen de beschikkingen van de kantonrechter, zodat artikel 13 EVRM is geschonden en sprake is van oneerlijke rechtspraak.

[eiseres 1] stelt dat zij als gevolg van het onrechtmatig handelen van de kantonrechter, waarvoor de Staat aansprakelijk is, materiële en immateriële schade heeft geleden.

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank dient te beoordelen of de Staat op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de handelwijze van de kantonrechter zoals hiervoor in 3.2 beschreven. Daarbij zal de rechtbank ook betrekken de volgens [eiseres 1] onterecht genomen beslissing om een vereffenaar te benoemen, ook al is die beslissing genomen door de rechtbank en niet door de kantonrechter, nu [eiseres 1] in deze procedure de betrokken rechters niet persoonlijk aansprakelijk houdt en het voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Staat geen verschil maakt van welke rechterlijke instantie de handelwijze ter discussie wordt gesteld.

4.2.

Allereerst moet worden beoordeeld aan de hand van welke maatstaf de rechtbank de aansprakelijkheid van de Staat dient te beoordelen.

4.3.

De Staat voert aan dat de aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak in beginsel moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die de Hoge Raad in het Jan Luyken-arrest (HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6788) heeft geformuleerd, maar dat de Staat in dit geval om praktische redenen bereid is om de door de Hoge Raad in het Greenworld-arrest (HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7834) en QNow-arrest (HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2215, Qnow) geformuleerde maatstaf aan te leggen. [eiseres 1] heeft in het midden gelaten welke maatstaf van toepassing is (en overigens ook niet bepleit dat beide maatstaven te beperkt zijn en dat een andere criterium geldt).

4.4.

De maatstaf uit het Jan Luyken-arrest komt naar vaste jurisprudentie op het volgende neer. Wettelijke regelingen waarbij tegen rechterlijke beslissingen rechtsmiddelen ter beschikking worden gesteld of wordt bepaald dat daartegen geen voorziening is toegelaten, moeten worden geacht uitputtend te hebben voorzien in bescherming van belangen die voor partijen bij de verkrijging van een juiste beslissing zijn betrokken. Als uitgangspunt heeft te gelden dat er een gesloten stelsel van rechtsmiddelen bestaat. Dit stelstel staat er in beginsel aan in de weg dat de juistheid van een rechterlijke beslissing tot onderwerp van een nieuw geding wordt gemaakt en deze daardoor op andere wijze dan in de wet is voorzien – namelijk via verzet, hoger beroep of cassatie – ter toetsing wordt gebracht aan de burgerlijke rechter. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien (i) bij de voorbereiding van een rechtelijke beslissingen zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken, en (ii) tegen die beslissing geen gewoon of buitengewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. Uitsluitend in het geval dat aan deze (cumulatieve) voorwaarden is voldaan zou de Staat aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die voortvloeit uit het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling. De stelplicht en bewijslast op dit punt rusten op de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen hiervan (in casu [eiseres 1]).

4.5.

Overigens is een uitzondering op de toepassing van de maatstaf uit het Jan Luyken-arrest geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:718). Hierin is geoordeeld dat de Staat aansprakelijk is voor immateriële schade vanwege schending door de rechter van de eis van de redelijke termijn, zoals deze is neergelegd in artikel 6 EVRM. Het hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval wat een redelijke termijn is. Relevante factoren zijn de aard, de ingewikkeldheid en het belang van de zaak en het (procedeer)gedrag van partijen.

4.6.

In het Greenworld-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake kan zijn van aansprakelijkheid van arbiters als opzettelijk of bewust roekeloos is gehandeld, dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt (grof plichtsverzuim). Bij dat laatste ligt de nadruk erop dat de betrokken arbiter een ernstig persoonlijk verwijt van zijn handelen of nalaten kan worden gemaakt, zij het dat die verwijtbaarheid in zekere mate is geobjectiveerd. De Hoge Raad trekt in het Greenworld-arrest verschillende malen een parallel tussen aansprakelijkheid van arbiters en aansprakelijkheid van overheidsrechters voor onrechtmatige rechtspraak.

4.7.

Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen (vergelijk het vonnis van 1 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2111), blijkt uit het Greenworld-arrest niet dat het daarin opgenomen criterium ook betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatige rechtspraak. De Hoge Raad overweegt immers in r.o. 3.6 dat de Staat, indien hij met succes aansprakelijk is gesteld, op grond van artikel 42 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren regres kan nemen op de betreffende rechter(s) wanneer deze met opzet of bewuste roekeloosheid heeft op hebben gehandeld. De aansluiting bij deze regres-regeling impliceert dat het door de Hoge Raad in het Greenworld-arrest geformuleerde aansprakelijkheidscriterium zich beperkt tot de (persoonlijke) aansprakelijkheid van arbiters. Andere aanknopingspunten voor de conclusie dat de Hoge Raad van de in het Jan Luyken-arrest geformuleerde maatstaf is teruggekomen, ontbreken en worden door partijen in dit geval ook in zijn geheel niet aangevoerd (vergelijk rechtbank Den Haag 6 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6463). Het QNow-arrest biedt zo’n aanknopingspunt in ieder geval niet. In dit arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat de vraag naar de aansprakelijkheid van arbiters steeds moet worden beoordeeld naar de Greenworld-maatstaf, en overwogen dat alle fouten bij de uitoefening van de taak van de arbiters – inhoudelijk en processueel – dienen te worden beoordeeld naar eenzelfde maatstaf.

4.8.

De enkele omstandigheid dat de Staat ter voorkoming van een (kostbaar) juridisch debat bereid is om de Greenworld-maatstaf, waarvan wordt aangenomen dat deze (onverminderd stringent doch) soepeler zou zijn de Jan Luyken-maatstaf, bij de beoordeling van zijn aansprakelijkheid in deze zaak tot uitgangspunt te nemen, is onvoldoende om af te wijken van de hiervoor geschetste bestendige lijn. Het recht is immers het rechterlijk domein, zodat het aan de rechtbank en niet aan partijen is om te bepalen wat rechtens is.

4.9.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank de vraag of de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor onrechtmatige rechtspraak zal beantwoorden aan de hand van de Jan Luyken-maatstaf.

4.10.

[eiseres 1] stelt ten aanzien van het in 4.4 onder (ii) genoemde vereiste van de Jan Luyken-maatstaf dat zij niet de mogelijkheid had om hoger beroep of een ander rechtsmiddel in te stellen tegen de beschikkingen van de kantonrechter. De Staat betwist dit.

4.11.

De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat de verzoeker en de in een verzoekschriftprocedure verschenen belanghebbende tegen een eindbeschikking in een verzoekschriftprocedure kunnen opkomen, door binnen drie maanden na die beschikking hoger beroep in te stellen (artikel 358 Rv in samenhang met artikel 261 Rv). In artikel 676a Rv wordt een uitzondering gemaakt voor beschikkingen die krachtens een specifieke bepaling in Boek 4 BW zijn genomen. Tegen die desbetreffende beschikkingen staat slechts (door de procureur-generaal bij de Hoge Raad in te stellen) cassatie in belang der wet open (artikel 78 lid 1 en 6 Wet op de rechterlijke organisatie).

4.12.

[eiseres 1] is opgetreden als belanghebbende in de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank en als verzoekster in de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter. Uit 4.11 volgt dat [eiseres 1] daarom in beginsel beschikte over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beschikkingen van de rechtbank en de kantonrechter. Van die mogelijkheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt, terwijl gesteld noch gebleken is dat (onderdelen van) die beschikkingen vallen onder de in artikel 676a Rv genoemde uitzonderingen. Overigens zou in dat laatste geval nog wel het buitengewone rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet kunnen worden aangewend. Voor zover [eiseres 1] zou willen betogen dat niet in hoger beroep kan worden opgekomen tegen de vaststelling van (het voorschot op) het loon van de vereffenaar omdat dit een aangelegenheid tussen de vereffenaar en de kantonrechter betreft, wijst de Staat er terecht op dat dit niet afdoet aan de mogelijkheid voor [eiseres 1] om (in haar hoedanigheid van erfgenaam) als belanghebbende op voet van artikel 4:218 BW in verzet te komen tegen de uitdelingslijst waarvan het loon deel uit maakt (vergelijk hof Den Haag 20 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1678). Vaststaat dat [eiseres 1] dit verzet heeft ingesteld en dat de kantonrechter op 20 maart 2017 hierop heeft beslist. Indien [eiseres 1] zich niet kon vinden in die beslissing, diende zij op grond van artikel 4:218 lid 5 BW in samenhang met artikel 187 Faillissementswet binnen acht dagen hiertegen in cassatie te gaan (vergelijk HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2393). Dit heeft zij echter niet gedaan. Voor zover [eiseres 1] betoogt dat dit geen zin had omdat de nalatenschappen verre van failliet waren, zoals zij stelt, komt dit voor haar rekening, nu zij de gevolgen van haar nalaten in de gegeven omstandigheden niet kan afwentelen op de Staat.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat tegen de beschikkingen van de rechtbank en de kantonrechter rechtsmiddelen hebben openstaan en dat, nu [eiseres 1] daarvan geen gebruik heeft gemaakt, aan het onder 4.4 onder (ii) genoemde vereiste niet wordt voldaan.

4.14.

Dit brengt tevens met zich dat de verwijt van [eiseres 1] dat sprake is van oneerlijke rechtspraak wegens het ontbreken van effectieve rechtsmiddelen als bedoeld in artikel 13 EVRM, geen doel treft.

4.15.

Ten aanzien van het in 4.4 onder (i) genoemde vereiste overweegt de rechtbank als volgt.

4.16.

Uit het Jan Luyken-arrest volgt dat aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak alleen aan de orde is in geval van schending van fundamentele normen bij de voorbereiding van de uitspraak. Daarvan is geen sprake indien een partij het niet eens is met de inhoud van een uitspraak (vergelijk HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1355). Dit betekent dat de rechtbank niet inhoudelijk kan toetsen of, zoals [eiseres 1] stelt, de rechtbank, althans de kantonrechter op onjuiste gronden en/of in strijd met de wet (i) een vereffenaar heeft benoemd aangezien de nalatenschappen vanwege het ontbreken van schulden en de aanwezigheid van een ruimschootsverklaring gereed waren voor verdeling, (ii) de vereffenaar niet vóór voltooiing van de vereffening heeft ontslagen en de vereffening heeft beëindigd, (iii) (voorschotten op het loon) heeft toegekend, (iv) een onredelijk hoog loon heeft vastgesteld en (v) een aanwijzing over het afgeven van het overschot aan de Staat heeft gegeven. Dit brengt tevens met zich dat, zelfs indien juist zou zijn dat de kantonrechter geen of niet voldoende toezicht heeft gehouden op de vereffenaar (wat de Staat betwist), dit niet tot aansprakelijkheid van de Staat kan leiden.

4.17.

Daarbij komt nog dat [eiseres 1] een rechtsmiddel heeft aangewend tegen de

vaststelling van het loon van de vereffenaar en dat de verschuldigdheid en hoogte van het

loon ook in de tuchtrechtelijke procedures (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep)

uitgebreid aan de orde zijn geweest (zie 2.24 en 2.25). Dit laatste geldt ook voor de

vraag of aanleiding bestond om de nalatenschappen te vereffenen en een vereffenaar te

benoemen. Zowel de kamer van het notariaat als het gerechtshof hebben die vraag

bevestigend beantwoord. De voorzitter van de kamer van het notariaat heeft naar aanleiding

van een herhaalde klacht van [eiseres 1] geen reden te zien om op dit punt anders te oordelen.

Ook is aan de orde geweest of de vereffenaar werkzaamheden heeft verricht (waaronder de

verkoop van de woning) die buiten zijn taakomschrijving vallen. Die vraag is door de

tuchtrechter ontkennend beantwoord (zie 2.24 en 2.25).

4.18.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres 1] aldus dat zij zich erop beroept dat bij de voorbereiding van de beschikkingen van de rechtbank en de kantonrechter zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken, omdat (i) de rechtbank [eiseres 1] niet heeft gehoord over het verzoek tot benoeming van een vereffenaar, (ii) de kantonrechter [eiseres 1] niet heeft gehoord over de verzoeken van de vereffenaar om (een voorschot op) loon en (iii) de kantonrechter door zijn lasterlijke opmerkingen ter zitting op 30 november 2016 blijk heeft gegeven van partijdigheid. Ter zitting heeft [eiseres 1] toegelicht dat zij de zitting als traumatisch heeft ervaren. Volgens [eiseres 1] heeft de kantonrechter opmerkingen gemaakt als “wie vecht om een koe, legt er één op toe” en “we gaan voor de groep”, terwijl [eiseres 1] zich op goede gronden verzette tegen de uitdelingslijst en de gang van zaken in het vereffeningstraject. Dit heeft er volgens [eiseres 1] toe geleid dat zij haar broers en zussen over zich heen kreeg en dat zij niet langer contact met hen heeft.

4.19.

Uit de beschikking van 12 november 2015 blijkt dat de rechtbank [eiseres 1] (en de andere kinderen) overeenkomstig de wettelijke voorschriften (zie artikel 4:206 lid 1 BW) heeft opgeroepen voor een mondelinge behandeling van het verzoek van de broers om een vereffenaar te benomen en dat zij (en de andere kinderen) in reactie hierop te kennen hebben gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling. [eiseres 1] heeft dit niet bestreden. Dit betekent dat, anders dan [eiseres 1] stelt, de rechtbank het beginsel van hoor- en wederhoor niet heeft geschonden.

4.20.

Evenmin kan worden aangenomen dat de kantonrechter het beginsel van hoor- en wederhoor heeft geschonden, nu de kantonrechter pas tot vaststelling van het loon is gekomen nadat hij het verzet van de kinderen tegen de uitdelingslijst en het daarin vermelde door de vereffenaar verzochte bedrag aan loon ter zitting – in aanwezigheid van [eiseres 1] – heeft behandeld. Gesteld noch gebleken is dat toen aan [eiseres 1] geen gelegenheid is geboden om haar in haar eerdere brieven ingenomen standpunt mondeling toe te lichten.

4.21.

De Staat betwist niet dat de kantonrechter de door [eiseres 1] gestelde uitlatingen heeft gedaan, zodat dit in zoverre vaststaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden aangenomen dat daarmee het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht op een gelijke behandeling (equality of arms) en/of een eerlijke behandeling (fair play) is geschonden waardoor van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.22.

Ten tijde van de zitting bij de kantonrechter was bijna twee jaar verstreken sinds het overlijden van vader en moeder en waren hun nalatenschappen nog steeds niet afgewikkeld. Vaststaat dat dit in belangrijke mate was gelegen in de slechte onderlinge verhoudingen tussen de kinderen. Op het moment dat de vereffenaar werd benoemd, was de situatie zo dat [eiseres 1] samen met twee zussen beslag had gelegd op de woning en een groot deel van de inboedel van vader en moeder, dat de broers door een aantal kinderen (onder wie [eiseres 1]) in verschillende gerechtelijke procedures betrokken waren geweest en dat de kinderen het oneens waren over de verdeling van de roerende zaken. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat ook na de benoeming van de vereffenaar telkens nieuwe geschillen tussen de kinderen zijn ontstaan, ondanks de oproep van de vereffenaar om in onderling overleg tot een oplossing te komen en om hun gepretendeerde vorderingen op de nalatenschappen in te trekken. Ook heeft hij de kinderen meerdere malen gewezen op de oplopende (ten laste van de boedel komende) kosten van zijn werkzaamheden. Tijdens de zitting bij de kantonrechter was in die situatie weinig tot geen verandering opgetreden. Zo waren de kinderen verdeeld over de vraag of het vereffeningstraject moest worden beëindigd en kon geen van hen zich vinden in de door de vereffenaar opgestelde uitdelingslijst. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van [eiseres 1] ter zitting dat zij gaandeweg steeds meer in haar eentje tegenover haar broers en zussen kwam te staan. [eiseres 1] heeft onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om aan te nemen dat de kantonrechter met zijn uitlatingen meer bedoeld heeft te willen zeggen dan de spreekwoordelijke betekenis daarvan (een minnelijke regeling verdient de voorkeur boven een procedure) en dat hij [eiseres 1] in het bijzijn van haar familie heeft willen zwartmaken door haar te beschuldigen van zaken waarvan hij wist dat die niet waar waren. Uit zijn beschikking van 20 maart 2017 blijkt dat de kantonrechter het standpunt van [eiseres 1] in zijn beoordeling heeft betrokken en afgewogen. Het enkele feit dat hij [eiseres 1] daarin niet is gevolgd, geeft geen blijk van een oneerlijke of ongelijke behandeling van de zaak. Gelet op het feit dat de familieverhoudingen ernstig verstoord waren en dat het binnen de taakuitoefening van een rechter past om tijdens een zitting te trachten onderlinge overeenstemming en/of regelingen tussen partijen mogelijk te maken en te realiseren, is het niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft gewezen op het belang van een minnelijke regeling, waaraan inherent is dat partijen concessies doen. Daargelaten dat niet is gebleken dat de kantonrechter zich alleen tot [eiseres 1] heeft gericht, kan daarom niet worden aangenomen dat de kantonrechter ter zitting de fundamentele rechtsbeginselen van een gelijke en eerlijke behandeling van de zaak heeft veronachtzaamd.

4.23.

Uit het voorgaande volgt dat niet aan de criteria van het Jan Luyken-arrest is voldaan. Het enkele feit dat [eiseres 1] ernstig teleurgesteld is in de procesgang, dat haar vertrouwen in de rechtspraak is geschaad en dat zij in het ongelijk is gesteld door de kantonrechter, is onvoldoende grond om de Staat aansprakelijk te achten.

4.24.

De rechtbank voegt hieraan toe dat voor zover [eiseres 1] (op grond van het in 4.5 genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014) bedoelt te stellen dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, nu de vereffening niet binnen een redelijke termijn is geëindigd, ook die stelling faalt. De vereffenaar is (primair) verantwoordelijk voor de vereffening. De kantonrechter heeft een beperktere, met name toezichthoudende, rol. De wet schrijft voor dat de kantonrechter bij bepaalde formaliteiten betrokken moet zijn. Voor het overige beschikt hij over diverse bevoegdheden, zoals het geven van een aanwijzing, het vaststellen van het loon van de vereffenaar en het beslechten van bepaalde kwesties of geschillen, maar die zal hij pas aanwenden indien de vereffenaar of een belanghebbende (zoals een erfgenaam of een schuldeiser) daartoe concrete verzoeken bij hem indienen. [eiseres 1] heeft niet gesteld dat de kantonrechter niet binnen een redelijke termijn heeft beslist op de verzoeken van de vereffenaar, haarzelf en de kinderen en het verzet tegen de uitdelingslijst en dat daardoor het vereffeningstraject onredelijk lang heeft geduurd. Kern van het verwijt van [eiseres 1] is dat de kantonrechter van meet af aan onjuiste beslissingen heeft genomen (zo had hij de vereffening al in maart 2016 moeten beëindigen) en dat om die reden het vereffeningstraject langer heeft geduurd dan nodig. Dit betekent echter niet dat sprake is van een aan de Staat toe te rekenen schending van artikel 6 EVRM. Dat de kantonrechter mede gelet op zijn toezichthoudende taak gehouden is de voortgang in de vereffening te bewaken, doet daar niet aan af. In de gegeven omstandigheden, waaronder de (in belangrijke mate door de ernstig verstoorde verhoudingen tussen de kinderen ingegeven) complexiteit van de vereffening, het gedrag van partijen en de aard van de procedure kan niet worden aangenomen dat de vereffening, gerekend vanaf het moment van benoeming van de vereffenaar tot de (eind)beschikking van de kantonrechter (waarin als sluitstuk van de vereffening de aanwijzing over het uitkeren van het voorschot is gegeven), dusdanig lang heeft geduurd dat daarmee de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden. Dat [eiseres 1] na de zitting op 30 november 2016 volgens het gerechtsbestuur langer heeft moeten wachten op de beschikking van 20 maart 2017 dan wenselijk, maakt dat niet anders, nu dit tijdsverloop tussen zitting en beschikking naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.

Conclusie en proceskosten

4.25.

De rechtbank concludeert dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres 1] en dat om die reden haar vorderingen zullen worden afgewezen. Aan een beoordeling van de overige stellingen van partijen wordt daarom niet toegekomen.

4.26.

[eiseres 1] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten (in de hoofdzaak). De proceskosten (in de hoofdzaak) worden aan de zijde van de Staat begroot op € 3.729,50, waarvan € 1.992 aan griffierecht en € 1.737,50 aan salaris advocaat (2,5 punten à € 695 volgens tarief III). De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Voor de door de Staat gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

4.27.

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 1 augustus 2019, waarin hij zich onbevoegd heeft verklaard van de vordering van [eiseres 1] kennis te nemen en de zaak heeft verwezen naar (Team Handel van) deze rechtbank, niet beslist over de proceskosten in het incident. De rechtbank zal dit bij deze doen. Nu [eiseres 1] in het bevoegdheidsincident in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 480 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres 1] in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 3.729,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt [eiseres 1] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 480;

5.4.

begroot de door de Staat nog te maken nakosten op € 157, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening;

5.5.

verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.